Perijn liet de wolf vrij.
Voor één keer maakte hij zich er niet druk om wat dat bij hem zou aanrichten. Hij liet zichzelf gewoon zijn, en terwijl hij vocht leek de wereld om hem heen steeds meer te gaan kloppen. Misschien kwam dat doordat de wereld zich aan zijn wil onderwierp. Jonge Stier sprong van een dak in Tar Valon, de lucht in geduwd door sterke achterpoten, de buidel met de ter’angreaal op zijn rug gebonden. Hij zweefde over een straat en landde op een witmarmeren dak met groepen standbeelden langs de randen. Hij rolde om en stond op als man – nu hing de ter’angreaal om zijn middel – met een zwaaiende hamer.
Slachter verdween net voordat de hamer hem raakte en verscheen weer naast hem. Perijn verdween toen Slachter uithaalde, en verscheen toen een stukje naar links. Zo ging het heen en weer, draaiend om elkaar heen, allebei verdwijnend en weer verschijnend, terwijl ze uit alle macht probeerden elkaar te raken. Perijn dook uit het kringetje en stuurde zichzelf naar een van de grote standbeelden op het dak, dat van een gewichtig ogende generaal. Hij haalde uit, liet zijn hamer ertegenaan beuken en versterkte de kracht van de klap. Brokken van het standbeeld schoten op Slachter af. De wolvendoder verscheen in de verwachting Perijn naast zich te zien. In plaats daarvan werd hij geraakt door een storm van steen en stof.
Slachter brulde toen scherven steen zijn huid opensneden. Zijn mantel werd onmiddellijk sterk als staal en kaatste de brokken terug. Hij gooide de mantel naar achteren, waarop het hele gebouw begon te beven. Perijn vloekte en sprong weg toen het dak instortte. Hij zweefde door de lucht en werd weer een wolf voordat hij op het volgende dak landde. Slachter verscheen voor hem, met zijn boog in de hand. Jonge Stier gromde en beeldde zich windvlagen in, maar Slachter schoot niet. Hij stond daar alleen maar, als... Als een standbeeld.
Perijn vloekte en draaide zich om toen er een pijl langs hem heen suisde en op een haar na zijn middel miste. De echte Slachter stond een stukje verderop; hij verdween en liet het opmerkelijk goed gelijkende standbeeld dat hij had gemaakt staan om Perijn af te leiden. Perijn haalde diep adem en verwijderde het zweet van zijn voorhoofd. Slachter kon van alle kanten op hem afkomen. Hij zette een muur achter zijn rug en bleef behoedzaam staan, turend over het dak. De koepel boven hem schudde. Daar was hij aan gewend geraakt, want het ding bewoog met hem mee. Maar hij was niet in beweging.
In paniek keek hij omlaag. De buidel was weg; de pijl die Slachter op zijn middel had afgeschoten, had hem losgesneden. Perijn sprong naar de rand van het dak. Beneden rende Slachter over straat, met de buidel in zijn hand.
Een wolf sprong uit een steeg tevoorschijn, beukte tegen Slachter aan en werkte hem tegen de grond. Springer.
Perijn was er in een oogwenk en viel aan. Slachter vloekte, verdween onder Springer vandaan en dook weer op aan het einde van de straat.
Hij vluchtte en alleen een waas bleef zichtbaar.
Perijn volgde, samen met Springer. Hoe heb je me gevonden? vroeg Perijn.
Jullie zijn domme welpen, antwoordde Springer. Heel luidruchtig. Als sissende katten. Gemakkelijk te vinden.
Perijn had met opzet voor Springer verborgen gehouden waar hij was. Nadat hij Eikendanser had zien sterven... Nou, dit was Perijns gevecht. Nu de ter’angreaal weg was uit Geldan en zijn mensen bezig waren te ontsnappen, wilde hij het leven van andere wolven niet in gevaar brengen.
Niet dat Springer weg zou gaan als hij hem dat opdroeg. Grommend stormde Perijn achter Slachter aan, met de wolf aan zijn zijde.
Egwene zat ineengedoken tegen de muur van de gang, hijgend terwijl het zweet van haar voorhoofd droop. Tegenover haar koelden druppels steen af die waren gesmolten door een vuurbol. Het werd stil in de Torengang. Een paar lampen aan de muur flakkerden. Door een raam zag ze de paarse hemel tussen de Toren en de donkere wolken. Ze vocht naar het scheen al uren, hoewel het waarschijnlijk pas een kwartier was. Ze was de Wijzen uit het oog verloren.
Gebruikmakend van de weving tegen afluisteren om haar voetstappen geruisloos te maken, sloop ze naar voren tot ze bij de hoek aankwam en eromheen kon gluren. In beide richtingen was het donker. Egwene liep zachtjes maar vastbesloten verder. De Toren was haar domein. Ze voelde zich geschonden, net als toen de Seanchanen aanvielen. Maar dit gevecht bleek heel anders dan de strijd tegen de Seanchanen. Daarbij was de vijand stoutmoedig geweest, eenvoudig te zien.
Een vaag licht scheen onder een deur verderop uit. Ze verplaatste zichzelf naar die kamer en bereidde wevingen voor. Er stonden twee vrouwen die fluisterend met elkaar spraken, en een van hen hield een lichtbol vast. Evanellein en Mestra, twee Zwarte zusters die de Witte Toren waren ontvlucht.
Egwene liet een vuurbol gaan, die Mestra vernietigde in een hels vuur. Evanellein slaakte een kreet van schrik. Egwene gebruikte een list die Nynaeve haar had geleerd: ze beeldde zich in dat Evanellein dom was en niet kon nadenken, niet kon reageren. De ogen van de vrouw werden glazig en haar mond zakte open. Gedachten waren sneller dan wevingen. Egwene aarzelde. En nu? Haar doden, terwijl ze hulpeloos was? Haar maag verkrampte bij die gedachte. Ik zou haar gevangen kunnen nemen, dacht ze, en dan... Iemand verscheen bij haar in de kamer. De nieuwkomer droeg een schitterend zwart gewaad met zilveren zomen. Er wervelde duisternis om haar heen, gemaakt van wapperende stoffen linten, en haar rokken rimpelden. Het effect was onnatuurlijk en indrukwekkend; alleen mogelijk hier in Tel’aran’rhiod.
Egwene keek de vrouw in haar ogen. Groot en blauw, in een hoekig gezicht met kinlang zwart haar. Er lag kracht in die ogen, en Egwene wist meteen wat ze tegenover zich had. Waarom zou ze vechten? Ze kon niet...
Ze voelde haar geest veranderen, aanvaarding over haar komen. Ze vocht er in paniek tegen, en in een kortstondig ogenblik van helderheid stuurde ze zichzelf weg.
Egwene verscheen in haar eigen vertrekken, drukte haar hand tegen haar voorhoofd en ging op het bed zitten. Licht, wat was die vrouw sterk geweest.
Achter zich hoorde ze iets; iemand die in de kamer verscheen. Egwene sprong overeind en bereidde wevingen voor. Nynaeve stond daar, met grote ogen van woede. De vrouw stak haar handen naar voren en vormde wevingen, maar toen verstarde ze. ‘Naar de tuinen,’ zei Egwene, want ze vertrouwde haar eigen kamers niet. Ze had hier niet moeten komen; Mesaana kende het hier vast. Nynaeve knikte, waarop Egwene verdween en in de lagere Toren-tuin weer verscheen. De vreemde, paarsige koepel strekte zich boven hen uit. Wat was dat, en hoe had Mesaana het hier gekregen? Nynaeve kwam een ogenblik later.
‘Ze zijn nog steeds boven,’ fluisterde Nynaeve. ‘Ik zag Alviarin net.’
‘Ik heb Mesaana gezien,’ zei Egwene. ‘Ze had me bijna te pakken.’
‘Licht! Gaat het wel?’
Egwene knikte. ‘Mestra is dood. En ik heb Evanellein ook gezien.’
‘Het is daarboven donker als in het graf,’ fluisterde Nynaeve. ‘Ik denk dat zij dat hebben gedaan. Siuan en Leane zijn in orde; ik zag ze een tijdje geleden, bij elkaar. Net daarvoor heb ik Notori weten te raken met een vuurbol. Ze is dood.’
‘Mooi. De Zwarte Ajah heeft negentien ter’angrealen gestolen. Dat geeft mogelijk een indicatie van hoeveel Zwarte zusters we tegenover ons krijgen.’ Zij, Siuan, Nynaeve, Leane en de drie Wijzen waren in de minderheid, maar de Zwarte Ajah scheen niet veel ervaring te hebben met Tel’aran’rhiod. ‘Heb je de Wijzen gezien?’
‘Ze zijn boven.’ Nynaeve grimaste. ‘Ze schijnen hiervan te genieten.’
‘Dat geloof ik best,’ zei Egwene. ‘Ik wil dat wij samen gaan. We verschijnen op kruisingen, rug aan rug, en zoeken snel naar licht of mensen. Als je een Zwarte ziet, sla dan toe. Als iemand je ziet, zeg je “Weg” en springen we weer hierheen.’ Nynaeve knikte.
‘De eerste kruising is die bij mijn kamer,’ zei Egwene. ‘De gang aan de zuidkant. Ik zal hem verlichten; jij houdt je klaar. Daarvandaan springen we één gang verder, naar de deur bij de opgang voor de bedienden. Dan steeds één verder.’ Nynaeve knikte scherp.