Выбрать главу

Perijn hijgde en struikelde naar achteren. Slachter bleef naar voren komen, maar toen dreunde iets van boven af tegen hem aan. Springer. Weer duwde de grijze wolf Slachter tegen de grond, grommend en met fonkelende tanden.

Slachter vloekte en schopte de wolf van zich af. Springer vloog jankend van pijn door de lucht en belandde ongeveer twintig voet verderop. Aan de zijkant had Tomeloos het voor elkaar gekregen de aarde te laten ophouden met beven, maar hij had zijn poot verwond. Perijn schudde zijn pijn van zich af. Slachter had een sterke beheersing over deze wereld. Perijns hamer voelde traag als hij ermee uithaalde, alsof de lucht hier dichter was.

Slachter had gelachen toen hij Eikendanser doodde. Perijn kwam woedend naar voren. Slachter stond alweer overeind en liep achteruit de helling af naar de bomen. Perijn achtervolgde hem en negeerde zijn wond. Het was niet ernstig genoeg om hem tegen te houden, hoewel hij zich wel een verband over de wond inbeeldde, zijn kleding herstelde en strak over zijn borst spande om het bloeden te stelpen.

Hij kwam vlak achter Slachter tussen de bomen aan. De takken sloten zich boven zijn hoofd en lianen kronkelden tevoorschijn uit de donkere schaduwen. Perijn deed geen moeite om ze van zich af te slaan. Lianen bewogen zich niet zo. Ze konden hem niet aanraken. En zodra ze dichterbij kwamen, verwelkten ze en vielen stil. Slachter vloekte en begon zich toen met grote passen razendsnel te verplaatsen. Perijn volgde en voerde zijn snelheid ook op. Perijn nam niet bewust het besluit om zich op vier poten te laten zakken, maar in een oogwenk had hij dat gedaan en joeg hij achter Slachter aan zoals achter de witte hertenbok.

Slachter was snel, maar hij was slechts een man. Jonge Stier maakte deel uit van het land zelf, de bomen, de struiken, de stenen, de rivieren. Hij bewoog zich door het bos als een bries door een laagte en hield Slachter bij, haalde hem in. Elke boomstam op Slachters pad was een obstakel, maar voor Jonge Stier was het gewoon een onderdeel van het pad.

Jonge Stier maakte zijdelingse sprongen, zette zijn poten tegen de boomstammen om zich af te zetten als hij een bocht maakte. Hij zweefde over stenen en rotsen, sprong van de een op de ander, zo snel dat hij een waas in de lucht achterliet.

Slachter rook nu voor het eerst angstig. Hij verdween, maar Jonge Stier volgde, verschijnend op het veld waar het leger kampeerde, in de schaduw van het grote stenen zwaard. Slachter keek achterom, vloekte en verdween weer.

Jonge Stier volgde. De plek waar de Witmantels hun kamp hadden.

Een kleine hoogvlakte.

Een grot in een heuvel.

Het midden van een klein meer. Jonge Stier rende met gemak over het wateroppervlak.

Overal waar Slachter ging, daar volgde hij, steeds dichter op zijn hielen. Er was geen tijd voor zwaarden, hamers of bogen. Dit was een jacht, en deze keer was Jonge Stier de jager. Hij... Hij sprong midden op een weiland, en Slachter was er niet. Hij kon echter ruiken waar de man naartoe was gegaan. Hij volgde en verscheen op een andere plek in hetzelfde weiland. Overal om hem heen rook hij de geuren van andere plekken. Wat nu? Perijn kwam tot stilstand, met zijn laarzen knarsend op de grond. Hij draaide onthutst rond. Slachter moest snel door verschillende plekken op dezelfde wei zijn gesprongen om zijn spoor in de war te gooien. Perijn probeerde te achterhalen welk spoor hij moest volgen, maar ze vervaagden en mengden zich allemaal met elkaar. ‘Die smeerlap!’ riep hij.

Jonge Stier, hoorde hij in gedachten. Vonken. De wolf was gewond geraakt, maar hij was niet gevlucht, zoals Perijn had aangenomen. Hij stuurde een beeld door van een dunne zilveren staaf, twee handbreedten lang, die opstak uit de grond te midden van een bosje hondsvarens.

Perijn glimlachte en stuurde zichzelf erheen. De gewonde wolf, die nog altijd bloedde, lag naast het voorwerp. Het was overduidelijk een of andere ter’angreaal. Hij leek te bestaan uit vele tientallen fijne, draadachtige stukjes metaal, ineengedraaid als een vlecht. Hij was ongeveer twee handbreedten lang en met de punt in de zachte aarde gedreven.

Perijn trok het ding uit de grond. De koepel verdween niet. Hij draaide de spits om in zijn handen, maar hij wist niet hoe hij de koepel kon laten verdwijnen. Hij probeerde de spits in een tak te laten veranderen en was geschokt te ontdekken dat het niet lukte. Het voorwerp leek zijn wilskracht wég te duwen.

Het is hier in zijn eigen werkelijkheid, zei Vonken. In die gedachte probeerde hij over te brengen dat het voorwerp op de een of andere manier echter was dan de meeste andere dingen in de droomwereld.

Perijn had geen tijd om zich erover te verwonderen. Zijn eerste prioriteit was het verplaatsen van de koepel, als dat kon, weg van de plek waar zijn mensen kampeerden. Hij stuurde zichzelf naar de plaats waar hij de koepel was binnengekomen. Zoals hij had gehoopt, verplaatste het midden van de koepel zich met hem mee. Hij was op de plek waar hij was binnengekomen, maar de rand van de koepel was van plek veranderd en het midden bevond zich nu boven de plek waar Perijn stond. De koepel vulde nog altijd de hemel, strekte zich ver naar alle kanten uit. Jonge Stier, meldde Vonken. Ik ben vrij. Dat verkeerde is er niet meer.

Ga, zei Perijn. Ik neem dat ding mee en laat het verdwijnen. Ga allemaal een andere kant op en laat van je horen. Breng Slachter in verwarring.

De wolven gehoorzaamden. Een deel van Perijn, de jager in hem, was gefrustreerd dat hij Slachter niet rechtstreeks had kunnen verslaan. Maar dit was belangrijker.

Hij probeerde zich naar een verre plek te verplaatsen, maar dat lukte niet. Het leek erop dat hij zelfs met de ter’angreaal in zijn hand nog altijd gebonden was aan de regels van de koepel. Dus verplaatste hij zich maar zo ver als hij kon. Neald had gezegd dat het ongeveer vier roeden was van hun kamp naar de grens, dus verplaatste Perijn zich over die afstand naar het noorden, en toen deed hij dat nog eens, en nog eens. De reusachtige koepel ging met hem mee, het midden ervan steeds recht boven zijn hoofd. Hij zou de spits naar een veilige plek brengen, ergens waar Slachter hem niet kon vinden.

36

Een uitnodiging

Egwene verscheen in Tel’aran’rhiod in een geheel wit gewaad met gouddraad langs de zomen en in het borduurwerk. Er waren kleine stukjes obsidiaan – gepolijst maar ongevormd – in het goud langs de rand van het lijfje genaaid. Een verschrikkelijk onpraktisch kledingstuk, maar dat maakte hier niet uit. Ze was in haar eigen vertrekken, waar ze had willen uitkomen. Daarna stuurde ze zichzelf naar de gang bij de kwartieren van de Gele Ajah. Nynaeve was daar, met over elkaar geslagen armen, en ze droeg een gewaad in verschillende tinten bruin dat veel praktischer was. ‘Ik wil dat je heel voorzichtig bent,’ zei Egwene. ‘Jij bent de enige hier die rechtstreeks met een Verzaker te maken heeft gehad, en je hebt ook meer ervaring met Tel’aran’rhiod dan de anderen. Als Mesaana komt, moet jij de aanval leiden.’

‘Ik denk dat ik dat wel red,’ zei Nynaeve, en haar mondhoeken kwamen omhoog. Ja, ze kon het wel aan. Nynaeve verbieden aan te vallen, dat zou de lastigste taak zijn geweest.

Egwene knikte, en Nynaeve verdween. Ze zou zich verborgen houden in de buurt van de Zaal van de Toren, uitkijkend naar Mesaana of Zwarte zusters die kwamen verspieden bij de lokvergadering die daar werd gehouden. Egwene stuurde zichzelf naar een andere plek in de stad, een zaal waar de werkelijke vergadering tussen haar, de Wijzen en de Windvindsters zou plaatsvinden. In Tar Valon waren meerdere zalen voor muziekopvoeringen of bijeenkomsten. Deze, die de Muzikantenweg werd genoemd, was goed geschikt voor haar doel. Hij was zorgvuldig versierd met panelen, uitgesneden in de vorm van lederbladbomen zodat het net leek alsof er een heel bos langs de muren stond. De stoelen waren van bijpassend hout, in vorm gezongen door Ogier, stuk voor stuk schitterende stukken. Ze stonden in een kring opgesteld, naar een middenpodium gedraaid. De koepelzoldering was ingelegd met marmer in de vorm van sterren. De versieringen waren opmerkelijk; mooi, maar zonder opzichtig te zijn.