Выбрать главу

Slachters ogen schoten naar Perijns riem. Daar, in een buidel die Perijn ervoor had gemaakt, zat de ter’angreaal. De punt stak er bovenuit, bestaande uit zilverachtige stukjes die in een ingewikkelde vlecht om elkaar heen gedraaid zaten. Perijn had nog eens geprobeerd het ding te vernietigen door zich dat in te beelden, maar het was niet gelukt. Toen hij erop had aangevallen met zijn hamer, had hij er nog geen deuk in geslagen. Wat dat ding ook was, het was erop berekend dergelijke aanvallen te weerstaan.

‘Je bent goed geworden,’ zei Slachter. ‘Ik had je maanden geleden al moeten doden.’

‘Volgens mij heb je dat ook geprobeerd,’ antwoordde Perijn. Hij tilde zijn hamer op en legde die op zijn schouder. ‘Wie ben je eigenlijk echt?’

‘Een man van twee werelden, Perijn Aybara. En eigendom van beide. Ik moet die droomprikker terug hebben.’

‘Als je dichterbij komt, vernietig ik hem,’ zei Perijn. Slachter snoof en stapte naar voren. ‘Daar heb je de kracht niet voor, jongen. Zelfs ik ben daar niet sterk genoeg voor.’ Zijn ogen schoten onbewust over Perijns schouder. Waar keek hij naar? De Drakenberg, dacht Perijn. Hij was vast bang dat ik deze kant op ging om de prikker erin te gooien. Was dat dan een aanwijzing voor een mogelijkheid om de ter’angreaal te vernietigen? Of probeerde Slachter hem te misleiden?

‘Zet me niet onder druk, jongen,’ waarschuwde Slachter, en een zwaard en mes verschenen in zijn handen terwijl hij naar voren kwam. ‘Ik heb vandaag al vier wolven gedood. Geef me die prikker.’ Vier? Maar hij had er maar één gedood, voor zover Perijn had gezien. Hij probeert me op stang te jagen, besefte hij. ‘Alsof je me zou laten leven als ik hem je gaf,’ zei Perijn. ‘Als ik hem overhandig, moet jij hem terugbrengen naar Geldan. Je weet best dat ik je dan gewoon zou volgen.’ Perijn schudde zijn hoofd. ‘Een van ons moet sterven, en dat is dat.’

Slachter aarzelde, maar toen glimlachte hij. ‘Luc haat je, weet je. Hij haat je vurig.’

‘En jij niet?’ vroeg Perijn fronsend.

‘Niet meer dan de wolf de hertenbok haat.’

‘Jij bént geen wolf,’ zei Perijn, zachtjes grommend.

Slachter haalde zijn schouders op. ‘Genoeg gekletst.’ Hij sprong naar voren.

Gawein rende de Witte Toren in; de wachters hadden nauwelijks de tijd om hem een saluut te brengen. Hij draafde langs staande spiegellampen. Ze waren slechts om en om aangestoken om olie te besparen. Toen hij bij een helling naar boven aankwam, hoorde hij voetstappen achter zich.

Zijn zwaard siste toen hij het uit de schede trok en zich omdraaide. Mazone en Celark kwamen tot stilstand. De voormalige Jongelingen droegen nu uniformen van de Torenwacht. Zouden ze proberen hem tegen te houden? Wie weet wat voor bevelen Egwene had achtergelaten.

Ze groetten hem.

‘Mannen?’ vroeg Gawein. ‘Wat doen jullie?’

‘Heer,’ zei Celark, zijn smalle gezicht beschaduwd in het onregelmatige lamplicht. ‘Als een officier langs rent met zo’n uitdrukking op zijn gezicht, dan vraag je niet of hij hulp nodig heeft. Dan ga je gewoon mee!’

Gawein glimlachte. ‘Kom op, dan.’ Hij rende de hellingen op, gevolgd door de twee mannen met hun zwaarden in de aanslag. Egwenes vertrekken lagen vrij hoog. Gaweins hart ging tekeer en hij hijgde tegen de tijd dat ze op haar verdieping aankwamen. Ze haastten zich door drie gangen; toen stak Gawein zijn hand op. Hij keek naar de beschaduwde nissen om hen heen. Waren die diep genoeg om een Bloedmes te verbergen? Er is geen licht zonder schaduw...

Hij gluurde om de hoek naar Egwenes deur; hij stond bijna op dezelfde plek als toen hij de vorige keer haar plannen in de war had geschopt. Deed hij nu hetzelfde? De twee mannen stonden vlak achter hem en wachtten op zijn bevel.

Ja. Hij deed hetzelfde als de vorige keer. En toch was er iets veranderd. Hij zou zorgen dat ze beschermd werd, zodat ze grootse dingen kon doen. Hij zou in haar schaduw staan en trots zijn. Hij zou doen wat ze vroeg; maar hoe dan ook zou hij haar beschermen. Want dat deed een Zwaardhand.

Hij stapte naar voren en wenkte zijn mannen mee. De duisternis in die donkere nis daar, dezelfde nis als de vorige keer, leek nu niet zijn aandacht weg te duwen. Dat was een goed teken. Hij bleef voor de deur staan en probeerde voorzichtig de klink. De deur was niet op slot. Gawein haalde diep adem en glipte naar binnen. Er gingen geen alarmbellen af; er lag geen strik klaar om hem de lucht in te zwiepen. Langs de muren brandden een paar lampen. Bij een zacht geluid keek hij omhoog. Een bediende van de Toren hing tegen de zoldering. Ze kronkelde met grote ogen, en haar mond was dichtgestopt met een onzichtbare weving van Lucht. Gawein vloekte, rende de kamer door en smeet de deur naar Egwenes slaapkamer open. Haar bed, dat met één kant tegen de achterste muur stond, was omgeven met witte gazen gordijnen, en op het nachtkastje brandde een lamp. Gawein liep door de kamer naar het bed en trok het gordijn opzij. Sliep ze? Of was ze... Hij wilde zijn hand tegen haar hals leggen, maar bij een lichte bons achter hem draaide Gawein zich met een ruk om en blokkeerde met zijn zwaard de aanval die van achteren kwam. Niet één, maar twee wazige, donkere vormen sprongen uit de schaduwen. Hij wierp nog een blik op Egwene; er was geen bloed te zien, maar hij kon niet zien of ze nog ademde. Had zijn binnenkomst de moordenaars op tijd gestoord ?

Er was geen tijd om het na te gaan. Hij slaakte een kreet terwijl hij Appelbloesems in de wind vormde. Zijn mannen liepen naar de deur toe en bleven daar verstijfd, stomverbaasd staan. ‘Haal meer hulp!’ riep Gawein. ‘Snel!’

De donkerhuidige Mazone draaide zich om en rende weg, terwijl Celark met een vastberaden gezicht in het gevecht sprong. De Bloedmessen verschoven en vervaagden. Gawein voerde Kat op brandend zand uit om hen te beproeven, maar zijn uithalen raakten niets dan lucht. Zijn ogen deden nu al pijn van zijn pogingen om die schepsels in het vizier te houden.

Celark viel van achteren aan, maar hij bereikte even weinig als Gawein. Gawein klemde zijn kiezen op elkaar en vocht, met zijn rug naar het bed. Hij moest hen weghouden bij Egwene, in ieder geval tot er hulp kwam. Als hij maar...

Beide gestalten draaiden zich plotseling om en vielen tegelijkertijd op Celark aan. De man had amper de tijd om te vloeken voordat een zwaard hem in de hals raakte en er helrood bloed naar buiten spoot. Gawein schreeuwde nog eens, begon met Hagedis tussen de doornen en viel de moordenaars in de rug aan.

Wederom raakte hij niets. Het leek erop dat hij hen slechts op een haar na had gemist. Celark belandde gorgelend op de vloer, zijn bloed weerspiegelde het lamplicht, en Gawein kon niet naar voren stappen om hem te verdedigen. Niet zonder Egwenes zijde te verlaten. Een van de moordenaars draaide zich om naar Gawein, terwijl de ander Celark onthoofdde met een haal van zijn zwaard die – ondanks de schaduwen – veel leek op Rivier kalft de oever af. Gawein stapte achteruit en probeerde niet naar de gesneuvelde man te kijken. Verdedigen. Hij hoefde alleen maar te verdedigen totdat er hulp kwam! Hij schuifelde opzij.

De Seanchanen waren behoedzaam; ze wisten dat hij een van hen al eerder van zich af had gevochten. Maar ze hadden zo’n groot voordeel. Gawein wist niet zeker of hij tegen twee van hen kon standhouden.

Ja, dat kun je wel, zei hij streng tegen zichzelf. Als jij valt, vermoorden ze Egwene.

Was dat een flits van beweging in de andere kamer? Was er al hulp gekomen? De hoop vlamde in Gawein op en hij schuifelde nog wat verder opzij. Van hieraf zag hij Mazones bloedende lichaam op de grond liggen.

Een derde schimmige gestalte glipte de kamer in, sloot de deur achter zich en deed die op slot. Daarom hadden de andere twee geaarzeld. Ze hadden willen wachten tot hun bondgenoot aankwam. Gedrieën vielen ze aan.