Heel weinig daarvan pasten in de wei waar hij was verschenen. Hij had ervoor gezorgd dat hij niet was opgedoken op de plek van zijn kamp in de wolfsdroom; dan zou hij te dicht bij Slachter zijn beland. De geuren waren vluchtig. Ze verdwenen te snel, alsof ze er nooit echt waren geweest. Springer? dacht hij.
Ik ben hier, Jonge Stier. De wolf verscheen naast hem. ‘Het ruikt hier vreemd.’
Geuren vermengen zich, zei Springer. Net als het water van duizend rivieren. Het is onnatuurlijk. Het is niet goed. Deze plek begint op te breken.
Perijn knikte. Hij verplaatste zich en verscheen in kniediepe, bruine stekelnoot, vlak buiten de violetkleurige koepel. Springer verscheen naast hem, en de planten knerpten toen hij erdoor liep. De koepel rees onheilspellend en onnatuurlijk voor hen op. Er stond wind, die de planten in beweging zette en met de boomtakken schudde. Bliksems schoten geruisloos door de hemel. Hij is er, zei Springer. Altijd.
Perijn knikte. Kwam Slachter net zo naar de wolfsdroom als Perijn? En werd hij er nog altijd moe van als hij daar enige tijd was, net als Perijn? Die man scheen hier nooit weg te gaan. Hij bewaakte iets. Er moest in de wolfsdroom iets mogelijk zijn om die koepel uit te schakelen.
Jonge Stier, we komen eraan. Die gedachte kwam van Eikendanser. Haar roedel naderde en bestond nu nog maar uit drie wolven: Vonken, Tomeloos en Eikendanser zelf. Ze hadden besloten hierheen te komen in plaats van mee te gaan met de wolven die naar het noorden renden.
De drie verschenen achter Springer. Perijn keek naar hen en stuurde hun bezorgdheid toe. Dit wordt gevaarlijk. Er kunnen wolven sterven.
Hun teruggestuurde gedachten waren halsstarrig. Slachter moet worden gedood om wat hij heeft gedaan. Samen zijn we sterk. Jonge Stier moet niet in zijn eentje op zo’n gevaarlijke prooi jagen. Hij knikte instemmend en liet zijn hamer in zijn hand verschijnen. Samen liepen ze naar de koepel toe. Perijn liep met trage, vastberaden passen naar binnen. Hij weigerde zwakte te voelen. Hij was sterk. De koepel was niets dan lucht. Hij geloofde dat de wereld was zoals hij wenste.
Hij struikelde, maar bereikte het terrein onder de koepel. Het landschap leek hier iets donkerder te zijn. Oudere bomen met een mattere bast, de stervende hondsdistels een donkerder groen of bruin. Springer en het roedel liepen om hem heen.
We gaan naar het midden, was de gedachte die Perijn hun stuurde. Als er een geheim te ontdekken valt, is het waarschijnlijk daar. Ze liepen langzaam door de struiken en tussen de groepjes bomen door. Perijn legde zijn wil op aan het gebied om hen heen. De bladeren hielden op met knisperen, en onkruid bleef stil als hij ertegen aanliep. Dat was natuurlijk. Zo hóórde het te zijn. Zo was het. Het zou een heel eind naar het midden zijn, dus begon Perijn sprongetjes te maken. Hij versnelde zijn pas niet; hij was gewoon ineens niet meer op de ene plek, maar verscheen op een andere. Hij verborg zijn geur, hoewel Slachter geen wolf was.
Dat moet mijn voordeel worden, dacht Perijn terwijl ze steeds dichter bij het midden kwamen. Hij heeft meer ervaring dan ik, maar ik heb de wolf in me. Deze plek is onze droom. Hij is de indringer. Hoe vaardig hij ook mag zijn, hij is niet een van ons. En daarom zal ik winnen.
Perijn rook iets; een toenemend verkéérd iets in de lucht. Hij en de wolven slopen naar een hoge helling en gluurden door een kloof in het landschap. Een eindje verderop, misschien op vijftig pas afstand, stond een klein groepje oude bomen. Opkijkend schatte hij dat ze heel dicht bij het midden van de koepel waren. Dankzij hun wijze van voortbewegen hadden ze binnen enkele minuten een afstand van meerdere uren lopen afgelegd.
Dat is het, zei Perijn. Hij keek Springer aan. De geur van de wolf was gedempt, maar hij begon de wolven goed genoeg te leren kennen om bezorgdheid te zien in Springers blik en de manier waarop hij stond, een klein stukje door zijn voorpoten gebogen. Er veranderde iets.
Perijn hoorde niets. Hij rook niets. Maar hij voelde wel iets, een lichte trilling in de grond.
Weg! riep hij de andere toe, en hij verdween. Hij verscheen op tien pas afstand en zag een pijl in de helling ploffen, waar hij net nog had gestaan. De schacht spleet een grote kei en bedde zich tot aan de zwarte veren in het steen en de aarde.
Slachter kwam uit een ineengedoken houding overeind en draaide zich om, kijkend naar Perijn over de korte afstand tussen hen in. Zijn ogen waren zwart, zijn vierkante gezicht beschaduwd, zijn lange lichaam gespierd en gevaarlijk. Zoals zo vaak lachte hij. Of eigenlijk was het meer een sneer. Hij droeg een leren broek en een donkergroen hemd waarvan de mouwen waren opgestroopt, en in zijn hand had hij zijn kwaadaardige, donkerhouten boog. Hij had geen pijlenkoker bij zich; hij riep de pijlen die hij nodig had gewoon op. Perijn hield zijn blik vast en stapte uitdagend naar voren. Dat was voor de wolven voldoende afleiding om van achteren aan te vallen. Slachter slaakte een kreet en draaide zich om toen Tomeloos tegen hem aan beukte. Perijn was er in een oogwenk en zwaaide zijn hamer omlaag. Slachter verdween en Perijn raakte niets dan aarde, maar hij ving de geur op van de plek waar Slachter naartoe was gegaan. Hier? Die geur was van dezelfde plek waar Perijn was. Geschrokken keek hij op en zag Slachter vlak boven hen in de lucht zweven, bezig een pijl aan te leggen. De wind, dacht Perijn. Hij is zo sterk!
De pijl verliet de boog, maar een plotselinge windvlaag blies hem opzij. Hij zonk in de grond vlak naast Perijn. Hij sprong niet opzij maar hief zijn handen, waar zijn eigen boog in verscheen. Al aangespannen, met een pijl aangelegd.
Slachters ogen werden groot toen Perijn schoot. Hij verdween en belandde een stukje verderop; meteen dook Springer boven op hem en werkte hem tegen de grond. Slachter vloekte hartgrondig en verdween.
Hier, zei Springer, en hij liet Perijn een helling zien. Perijn was er binnen een tel, met de hamer in zijn handen en vergezeld door het roedel. Slachter hief met de ene hand een zwaard en met de andere een mes toen Perijn en de vier wolven aanvielen. Perijn sloeg als eerste toe, brullend en met de hamer zwaaiend. Slachter zónk daadwerkelijk in de grond, alsof die vloeibaar was, wegduikend onder de slag van de hamer. Hij ramde zijn mes naar voren en doorboorde Eikendansers borst terwijl hij tegelijkertijd opzij zwaaide en over Vonkens snuit hakte.
Eikendanser had geen tijd om te janken; ze viel op de grond, en Slachter verdween al terwijl Perijn zijn hamer omdraaide. Zachtjes jankend stuurde Vonken gedachten van pijn en paniek door, en verdween. Hij zou blijven leven. Maar Eikendanser was dood. Slachters geur had opnieuw op deze plek gewezen. Perijn draaide zich om en beukte met zijn hamer tegen Slachters zwaard toen dat hem van achteren dreigde te doorboren. Weer een verbaasde blik van Slachter. De man ontblootte zijn tanden, ging achteruit en hield een behoedzaam oog gericht op de twee overgebleven wolven, Springer en Tomeloos. Slachters onderarm bloedde van de beet van Springer. ‘Hoe wordt die koepel gemaakt, Luc?’ vroeg Perijn. ‘Laat het me zien en vertrek. Ik zal je laten gaan.’
‘Grote woorden, welp,’ grauwde Slachter terug, ‘voor iemand die me net een lid van zijn roedel heeft zien afmaken.’ Tomeloos jankte van woede en sprong naar voren. Perijn viel tegelijkertijd aan, maar de grond onder hun voeten beefde en schudde. Nee, dacht Perijn. Hij kreeg weer vaste grond onder de voeten. Tomeloos kwam echter ten val.
Slachter dook naar voren. Perijn tilde zijn hamer op om hem te blokkeren, maar Slachters wapen veranderde in rook, ging er dwars doorheen en werd aan de andere kant weer massief. Met een kreet wilde Perijn achteruitstappen, maar het lemmet harkte over zijn borst, sneed door zijn hemd en bezorgde hem een snee van de ene arm naar de andere. Hij voelde een gloeiende pijn.