Opzij stappen. Hij bewonderde mannen zoals Sleet om hun bereidheid dat te doen, maar hij had hen nooit begrepen. Niet echt. Ik kan het haar niet allemaal alleen laten doen, dacht hij. Ik moet haar helpen. Vanuit haar schaduw.
Omdat hij van haar hield. Maar ook omdat het beter was. Als twee barden tegelijkertijd verschillende liederen speelden, maakten ze allebei lawaai. Maar als een van hen een stapje terug deed en alleen nog harmonie verleende aan de melodie van de ander, dan zou het lied mooier klinken dan van de twee afzonderlijk. En op dat ogenblik begreep hij het, eindelijk. Hij stond op. Hij kon niet als prins naar Egwene toe gaan. Hij moest naar haar toe gaan als een Zwaardhand. Hij moest over haar waken, haar dienen. Zorgen dat haar wensen werden uitgevoerd. Het werd tijd om terug te keren.
Hij zwaaide zijn jas over zijn schouder en beende over het pad naar het paleis. De openingsserenades van verschillende kikkers in de vijver werden afgebroken – en gevolgd door geplons – terwijl hij erlangs liep en het gebouw binnenging. Het was niet ver naar de vertrekken van zijn zus. Ze zou nog wel wakker zijn; ze sliep de laatste tijd slecht. De afgelopen paar dagen hadden ze vaak samen gepraat en voor het slapengaan nog een kom warme thee gedronken. Bij haar deur werd hij echter tegengehouden door Birgitte. Ze keek hem maar weer eens woest aan. Nee, ze vond het echt niet prettig om in zijn plaats gedwongen te zijn op te treden als kapitein-generaal. Hij zag dat nu in. En hij voelde zich wat onbehaaglijk toen hij naar haar toe stapte. De vrouw stak haar hand op. ‘Niet vanavond, prinsje.’
‘Ik ga naar de Witte Toren,’ zei hij. ‘Ik wil graag afscheid nemen.’ Hij wilde naar voren stappen, maar Birgitte legde haar hand tegen zijn borst en duwde hem zachtjes achteruit. ‘Je kunt morgenochtend ook vertrekken.’
Hij reikte bijna naar zijn zwaard, maar weerhield zich daarvan. Licht! Er was een tijd geweest dat hij niet zo overdreven op allés reageerde. Hij was echt een dwaas geworden. ‘Vraag of ze me wil ontvangen,’ zei hij beleefd. ‘Alsjeblieft.’
‘Ik heb mijn bevelen,’ antwoordde Birgitte. ‘Bovendien kan ze je niet ontvangen. Ze slaapt.’
‘Ze wil vast wel dat je haar wekt.’
‘Het is niet zo’n soort slaap,’ zei Birgitte. Ze zuchtte. ‘Het heeft met zaken van de Aes Sedai te maken. Ga naar bed. Morgenochtend heeft je zus waarschijnlijk wel nieuws van Egwene voor je.’ Gawein fronste zijn voorhoofd. Hoe moest...
De dromen, besefte hij. Daar hadden de Aes Sedai het over gehad, dat Egwene hun onderwees om in hun dromen te lopen. ‘Dus Egwene slaapt ook?’
Birgitte keek hem aan. ‘Bloedas, ik heb waarschijnlijk al te veel gezegd. Ga naar je vertrekken.’
Gawein liep weg, maar niet naar zijn vertrekken. Hij zal wachten op een zwak ogenblik, had de sul’dam gezegd. En als hij toeslaat, zal hij zoveel vernietiging zaaien, u zult niet geloven dat het door één man is aangericht... Een zwak ogenblik.
Hij rende weg bij Elaynes kamers en holde door de gangen van het paleis naar de Reiskamer die Elayne had laten inrichten. Gelukkig had daar een Kinsvrouw dienst; ze zat met dikke ogen te wachten voor het geval er spoedboodschappen moesten worden verstuurd. Gawein herkende de donkerharige vrouw niet, maar zij scheen hem wel te herkennen.
Ze geeuwde en opende op zijn verzoek een Poort. Hij rende erdoor en kwam uit op het Reisterrein bij de Witte Toren. De Poort verdween pal achter hem. Gawein schrok en draaide zich vloekend om. Hij was er bijna tussen gekomen! Waarom had die Kinsvrouw hem zo ineens laten verdwijnen, zo gevaarlijk? Een halve tel eerder en hij was een voet kwijt geweest, of erger. Er was geen tijd. Hij draaide zich om en rende verder.
Egwene, Leane en de Wijzen verschenen in een kamer onder in de Toren, waar een groep ongeruste vrouwen stond te wachten. Dit was een wachtpost die Egwene had aangewezen als uitwijkplek. ‘Verslag!’ beval Egwene.
‘Shevan en Carlinya zijn dood, Moeder,’ zei Saerin grimmig. De kortaangebonden Bruine zuster hijgde.
Egwene slaakte een verwensing. ‘Wat is er gebeurd?’
‘We waren druk bezig met onze misleiding, zogenaamd in gesprek over oplossingen om vrede te brengen in Arad Doman, zoals u had bevolen. En toen...’
‘Vuur,’ vulde Morvrin huiverend aan. ‘Het kwam door de muren heen. Vrouwen die geleidden, meerdere met onvoorstelbare Kracht. Ik zag Alviarin erbij. En nog anderen.’
‘Nynaeve is nog boven,’ voegde Brendas eraan toe. ‘Koppig wicht,’ zei Egwene, kijkend naar de drie Wijzen. Ze knikten. ‘Stuur Brendas naar buiten,’ beval ze, wijzend naar de Witte zuster met de koele ogen. ‘Als je wakker bent, ga dan de anderen die hier zijn wekken, zodat ze buiten gevaar zijn. Laat Nynaeve, Siuan, Leane en mij slapen.’
‘Ja, Moeder,’ antwoordde Brendas. Amys deed iets waardoor haar gestalte vervaagde. ‘En jullie,’ zei Egwene, ‘ga naar een veilige plek. Weg van de stad.’
‘Goed, Moeder,’ zei Saerin. Maar ze bleef staan.
‘Wat is er?’ vroeg Egwene.
‘Ik...’ Saerin fronste haar voorhoofd. ‘Ik kan niet weg. Er klopt iets niet.’
‘Onzin,’ snauwde Bair. ‘Het...’
‘Bair,’ zei Amys. ‘Ik kan ook niet weg. Er is iets heel erg mis.’
‘De hemel is paarsachtig,’ meldde Yukiri, kijkend uit het smalle venster. ‘Licht! Het lijkt wel een koepel over de Toren en de stad heen. Wanneer is dat gebeurd?’
‘Er is hier iets heel erg mis,’ herhaalde Bair. ‘We moeten wakker worden.’
Amys verdween plotseling, waardoor Egwene schrok. De vrouw verscheen even later weer. ‘Ik kon naar de plek gaan waar we eerder waren, maar ik kan de stad niet verlaten. Dit bevalt me niet, Egwene Alveren.’
Egwene probeerde zichzelf naar Cairhien te verplaatsen. Het lukte niet. Ze keek ongerust maar vastberaden uit het raam. Ja, er hing een paarsige hemel boven hen. ‘Word maar wakker als het moet,’ zei ze tegen de Wijzen. ‘Ik blijf vechten. Er is hier een Schaduwziel.’ De Wijzen zwegen even. ‘Wij gaan mee,’ zei Melaine uiteindelijk. ‘Mooi zo. Alle anderen, wegwezen hier. Ga naar de Muzikantenweg en blijf daar totdat jullie worden gewekt. Melaine, Amys, Bair, Leane, wij gaan naar een plek hoger in de Toren, een kamer met houten wandpanelen en een hemelbed met gazen gordijnen eromheen. Mijn slaapkamer.’
De Wijzen knikten, en Egwene stuurde zichzelf daarheen. Er stond een lamp op haar nachtkastje; die brandde niet hier in Tel’aran’rhiod, hoewel ze hem in de echte wereld wel aan had gelaten. De Wijzen en Leane verschenen om haar heen. De gordijnen rondom Egwenes bed ruisten in de wind van hun verschijnen. De Toren beefde. De gevechten hielden aan.
‘Wees voorzichtig,’ zei Egwene. ‘We jagen op gevaarlijke vijanden, en zij kennen deze omgeving beter dan jullie.’
‘We zullen oppassen,’ antwoordde Bair. ‘Ik heb gehoord dat de Schaduwzielen denken dat ze meesters zijn van deze plek. Nou, dat zullen we nog wel eens zien.’
‘Leane,’ zei Egwene, ‘kun jij je redden?’ Egwene had overwogen haar weg te sturen, maar zij en Siuan hadden enige tijd in Tel’aran’rhiod doorgebracht. Ze had meer ervaring dan de meeste anderen. ‘Ik zal me gedekt houden, Moeder,’ beloofde ze. ‘Maar zij zijn ongetwijfeld met meer mensen dan wij. U hebt me nodig.’
‘Goed,’ zei Egwene.
De vier vrouwen verdwenen. Waarom konden ze de Toren niet uit? Het was verontrustend, maar ook nuttig. Het betekende dat ze hier vastzaten.
Maar hopelijk gold dat ook voor Mesaana.
Vijf duiven stoven op van de rand van het dak. Perijn draaide zich met een ruk om. Slachter stond achter hem, en hij verspreidde een geur als van steen.
De man keek met harde ogen naar de vluchtende vogels. ‘Van jou?’
‘Als waarschuwing,’ antwoordde Perijn. ‘Ik vermoedde dat je wal-notendoppen op de grond zou doorzien.’
‘Slim,’ zei Slachter.
Achter hem spreidde zich een schitterende stad uit. Perijn had niet gedacht dat er nog andere steden zo prachtig konden zijn als Caemlin. Maar als zoiets al bestond, dan was het Tar Valon. De hele stad was een kunstwerk, bijna elk gebouw voorzien van booggangen, spitsen, gravures en versierselen. Zelfs de keien leken kunstzinnig gerangschikt.