Onder dekking, ademend met korte, snelle teugen, zat Egwene ineengedoken naast Perijn in het donker. De geur van rook van het kampvuur steeg op van haar kleding en die van hem. Beia’s hoorbare gesnuif. De beschutting van een reusachtige stenen hand, de hand van Artur Haviksvleugels standbeeld, die lang geleden was afgebroken.
Vlek was boos en ongerust. Beelden van mannen in het wit, met brandende fakkels. Wind schoot heen en weer tussen de bomen. ‘De kapitein dacht dat de wolven een slecht teken waren. Iedereen weet dat ze de Duistere dienen. Hij stuurde ons op verkenning. Mijn groep doorzocht het gebied ten oosten van ons, kijkend tussen de rotsen en de scherven van dat grote, gebroken standbeeld.’ Pijn. Schreeuwende mannen. Perijn? Wil je op Zonnedag met me dansen? Als we dan thuis zijn...
‘De wolven vielen ons aan,’ vervolgde Byar, en zijn stem klonk hard. ‘Het was duidelijk dat dit geen gewone schepsels waren. Er zat te veel coördinatie in hun aanvallen. Het leken er tientallen te zijn, bewegend in de schaduwen. Er waren mannen bij, die onze rijdieren aanvielen en doodden.’
Perijn had alles gezien vanuit meerdere gezichtspunten. Dat van hemzelf, en door de ogen van de wolven, die alleen maar met rust wilden worden gelaten. Ze waren eerder gewond geraakt door een reusachtige zwerm raven. Ze hadden geprobeerd de mannen weg te jagen, bang te maken.
Zoveel angst. Zowel de angst van de mannen als die van de wolven. De angst had die avond geregeerd, beide partijen gestuurd. Hij herinnerde zich dat hij had moeten vechten om zichzelf te blijven, onthutst over de gedachten die hij toegestuurd kreeg. ‘Die avond was lang,’ zei Byar nu met zachtere stem, maar vol woede. ‘We kwamen langs een heuvel met een grote, vlakke rots bovenaan, en Kind Lathin zei dat hij dacht daar iets in de schaduwen te hebben gezien. We hielden halt, staken onze lichten naar voren, en zagen de benen van een paard onder de overhangende rotsrichel. Ik knikte naar Lathin, en hij stapte naar voren om degene die daar stond omlaag te roepen en zich bekend te laten maken. Nou, die man – Aybara – kwam de duisternis uit, samen met een jonge vrouw. Hij had een angstaanjagende bijl bij zich, en hij liep rustig recht naar Lathin toe en negeerde de lans die op zijn borst gericht was. En toen...’
En toen namen de wolven het over. Het was de eerste keer geweest dat het Perijn was overkomen. Hun gedachten waren zo sterk geweest dat Perijn zichzelf was verloren. Hij herinnerde zich nog dat hij Lathins keel had geplet met zijn tanden, het warme bloed dat in zijn mond was gespoten alsof hij in een vrucht had gehapt. Die herinnering was van Springer geweest, maar Perijn kon zichzelf in de ogenblikken van die strijd niet van de wolf onderscheiden. ‘En toen?’ spoorde Morgase hem aan.
‘En toen volgde er een gevecht,’ zei Byar. ‘Wolven sprongen uit de schaduwen tevoorschijn en Aybara viel ons aan. Hij bewoog zich niet als een mens, maar als een grommend beest. We wisten hem tegen de grond te werken en een van de wolven te doden, maar toen had Aybara al twee Kinderen vermoord.’
Byar ging zitten. Morgase stelde geen vragen. Ze wendde zich tot de andere Witmantel die naast Byar had gestaan. ‘Ik heb er weinig aan toe te voegen,’ zei de man. ‘Ik was erbij, en ik herinner me het net zo. Ik wil benadrukken dat toen we Aybara in hechtenis namen, hij al schuldig was bevonden. We wilden...’
‘Dat oordeel is niet van belang voor deze zitting,’ zei Morgase kil.
‘Nou, laat mijn stem dan de verklaring zijn van een tweede getuige.
Ik heb ook alles gezien.’ De kale Witmantel ging zitten.
Morgase wendde zich tot Perijn. ‘Je mag spreken.’
Perijn stond langzaam op. ‘Die twee mannen spreken de waarheid, Morgase. Dat is ongeveer hoe het is gebeurd.’
‘Ongeveer?’ vroeg Morgase.
‘Hij heeft bijna gelijk.’
‘Je schuld of onschuld hangt van dat “bijna” af, Aybara. Het is de maatstaf waarnaar je wordt beoordeeld.’
Perijn knikte. ‘Dat is waar. Vertel me eens iets, Edelachtbare. Als u iemand op deze manier beoordeelt, probeert u dan hun verschillende onderdelen te begrijpen?’ Ze fronste haar voorhoofd. ‘Wat?’
‘Mijn meester, de smid die me heeft opgeleid, bracht me een belangrijke les bij. Om iets te maken, moet je het begrijpen. En om iets te begrijpen, moet je weten waar het van is gemaakt.’ Een koele bries waaide door het paviljoen en zette mantels in beweging. Dat paste bij de zachte geluiden van de vlakte buiten; mannen die met rinkelende pantsers gingen verzitten en paarden die stampten, gehoest en gefluister terwijl zijn woorden werden doorverteld aan mensen verder naar achteren.
‘Ik ben de laatste tijd iets gaan inzien,’ zei Perijn. ‘Mensen bestaan uit een heleboel verschillende delen. Wie ze zijn, hangt af van de omstandigheden waarin je ze plaatst. Ik had de hand in het doden van die twee mannen. Maar om dat te begrijpen, moet je alle delen van mij zien.’
Hij keek Galad in de ogen. De jonge Witmantelkapitein stond in een kaarsrechte houding, met zijn handen op zijn rug. Perijn wenste dat hij zijn geur kon opvangen.
Hij wendde zich weer tot Morgase. ‘Ik kan met wolven praten. Ik hoor hun stemmen in mijn hoofd. Ik weet dat dat klinkt als de bekentenis van een waanzinnige, maar ik vermoed dat veel mensen in mijn kamp niet verbaasd zullen zijn dit te horen. Als ik tijd had, zou ik het kunnen bewijzen, met de medewerking van enkele plaatselijke wolven.’
‘Dat zal niet nodig zijn,’ zei Morgase. Ze rook angstig. Het gefluister van het leger werd luider. Hij ving Failes geur op. Bezorgdheid. ‘Dat is wat ik kan,’ zei Perijn. ‘Het is een deel van me, net zoals het smeden van ijzer dat is. Net als het aanvoeren van mannen dat is. Als u me daarom wilt beoordelen, moet u het begrijpen.’
‘Je graaft je eigen graf, Aybara,’ zei Bornhald, die opstond en naar hem wees. ‘Onze Kapiteinheer-gebieder zei dat hij niet kon bewijzen dat je een Duistervriend bent, en nu bepleit je die zaak zelf voor ons!’
‘Dit maakt me nog geen Duistervriend,’ weersprak Perijn. ‘Het doel van dit hof,’ zei Morgase streng, ‘is niét dat we oordelen over die beschuldiging. Wij bepalen Aybara’s schuld aan de dood van die twee mannen, en anders niets. Je mag gaan zitten, Kind Bornhald.’
Bornhald liet zich kwaad op zijn stoel zakken. ‘Ik heb uw verdediging nog niet gehoord, heer Aybara,’ zei Morgase.
‘De reden dat ik u vertel wat ik ben – wat ik doe – is om aan te tonen dat de wolven mijn vrienden waren.’ Hij haalde diep adem. ‘Die avond in Andor... Het was verschrikkelijk, zoals Byar al zei. We waren bang, allemaal. De Witmantels waren bang voor de wolven, de wolven waren bang voor het vuur en de dreigende bewegingen van de mannen, en ik was bang voor de hele wereld. Ik was nog nooit uit Tweewater weg geweest, en ik begreep niet waarom ik wolven in mijn hoofd hoorde.
Niets daarvan is natuurlijk een uitvlucht, en zo bedoel ik het ook niet. Ik heb die mannen gedood, maar ze vielen mijn vrienden aan. Toen de mannen op jacht gingen naar wolvenpelzen, vochten de wolven terug.’ Hij zweeg even. Ze moesten de hele waarheid horen. ‘Om eerlijk te zijn, Edelachtbare, had ik mezelf niet in de hand. Ik was klaar om me over te geven. Maar met de wolven in mijn hoofd... Ik voelde hun pijn. Toen doodden de Witmantels een goede vriend van me en moest ik wel vechten. Ik zou hetzelfde doen om een boer te beschermen die werd aangevallen door soldaten.’
‘Je bent een schepsel van de Schaduw!’ riep Bornhald, die weer opstond. ‘Je leugens zijn een belediging aan de doden!’ Perijn wendde zich naar de man toe en keek hem recht aan. Het werd stil in de tent, en Perijn rook de spanning die in de lucht hing. ‘Heb je nooit beseft dat niet iedereen zo is als jij, Bornhald?’ vroeg Perijn. ‘Heb je ooit geprobéérd je in te denken hoe het zou zijn om iemand anders te zijn? Als je door die gouden ogen van mij kon kijken, zou je de wereld op een heel andere manier zien.’
Bornhald opende zijn mond alsof hij nog een belediging wilde spuien, maar toen likte hij langs zijn schijnbaar droge lippen. ‘Je hebt mijn vader vermoord,’ zei hij uiteindelijk beschuldigend. ‘De Hoorn van Valere was geblazen,’ antwoordde Perijn, ‘en de Herlezen Draak vocht tegen Ishamael in de lucht. Artur Haviksvleugels legers waren naar deze kust teruggekeerd om te overheersen. Ja, ik was in Falme. Ik ben ten strijde getrokken samen met de helden van de Hoorn, samen met Haviksvleugel zelf, vechtend tégen de Seanchanen. Ik vocht aan dezelfde kant als je vader, Bornhald. Ik heb gezegd dat hij een goed mens was, en dat was hij ook. Hij viel moedig aan. Hij stierf moedig.’