Выбрать главу

Egwene glimlachte. ‘Ik hoopte al dat je daar de voordelen van zou inzien.’ De drie andere Aes Sedai aan de zijkant keken Egwene met afgemeten vijandigheid aan. Nou, ze zouden het wel zien. De beste manier om de bovenhand te krijgen, was door verwachtingen door elkaar te schudden als schorswaterkevers in een pot. ‘En toch,’ zei Egwene, ‘erkennen jullie dat de Witte Toren kennis heeft die jullie niet hebben. Anders zouden jullie niet hebben aangedrongen op een overeenkomst om onze vrouwen jullie Windvindsters te laten onderwijzen.’

‘Die overeenkomst trekken we niet in,’ zei Shielyn snel. Haar hemd werd lichtgeel.

‘O, dat verwacht ik ook helemaal niet,’ antwoordde Egwene. ‘Het is goed dat jullie nu onderwijzeressen van de Aes Sedai hebben. Degenen die met jullie onderhandelden, hebben iets onverwachts bereikt.’ Dat waren allemaal ware woorden. Maar de toon waarop ze die zei, wees op meer: dat Egwene had gewild dat de Aes Sedai naar de schepen van het Zeevolk werden gestuurd. Shielyns frons werd dieper en ze zakte naar achteren in haar stoel. Egwene hoopte dat ze overpeinsde of de grootse overwinning van haar volk met betrekking tot de Schaal der Winden van het begin af aan doorgestoken kaart was geweest.

‘Ik vind zelfs,’ vervolgde Egwene, ‘dat de vorige overeenkomst niet uitgebreid genoeg was.’ Ze wendde zich tot de Wijzen. ‘Amys, ben je het ermee eens dat de Aes Sedai kennis over wevingen hebben die de Wijzen ontberen?’

‘Het zou dom zijn om de deskundigheid van de Aes Sedai op die gebieden te ontkennen,’ zei Amys behoedzaam. ‘Ze oefenen veel met hun wevingen. Maar wij weten dingen die zij niet weten.’

‘Ja,’ zei Egwene. ‘In de tijd dat ik werd onderwezen door de Wijzen, heb ik meer over leiderschap geleerd dan tijdens mijn verblijf in de Witte Toren. Jullie hebben me ook zeer goed onderwezen over Tel’aran’rhiod en Dromen.’

‘Goed,’ zei Bair, ‘zeg het maar. We jagen nu al de hele tijd achter een hagedis met drie poten aan, porren ertegen met een stok om te zien of hij nog verder zal lopen.’

‘We moeten onze kennis met elkaar delen,’ antwoordde Egwene. ‘Wij drie groepen – vrouwen die kunnen geleiden – moeten een bondgenootschap sluiten.’

‘Met de Witte Toren aan het hoofd, zeker,’ zei Shielyn. ‘Ik zeg alleen maar,’ vervolgde Egwene, ‘dat het verstandig is om te delen met en leren van anderen. Wijzen, ik zou Aanvaarden uit de Witte Toren naar jullie toe willen sturen om te worden opgeleid. Het zou vooral nuttig zijn als ze leerden om Tel’aran’rhiod te beheersen.’ Het was onwaarschijnlijk dat er nog een Droomster, zoals Egwene, zou worden ontdekt onder de Aes Sedai, hoewel ze daar wel op hoopte. Het Talent was erg zeldzaam. Toch zou het van voordeel zijn om enkele zusters te laten onderwijzen over Tel’aran’rhiod, ook al moesten ze er dan binnenkomen met een ter’angreaal. ‘Windvindsters,’ vervolgde Egwene. ‘Ik zou ook vrouwen naar jullie toe willen sturen, vooral zij die vaardig zijn met Lucht, om te leren de wind te roepen, zoals jullie doen.’

‘Het leven van een leerling-Windvindster is niet gemakkelijk,’ waarschuwde Shielyn. ‘Ik denk dat je vrouwen het een groot verschil zouden vinden met het zachte leven in de Witte Toren.’ Egwenes achterwerk herinnerde zich nog de pijn van haar ‘zachte’ leven in de Witte Toren. ‘Ik twijfel er niet aan dat het uitdagend zal zijn,’ zei ze, ‘maar ik betwijfel om diezelfde reden ook niet dat het erg nuttig zou zijn.’

‘Nou, ik denk dat dit wel geregeld kan worden,’ antwoordde Shielyn, die zich naar voren boog en gretig klonk. ‘Er zou wel voor moeten worden betaald, uiteraard.’

‘Ken gelijke betaling,’ zei Egwene, ‘door jullie enkele leerlingen naar de Witte Toren te laten sturen om bij ons te worden opgeleid.’

‘Wc hebben al vrouwen gestuurd.’

Egwene snoof. ‘Kleine offers, zodat we geen verdenkingen zouden koesteren over jullie Windvindsters. Jullie vrouwen zonderen zich vaak af of komen met tegenzin. Ik wil dat dat ophoudt; er is geen reden om je volk mogelijke toekomstige Windvindsters te ontzeggen.’

‘Wat zou er dan anders aan zijn?’ vroeg Shielyn. ‘De vrouwen die jullie sturen, mogen na hun opleiding naar huis terugkeren,’ zei Egwene. ‘Wijzen, ik wil ook graag dat jullie leerling-Aiel naar ons toe komen. Niet met tegenzin, en niet om Aes Sedai te worden, maar om te worden onderwezen en onze gebruiken te leren kennen. Ook zij mogen na hun opleiding terug naar huis, als ze dat wensen.’

‘Het zou meer moeten zijn,’ zei Amys. ‘Ik ben bang dat onze vrouwen anders te veel wennen aan jullie zachte natlandergebruiken.’

‘Je wilt ze toch niet dwingen...’ begon Egwene. Bair viel haar in de rede. ‘Het blijven leerling-Wijzen, Egwene Alveren. Kinderen die hun opleiding dienen te voltooien. En dat is gesteld dat we meegaan in dit voornemen; iets eraan maakt mijn maag van streek, zoals te veel eten na een dag van vasten.’

‘Als we de Aes Sedai hun klauwen in onze leerlingen laten slaan,’ vond Melaine, ‘trekken we hen daar niet snel meer uit los.’

‘Wil je dat dan?’ vroeg Egwene. ‘Zie je wat je in mij hebt, Melaine? Een Amyrlin Zetel die is opgeleid door de Aiel? Wat zou het je volk waard zijn om meer mensen zoals ik te hebben? Aes Sedai die ji’e’toh en het Drievoudige Land begrijpen, die eerbied hebben voor Wijzen in plaats van hen te beschouwen als tegenstrevers of wilders?’ Daarop gingen de drie Aiel achteruitzitten en keken elkaar verontrust aan.

‘En jij, Shielyn?’ vroeg Egwene. ‘Wat zou het jouw volk waard zijn om een Amyrlin Zetel te hebben die, aangezien ze bij jullie is opgeleid, jullie beschouwt als vrienden en eerbied heeft voor jullie gebruiken?’

‘Dat zou waardevol kunnen zijn,’ gaf Shielyn toe. ‘Aangenomen dat de vrouwen die je ons stuurt meer ruggengraat hebben dan die we tot nu hebben gezien. Ik heb nog geen enkele Aes Sedai ontmoet die geen baat zou hebben bij een paar dagen aan de hoge mast hangen.’

‘Dat komt doordat jullie erop stonden dat we volle Aes Sedai stuurden,’ zei Egwene, ‘die hun eigen gebruiken gewend zijn. We kunnen jullie in plaats daarvan beter Aanvaarden sturen, die veel plooibaarder zijn.’

‘In plaats daarvan?’ zei Shielyn meteen. ‘Dit is niet de overeenkomst waar we het over hadden.’

‘Dat zou het wel kunnen zijn,’ antwoordde Egwene. ‘Als we geleiders van het Zeevolk naar jullie laten terugkeren in plaats van te eisen dat ze in de Toren blijven, hebben jullie niet meer zo’n grote behoefte aan onderwijzeressen van de Aes Sedai.’

‘Dit moet een andere overeenkomst worden.’ Shielyn schudde haar hoofd. ‘En het wordt geen gemakkelijke. Aes Sedai zijn serpenten, net als de ringen die jullie dragen.’

‘Stel dat ik aanbied om je de droom-ter’angrealen te schenken die jullie te leen hebben?’ vroeg Egwene.

Shielyn keek naar haar hand, waarmee ze in de echte wereld een bordje vasthield dat – met geleiding van een beetje Geest – een vrouw de mogelijkheid gaf Tel’aran’rhiod binnen te gaan. Egwene had hun niet de ter’angrealen gegeven waarmee je er kon komen zonder te geleiden, natuurlijk. Die waren veelzijdiger, en dus krachtiger. Die kon ze beter geheimhouden.

‘In Tel’aran’rhiod,’ zei Egwene, die zich naar voren boog, ‘kunnen jullie overal naartoe. Jullie kunnen mensen ver weg ontmoeten zonder daarheen te hoeven Reizen, ontdekken wat verborgen is, en in het geheim overleggen.’

‘Je stelt iets heel gevaarlijks voor, Egwene Alveren,’ zei Amys streng. ‘Hun die vrijheid geven is net als wanneer je een groep natlander-kinderen los laat lopen in het Drievoudige Land.’

‘Je kunt deze plek niet voor jezelf houden, Amys,’ zei Egwene. ‘Zo egoïstisch zijn we niet,’ antwoordde de Wijze. ‘Ik heb het over hun veiligheid.’

‘Misschien,’ zei Egwene, ‘is het dan beter als het Zeevolk enkele van hun leerlingen naar jullie toe stuurt om opgeleid te worden door de Wijzen, en kunnen jullie er dan een aantal naar hen toe sturen.’