De Wijzen waren al aangekomen: Amys, Bair en Melaine, die hoogzwanger was. Dit amfitheater had een verhoogd platform langs de zijkant, waardoor de Wijzen op hun gemak op de vloer konden zitten en degenen op stoelen niet op hen neer zouden kijken. Leane, Yukiri en Seaine zaten in stoelen tegenover de Wijzen, elk met een door Elayne nagemaakte droom-ter’angreaal, en ze zagen er schimmig en onstoffelijk uit. Elayne had er ook moeten zijn, maar ze had al gezegd dat ze mogelijk moeite zou hebben om voldoende te kunnen geleiden om Tel’aran’rhiod binnen te komen. De Aes Sedai en Wijzen bekeken elkaar met een bijna voelbare vijandschap. De Aes Sedai beschouwden de Wijzen als slecht opgeleide wilders; de Wijzen op hun beurt vonden de Aes Sedai een zelfingenomen stel.
Toen Egwene aankwam, verscheen er helemaal in het midden van de zaal een groep vrouwen met een donkere huid en zwart haar. De Windvindsters keken argwanend om zich heen. Siuan had door haar onderricht aan hen geleerd dat het Zeevolk legenden had over Tel’aran’rhiod en de gevaren daar. Dat had de Windvindsters er echter niet van weerhouden zo veel mogelijk te leren over de Wereld der Dromen, zodra ze ontdekten dat hij echt bestond. Aan het hoofd van de Windvindsters stond een lange, slanke vrouw met kleine ogen en een lange hals, en er hingen talloze penningen aan het fijne kettinkje tussen haar neus en haar linkeroor. Dat moest Shielyn zijn, een van de vrouwen over wie Nynaeve Egwene had verteld. Een van de drie andere Windvindsters was een statige vrouw met grijze vleugen in haar zwarte haar. Dat moest Renaile zijn, volgens de brieven die ze hadden gestuurd en Nynaeves onderricht. Egwene had verwacht dat zij de hoogste onder hen zou zijn, maar ze leek beneden de anderen te staan. Was ze haar plek als Windvindster kwijtgeraakt aan de Vrouwe der Schepen? ‘Welkom,’ zei Egwene tegen hen. ‘Neem toch plaats.’
‘We blijven staan,’ antwoordde Shielyn. Haar stem klonk gespannen.
‘Wie zijn dit, Egwene Alveren?’ vroeg Amys. ‘Kinderen horen niet in Tel’aran’rhiod. Het is geen verlaten zanddassenhol dat je rustig kunt verkennen.’
‘Kinderen?’ vroeg Shielyn.
‘Jullie zijn hier kinderen, natlander.’
‘Amys, alsjeblieft,’ mengde Egwene zich erin. ‘Ik heb hun ter’angrealen geleend om hier te komen. Het was nodig.’
‘We hadden elkaar ook buiten de Wereld der Dromen kunnen ontmoeten,’ zei Bair. ‘Het midden van een slagveld was misschien veiliger geweest.’
Het bleek inderdaad dat de Windvindsters zeer onvertrouwd waren met Tel’aran’rhiod. Hun felle kledingstukken veranderden af en toe van kleur; terwijl Egwene toekeek, verdween Renailes hemd zelfs helemaal. Egwene bloosde, hoewel Elayne had gezegd dat mannen en vrouwen van het Zeevolk op zee altijd met ontblote borst werkten. Het hemd verscheen even later weer. Hun sieraden waren ook bijna doorlopend in beweging.
‘Er zijn redenen waarom ik dit doe, Amys,’ zei Egwene, die naar voren beende en ging zitten. ‘Shielyn din Sabura Nachtwater en haar zusters zijn op de hoogte van de gevaren van deze plek en hebben verantwoording genomen voor hun eigen veiligheid.’
‘Net of je een fakkel en een vat olie aan een kind geeft,’ mompelde Melaine, ‘en dan zegt dat je hém de verantwoording geeft voor zijn eigen veiligheid.’
‘Moeten we dat gekibbel aanhoren, Moeder?’ vroeg Yukiri. Egwene kalmeerde zichzelf door diep in te ademen. ‘Alsjeblieft, jullie zijn leiders van jullie volkeren, vrouwen met de naam zeer wijs en scherpzinnig te zijn. Kunnen we niet op zijn minst beschaafd tegen elkaar doen?’ Egwene wendde zich tot het Zeevolk. ‘Windvindster Shielyn, jij hebt mijn uitnodiging aangenomen. Je wilt toch nu mijn gastvrijheid niet afslaan door tijdens de hele bespreking te blijven staan?’
De vrouw aarzelde. Ze had een trotse uitstraling; de recente omgang tussen de Aes Sedai en het Zeevolk had haar stoutmoediger gemaakt. Egwene verdrong een steek van woede. Ze was niet blij met de bijzonderheden van de overeenkomst betreffende de Schaal der Winden. Nynaeve en Elayne hadden beter moeten weten. Ze... Nee. Elayne en Nynaeve hadden hun best gedaan en hadden onder ongebruikelijk veel druk gestaan. Bovendien zeiden ze dat onderhandelen met het Zeevolk slechts één stap veiliger was dan onderhandelen met de Duistere zelf.
Shielyn knikte uiteindelijk kort, hoewel haar hemd meerdere keren van kleur veranderde terwijl ze nadacht en het uiteindelijk rood werd, en haar sieraden maar bleven verdwijnen en weer verschijnen. ‘Goed dan. We staan bij je in het krijt voor het geschenk van deze plek en aanvaarden je gastvrijheid.’ Ze ging op een stoel zitten die bij die van Egwene en de andere Aes Sedai verwijderd stond, en de andere vrouwen volgden haar voorbeeld.
Egwene slaakte een gedempte zucht van verlichting en riep meerdere tafeltjes op met kommen warme, geurende thee. De Windvindsters schrokken daarvan, maar de Wijzen vertrokken geen spier. Amys reikte echter wel naar haar kom en veranderde de rozenbottelthee in iets met een veel donkerdere kleur.
‘Misschien wil je ons nu het doel van deze bijeenkomst vertellen,’ zei Bair, nippend van haar thee.’ Het Zeevolk liet de thee onaangeroerd, hoewel de Aes Sedai er wel van dronken.
‘Wij hebben het al geraden,’ zei Shielyn. ‘Deze confrontatie is onvermijdelijk, hoewel ik bij de winden zou wensen dat het niet zo was.’
‘Nou, zeg op dan,’ snauwde Yukiri. ‘Waar gaat dit over?’ Shielyn keek Egwene aan. ‘Al vele seizoenen en getijden lang verbergen wij de aard van onze kunst van het Windvinden voor de Aes Sedai. De Witte Toren inhaleert, maar blaast niet uit; dat wat er binnen wordt gebracht, mag nooit meer weg. Nu jullie van ons op de hoogte zijn, willen jullie ons hebben, want jullie kunnen de gedachte niet verdragen dat er geleidsters zijn die jullie niet in de hand hebben.’
De Aes Sedai fronsten. Egwene zag Melaine instemmend knikken. Die uitspraken waren de waarheid, hoewel dit slechts één kant van de zaak was. Als ze hadden geweten hoe nuttig een opleiding in de Witte Toren kon zijn, en hoe belangrijk het was dat mensen wisten dat alle geleidsters werden begeleid en onderwezen... Maar die gedachten voelden hol aan. Het Zeevolk had haar eigen gebruiken en maakte uitstekend gebruik van hun geleidsters zonder zich aan de richtlijnen van de Witte Toren te houden. Egwene had niet zoveel tijd bij het Zeevolk doorgebracht als Nynaeve of Elayne, hoewel ze er uitgebreide verslagen over had gelezen. De Windvindsters kenden vele wevingen niet, maar hun vermogen met specifieke wevingen – vooral die met Lucht – waren veel verder ontwikkeld dan die de Aes Sedai gebruikten.
Deze vrouwen verdienden de waarheid. Was dat niet waar de Witte Toren en de Drie Geloften voor stonden? ‘Je hebt gelijk, Shielyn din Sabura Nachtwater,’ zei Egwene. ‘En misschien was het wel verstandig van jullie om je vaardigheden verborgen te houden voor de Aes Sedai.’
Yukiri zoog haar adem naar binnen in een behoorlijk ongepaste reactie voor een Aes Sedai. Shielyn verstijfde, en het kettinkje tussen haar neus en haar oor tinkelde zachtjes toen de penningen eraan tegen elkaar botsten. Haar hemd werd blauw. ‘Wat?’
‘Het was misschien wel verstandig,’ herhaalde Egwene. ‘Ik wil me niet aanmatigen te twijfelen aan de Amyrlins die me zijn voorgegaan, maar er is iets voor te zeggen. Misschien zijn we te ijverig geweest in het beheersen van vrouwen die de Ene Kracht kunnen hanteren. Het is duidelijk dat de Windvindsters zichzelf goed hebben opgeleid. Ik denk dat de Witte Toren veel van jullie zou kunnen leren.’ Shielyn ging achteroverzitten en keek Egwene onderzoekend aan. Egwene ontmoette de blik van de vrouw en hield haar gezicht rustig. Zie dat ik onwrikbaar ben, dacht ze. Zie dat ik meen wat ik zeg. Dat het geen gevlei is. Ik ben een Aes Sedai. Ik spreek altijd de waarheid. ‘Nou,’ zei Shielyn, ‘misschien kunnen we een overeenkomst sluiten waarin wij jullie vrouwen opleiden.’