Выбрать главу

De wereld verdween rondom Egwene. Ze kwam in de gang aan en verlichtte die met haar gedachten, legde de omgeving haar wil op. De hele ruimte baadde in het licht. Een vrouw met een rond gelaat zat gehurkt bij de muur, gekleed in het wit. Sedore, een van de Zwarte zusters.

Sedore draaide zich met een boze blik om. Er verschenen wevingen om haar heen. Egwene werkte sneller en maakte een zuil van vuur, net voordat Sedore die van haar kon laten gaan. Geen wevingen van Egwene. Alleen maar vuur.

Egwene zag de ogen van de Zwarte groot worden toen het vuur om haar heen sprong. Sedore krijste, maar haar kreet verstomde toen de hitte haar verteerde. Haar verbrande lijk zakte smeulend op de grond. Egwene slaakte een opgeluchte zucht. ‘Iemand aan jouw kant?’

‘Nee,’ antwoordde Nynaeve. ‘Wie heb je geraakt?’

‘Sedore.’

‘Echt?’ vroeg Nynaeve, die zich omdraaide. Sedore was een Gezetene geweest voor de Gele Ajah. Egwene glimlachte. ‘Volgende gang.’

Ze sprongen en herhaalden hun strategie, lieten de gang baden in licht. Er was daar niemand, dus gingen ze verder. De volgende twee gangen waren ook verlaten. Egwene stond op het punt te vertrekken, toen een stem siste: ‘Dom kind! Je patroon is overduidelijk.’ Egwene draaide zich met een ruk om. ‘Waar...’ Ze brak haar zin af toen ze Bair zag. De oude Wijze had haar kleding veranderd, en zelfs haar huid, om op te gaan tegen de witte wanden en vloertegels. Ze was bijna onzichtbaar en zat gehurkt in een nis.

‘Je moet niet...’ begon Bair.

Een muur naast hen ontplofte en brokken steen vlogen in het rond. Er stonden zes vrouwen achter, die wevingen van Vuur op hen afstuurden. Het leek erop dat de tijd van sluipen voorbij was.

Perijn sprong over de muur rond het terrein van de Witte Toren en landde met een bons. De vreemdheid van de wolfsdroom hield aan; hij rook nu niet alleen merkwaardige geuren, maar hoorde ook merkwaardige geluiden. Gerommel binnen in de Toren. Hij sprong achter Slachter aan, die het terrein overstak en vervolgens tegen de buitenkant van de Toren zelf oprende. Perijn volgde, de lucht in rennend. Slachter bleef hem net voor, met de buidel met de ter’angreaal om zijn middel gebonden.

Perijn vormde een lange handboog. Hij spande hem en bleef staan, tegen de zijkant van de Toren aan. Hij schoot de pijl af, maar de wolvendoder sprong omhoog en dook door een raam de Toren in. De pijl vloog langs hem heen.

Perijn sprong naar het raam en dook ook naar binnen, en Springer volgde. Ze kwamen uit in een slaapkamer met blauw brokaat. De deur sloeg dicht en Perijn stormde achter Slachter aan. Hij nam niet de moeite de deur te openen, maar beukte die stuk met zijn hamer. Slachter rende door een gang.

Volg hem, zei Perijn tegen Springer. Ik snijd hem de pas af. De wolf rende achter Slachter aan. Perijn ging naar rechts en een andere gang door. Hij liep snel en de wanden suisden langs hem heen. Hij kwam langs een gang die vol leek te staan met mensen. Daar was hij zo verbaasd over dat hij stokstijf bleef staan, waardoor alles om hem heen draaide.

Het waren Aes Sedai, en ze waren in gevecht. De gang was hel verlicht. Strepen vuur schoten van het ene uiteinde naar het andere. De geluiden die hij eerder had gehoord, waren geen fantomen geweest. En, dacht hij, ja...

‘Egwene?’ vroeg Perijn.

Ze stond vlakbij tegen de muur en tuurde aandachtig de gang door. Toen hij sprak, draaide ze zich met een ruk naar hem om en kwamen haar handen omhoog. Hij voelde dat hij ergens door gegrepen werd. Zijn geest reageerde echter ogenblikkelijk en duwde de lucht weg.

Egwene schrok toen ze hem niet kon grijpen.

Hij stapte naar voren. ‘Egwene, je moet hier weg. Het is hier gevaarlijk.’

‘Perijn?’

‘Ik weet niet hoe je hier gekomen bent,’ zei Perijn, ‘maar je moet weg. Alsjeblieft.’

‘Hoe heb je me tegengehouden?’ wilde ze weten. ‘Wat doe je hier? Ben je bij Rhand geweest? Zeg me waar hij is.’ Ze sprak nu met zoveel gezag. Ze leek bijna een ander mens, tientallen jaren ouder dan het meisje dat hij had gekend. Perijn opende zijn mond om antwoord te geven, maar Egwene was hem voor. ‘Ik heb hier geen tijd voor,’ zei ze. ‘Het spijt me, Perijn. Ik kom je straks wel halen.’ Ze hief een hand en hij voelde dingen om zich heen veranderen. Touwen verschenen en bonden hem vast. Hij keek vermaakt naar beneden. De touwen zakten omlaag zodra hij zich inbeeldde dat ze te los zaten.

Egwene knipperde verbaasd met haar ogen toen de touwen op de grond vielen. ‘Hoe...’

Iemand sprong uit een kamer verderop langs de gang: een lange vrouw met een slanke hals en ravenzwart haar, gekleed in een wit gewaad. Ze glimlachte, hief haar handen, en er verscheen een licht voor haar.

Perijn wist niet waar ze mee bezig was. Hij was een wolf. Hij heerste over deze plek. Wevingen waren betekenisloos. Hij stelde zich voor dat de aanval van de vrouw hem miste; hij wist dat het zo zou zijn.

Er schoot een zuil van witheet licht uit de handen van de vrouw. Perijn hief zijn hand op voor zichzelf en Egwene. Het licht verdween, alsof het was tegengehouden door zijn handpalm. Egwene draaide zich om en de muur boven de vrouw barstte uiteen, waardoor stenen omlaag vielen. Een brok ervan raakte de vrouw hard op het hoofd en smeet haar tegen de grond. Licht, ze zou wel dood zijn na zo’n klap.

Egwene rook stomverbaasd. Ze draaide zich naar hem om. ‘Lotsvuur? Heb je lotsvuur tegengehouden? Niets zou daartoe in staat moeten zijn.’

‘Het is maar een weving,’ zei Perijn, zoekend naar Springer. Waar was Slachter?

‘Het is niét zomaar een weving, Perijn, het is...’

‘Het spijt me, Egwene,’ zei hij. ‘We praten later wel. Wees hier voorzichtig. Je weet dat waarschijnlijk al, maar toch. Het is hier gevaarlijker dan je beseft.’

Hij draaide zich om en rende weg, en liet Egwene sputterend achter. Kennelijk had ze het voor elkaar gekregen om een Aes Sedai te worden. Dat was mooi; ze verdiende het. Springer? riep hij. Waar ben je?

Zijn enige antwoord was een plotselinge, angstaanjagende gedachte van pijn.

Gawein vocht voor zijn leven tegen drie levende schaduwen van duisternis en staal.

Ze dreven hem tot het uiterste van zijn vaardigheden en brachten hem meerdere bloedende wonden op zijn armen en benen toe. Met Cycloon beschermde hij zijn organen. Op het nippertje. Druppels bloed waren op het gaas rondom Egwenes bed beland. Als zijn tegenstanders Egwene al hadden vermoord, dan deden ze overtuigend alsof ze haar nog bedreigden.

Hij begon te verzwakken en moe te worden. Zijn laarzen lieten bloederige voetstappen achter. Hij voelde de pijn niet. Zijn afwerende slagen begonnen traag te worden. Het zou niet meer lang duren voordat ze hem hadden.

Er kwam geen hulp, hoewel zijn keel schor was van het schreeuwen. Stommeling! dacht hij. Je moet meer nadenken en minder rechtstreeks op het gevaar afrennen! Hij had de hele Toren moeten wekken.

De enige reden dat hij nog leefde, was omdat die drie voorzichtig waren en hem wilden uitputten. Zodra hij viel, had die sul’dam aangegeven, zouden ze op een strooptocht door de Witte Toren gaan. Dat zou de Aes Sedai volkomen overrompelen. Vannacht zou een grotere ramp kunnen worden dan de eerste aanval van de Seanchanen.

De drie kwamen naar voren.

Nee! dacht Gawein toen een van hen Rivier kalft de oever af probeerde. Hij sprong naar voren, dook tussen twee klingen door en zwaaide met zijn wapen. Onvoorstelbaar genoeg raakte hij daadwerkelijk iets, en een stem schreeuwde van pijn. Er sproeide bloed over de grond en een van de schimmige gestaltes ging neer.

De twee anderen vloekten binnensmonds en staakten onmiddellijk hun pogingen om hem uit te putten. Ze vielen aan, hun wapens fonkelend te midden van donkere mist. Uitgeput liep Gawein nog een wond in zijn schouder op, en bloed sijpelde onder zijn jas over zijn arm omlaag.

Schaduwen. Hoe kon je vechten tegen schaduwen? Het was onmogelijk!