Выбрать главу

‘Ik ben geen dwaas, vrouw,’ brulde hij terug. ‘Je blijft maar tegen me zeggen dat ik moet leiden. Nou, vandaag heb ik je raad opgevolgd!’

‘Ja, en toen de verkeerde beslissing genomen.’

‘Er was geen juiste beslissing!’

‘Je had tegen hen kunnen strijden.’

‘Zij willen ook vechten tijdens de Laatste Slag,’ zei Perijn. ‘Elke Witmantel die wij zouden doden, was er een minder geweest om tegen de Duistere te strijden. Ik, mijn mannen, de Witmantels, niemand van ons doet ertoe vergeleken met wat er op ons af komt! Ze moesten blijven leven, en wij ook. En dit was de enige manier!’ Licht, maar het voelde niet goed om tegen haar te schreeuwen. Hoewel het warempel haar stemming leek te verzachten. Opmerkelijk genoeg begonnen de soldaten die in de buurt waren te knikken, alsof ze de waarheid pas inzagen toen hij die uitbrulde.

‘Ik wil dat jij het bevel over de aftocht op je neemt, ’ zei Perijn tegen Faile. ‘De valstrik is nog niet dichtgeklapt, maar ik word steeds onrustiger. Er kijkt iets naar ons; ze hebben ons de Poorten afgenomen en willen ons dood hebben. Ze weten nu dat er geen veldslag tegen de Witmantels komt, en dat betekent dat ze snel zullen aanvallen. Misschien wel vanavond, maar als we geluk hebben, wachten ze tot morgenochtend. ’

‘We zijn nog niet klaar met dit gesprek, ’ waarschuwde ze hem. ‘Wat gebeurd is, is gebeurd, Faile. Kijk naar de toekomst. ‘

Goed. ’ Ze rook nog steeds boos, en die prachtige donkere ogen van haar fonkelden, maar ze hield het binnen.

‘Ik ga naar de wolfsdroom, ’ zei Perijn, kijkend naar de rand van het kamp, waar hun tent stond. ‘Ofwel ik vernietig die koepel, of ik dwing Slachter om me te vertellen hoe ik het Reizen weer kan laten werken. Zorg dat de mensen klaar zijn voor vertrek, en laat de Asha’man elke honderd tellen proberen een Poort te maken. Zodra het werkt, haal je onze mensen hier weg. ‘

Waarheen?’ vroeg Faile. ‘Jehanna?’

Perijn schudde zijn hoofd. ‘Te dichtbij. De vijand wacht ons daar misschien op. Andor. Breng ze naar Caemlin. Of eigenlijk, nee. Wittebrug. Laten we wegblijven van plekken die zij mogelijk verwachten. Bovendien wil ik niet met een leger voor Elaynes deur opduiken voordat ik haar heb kunnen waarschuwen. ’

‘Dat is een goed plan, ’ zei Faile. ‘Als je een aanval vreest, moeten we eerst de kampvolgers weghalen in plaats van de legers, want anders blijft de rest onbeschermd achter. ’

Perijn knikte. ‘Maar haal ze hier weg zodra de Poorten weer werken. ’

‘En als het je niet lukt?’ Faile begon vastberaden te klinken. Bang, maar vastberaden.

‘Als ik over een uur de Poorten niet heb hersteld, laat ze dan beginnen aan de tocht naar de plek waar Neald heeft ontdekt dat hij nog wel Poorten kan maken. Ik denk niet dat het zal lukken; ik verwacht dat Slachter dan gewoon de koepel verplaatst om ons eronder te houden. Maar het is iets. ’

Faile knikte, maar haar geur werd aarzelend. ‘Dan zijn we ook onderweg in plaats van in het kamp. Veel gemakkelijker in een hinderlaag te lokken. ’

‘Weet ik, ’ zei Perijn. ‘Daarom mag ik niet falen. ’

Ze nam hem in haar armen en legde haar hoofd tegen zijn borst. Ze rook zo heerlijk. Naar Faile. Dat was voor hem de definitie van heer lijk. ‘Je zei dat hij sterker is dan jij, ’ fluisterde ze.

‘Ja.’

‘Kan ik iets doen om je te helpen?’ vroeg ze zachtjes. ‘Als jij over hen waakt terwijl ik weg ben, dan help je al.’

‘Wat gebeurt er als hij je doodt terwijl je daar bent?’ Perijn antwoordde niet. ‘Is er geen andere manier?’ vroeg ze.

Hij stapte achteruit. ‘Faile, ik ben er vrij zeker van dat hij heer Luc is. Ze ruiken anders, maar er is ook iets gelijksoortigs tussen hen. En toen ik de vorige keer Slachter verwondde in de wolfsdroom, had Luc de wond.’

‘Moet ik me nu beter voelen?’ vroeg ze met een grimas. ‘Het komt allemaal weer terug. We zijn klaar met Malden en belanden op een steenworp afstand van de restanten van de Witmantels, en Byar en Bornhald. Slachter verschijnt weer in de wolfsdroom. Die man over wie ik je heb verteld, Noam, die in de kooi zat? Weet je nog waar ik hem had gevonden?’

‘Je zei dat je achter Rhand aan zat. Door...’

‘Geldan,’ zei Perijn. ‘Het gebeurde op nog geen week rijden van hier.’

‘Een vreemd toeval, maar...’

‘Geen toeval, Faile. Niet bij mij. Ik ben hier met een reden. Hij is hier met een reden. Ik moet dit doen.’

Ze knikte. Hij draaide zich om en liep naar hun tent, en haar hand gleed uit die van hem. De Wijzen hadden hem een thee gegeven die hem zou helpen slapen, zodat hij de wolfsdroom binnen kon gaan. Het was tijd.

‘Hoe kon u hem laten gaan?’ vroeg Byar, met zijn knokkels wit om de knop van zijn zwaard. Zijn witte mantel wapperde achter hem op terwijl hij, Bornhald en Galad door hun kamp liepen. ‘Het was de juiste beslissing,’ zei Galad.

‘Hem laten lopen was niét de juiste beslissing!’ zei Byar. ‘U gelooft toch niet...’

‘Kind Byar,’ zei Galad zachtjes, ‘ik vind je in toenemende mate ongehoorzaam. Dat verontrust me. Het zou jou ook moeten verontrusten.’

Byar deed zijn mond dicht en zei niets meer, hoewel Galad kon zien dat het hem heel veel moeite kostte. Achter Byar liep Bornhald zwijgend mee, en hij leek bijzonder van streek.

‘Ik denk dat Aybara zich aan zijn belofte zal houden,’ zei Galad. ‘En als hij dat niet doet, dan heb ik nu een gewettigde reden om hem op te sporen en te straffen. Het is niet ideaal, maar zijn woorden waren wijs. Ik denk echt dat de Laatste Slag nadert, en als dat zo is, dan is dit de tijd om ons te verenigen tegen de Schaduw.’

‘Kapiteinheer-gebieder,’ zei Byar, die zijn stem in bedwang hield, ‘met alle eerbied, die man is van de Schaduw. Hij zal niet naast ons vechten, maar tegen ons.’

‘Als dat waar is,’ zei Galad, ‘dan krijgen wij de mogelijkheid om tegen hem te strijden op het slagveld. Ik heb mijn besluit genomen, Kind Byar.’ Harnesh kwam aanlopen en salueerde. Galad knikte. ‘Kind Harnesh, breek het kamp op.’

‘Kapiteinheer-gebieder? Zo laat op de dag nog?’

‘Ja,’ antwoordde Galad. ‘We trekken vannacht verder en scheppen wat afstand tussen ons en Aybara, gewoon voor de zekerheid. Laat verkenners achter, zodat we zeker weten dat hij ons niet volgt. We gaan naar Lugard. We kunnen daar rekruteren en ons herbevoorraden, en dan doorgaan naar Andor.’

‘Ja, Kapiteinheer-gebieder.’

Galad wendde zich tot Byar toen Harnesh vertrok. De broodmagere man bracht hem een saluut, met een gevaarlijk wrokkige blik in zijn diepliggende ogen, en beende weg. Galad bleef met zijn handen op zijn rug op het veld tussen de witte tenten staan en keek toe hoe boodschappers zijn bevelen doorgaven in het kamp. ‘Je bent stil, Bornhald,’ zei Galad na een tijdje. ‘Ben jij net zo ontstemd over mijn handelen als Kind Byar?’

‘Ik weet het niet,’ zei Bornhald. ‘Ik heb zo lang geloofd dat Aybara mijn vader had vermoord. En toch, als ik zie hoe Jaret doet, als ik terugdenk aan zijn beschrijving... Er is geen bewijs. Het frustreert me om het toe te geven, Galad, maar ik heb geen bewijs. Hij heeft echter wel Lathin en Jamwijk gedood. Hij heeft Kinderen gedood, dus hij fs een Duistervriend.’

‘Ik heb ook een Kind gedood,’ zei Galad. ‘En ben er Duistervriend om genoemd.’

‘Dat was anders.’ Er scheen Bornhald iets dwars te zitten, maar hij sprak het niet uit.

‘Ja, dat is waar,’ zei Galad. ‘Ik vind ook niet dat Aybara geen straf verdient, maar ik ben merkwaardig verontrust over de gebeurtenissen van vandaag.’

Hij schudde zijn hoofd. Antwoorden vinden zou gemakkelijk moeten zijn. Het beste besluit kwam hem altijd aanwaaien. Maar telkens als hij dacht dat hij de juiste koers had uitgestippeld betreffende Aybara, staken wansmakelijke zorgen de kop op.

Het leven is niet zo eenvoudig als de worp van een munt, had zijn moeder gezegd. De ene kant of de andere... je eenvoudige illusies... Hij was niet blij met dat gevoel. Helemaal niet.

Perijn snoof diep. Er bloeiden bloemen in de wolfsdroom, zelfs terwijl de hemel kolkte in zilver, zwart en goud. De geuren waren zo tegenstrijdig. Gebakken kersentaart. Paardenmest. Olie en vet. Zeep. Een houtvuur. Arrat. Tijm. Katvaren. Honderd andere kruiden die hij niet kon benoemen.