Выбрать главу

Waar licht is, daar is ook schaduw...

Een wanhopige gedachte viel hem in. Met een kreet sprong hij opzij en rukte een kussen van Egwenes bed. Klingen doorkliefden de lucht om hem heen en sloegen het kussen over de lantaarn, waardoor die werd gedoofd.

De kamer werd ineens in duisternis gehuld. Geen licht. Geen schaduwen. Gelijkheid.

De duisternis maakte alles gelijk, en in de nacht zag je geen kleuren. Hij zag het bloed op zijn armen niet meer, zag de zwarte schaduwen van zijn vijanden of het wit van Egwenes bed niet meer. Maar hij hoorde de mannen bewegen. Hij hief zijn kling voor een wanhopige aanval, Honingvogel kust de honingroos, schattend waar de Bloedmessen zouden zijn. Hij werd niet langer afgeleid door hun nevelige gestalten, zijn aanval trof doel en de kling zonk in vlees. Hij draaide en rukte zijn zwaard los. Het werd stil in de kamer, op de bons na van de man die hij had geraakt en die op de grond viel. Gawein hield zijn adem in, terwijl zijn hartslag in zijn oren bonsde. Waar was de laatste moordenaar?

Er kwam geen licht binnen uit de kamer ernaast; Celark was bij de deur neergevallen en blokkeerde het licht dat eronderdoor kwam. Gawein begon zich bibberig te voelen. Hij had te veel bloed verloren. Kon hij maar iets gooien om de moordenaar af te leiden... Maar nee. Als hij zich bewoog, ruiste zijn kleding en verraadde hij zichzelf.

Dus klemde hij zijn kaken op elkaar, tikte met zijn voet op de grond en hield de kling omhoog om zijn hals te beschermen, biddend tot het Licht dat de aanval laag zou komen.

Dat gebeurde, en het wapen hakte diep in zijn zij. Hij ving de klap met een grom op, maar haalde onmiddellijk uit met alles wat hij in zich had. Zijn zwaard suisde, en met een korte ruk raakte hij zijn doelwit. Er volgde een bons; een hoofd stuiterde tegen de muur, gevolgd door het geluid van een lichaam dat tegen de grond sloeg. Gawein liet zich tegen het bed zakken. Het bloed gutste uit zijn zij en het begon hem zwart voor de ogen te worden, hoewel dat moeilijk te bepalen was in de onverlichte kamer.

Hij reikte naar de plek waar hij zich Egwenes hand herinnerde, maar was te zwak om die te vinden.

Even later zakte hij op de vloer. Zijn laatste gedachte was dat hij nu nog steeds niet wist of ze dood was of niet.

‘Grote Meesteresse,’ zei Katerine, knielend voor Mesaana, ‘we kunnen het ding dat u beschreef niet vinden. De ene helft van de groep is ernaar op zoek, terwijl de andere helft strijdt tegen de wormen die verzet bieden. Maar het is nergens te vinden!’ Mesaana sloeg haar armen over elkaar terwijl ze de toestand overpeinsde. Met een achteloze gedachte sloeg ze Katerine op haar rug met zwepen van Lucht. Falen moest altijd worden bestraft. Consequent zijn was van doorslaggevend belang in alle vormen van onderwijs.

De Witte Toren rommelde boven haar, hoewel ze hier veilig was. Ze had haar wil aan dit gedeelte ervan opgelegd en een kamer onder de kelders gemaakt, uitgehouwen als een bel in het steen. De kinderen die boven vochten, dachten kennelijk dat ze deze plek goed kenden, maar het bleven kinderen. Zij was al een eeuw voor haar gevangenschap regelmatig naar Tel’aran’rhiod gekomen. De Toren beefde weer. Zorgvuldig overdacht ze haar toestand. Op de een of andere manier hadden de Aes Sedai een droomprikker gevonden. Hoe waren ze zo’n schat op het spoor gekomen? Mesaana wilde die bijna even graag in handen krijgen als ze de jonge Amyrlin, Egwene Alveren, wilde overheersen. Het vermogen om Poorten naar je wijkplaatsen tegen te gaan... Nou, dat was een nuttig hulpmiddel, vooral als Mesaana besloot op te treden tegen de andere Uitverkorenen. Bannen werkten minder goed om je dromen tegen elke vorm van indringing te beschermen, en bovendien stak de prikker een stokje voor alle vormen van Reizen in en uit het gebied, behalve voor degenen die daar toestemming voor hadden. Nu de droomprikker hier was, kon zij echter deze strijd tegen de kinderen boven ook niet naar een geschiktere, zorgvuldig gekozen plek verplaatsen. Ergerlijk. Maar nee, ze zou zich niet laten ontmoedigen. ‘Ga weer naar boven en zet alles in het werk om Egwene Alveren gevangen te nemen,’ zei Mesaana. ‘Zij zal weten waar het toestel is.’ Ja, dat was haar nu duidelijk. Ze kon in één klap twee overwinningen behalen.

‘Ja... Meesteres...’ Katerine zat nog steeds ineengedoken terwijl de zwepen van Lucht over haar rug ranselden. Ach, ja. Mesaana wuifde kort met haar hand en beëindigde de bestraffing. Terwijl ze dat deed, had ze een ingeving.

‘Wacht hier even,’ zei ze tegen Katerine. ‘Ik leg een weving over je heen...’

Perijn verscheen helemaal boven op de Witte Toren. Slachter hield Springer bij zijn nekvel vast. De wolf had een pijl in zijn flank en bloed stroomde omlaag over zijn poot. Er blies wind over de Toren, waardoor het bloed verwaaide en tegen de stenen sproeide.

‘Springer!’ Perijn zette een stap naar voren. Hij voelde nog steeds Springers geest, hoewel die zwak was.

Slachter hield de wolf met gemak omhoog. Hij hief een mes.

‘Nee,’ zei Perijn. ‘Je hebt wat je wilt. Vertrek gewoon.’

‘En wat zei je daarstraks ook alweer?’ vroeg Slachter. ‘Dat je weet waar ik heen ga en dat je zou volgen? De droomprikker is aan deze kant te gemakkelijk te vinden.’

Hij gooide de wolf van de Toren af.

‘Nee!’ schreeuwde Perijn. Hij sprong naar de zijkant toe, maar Slachter verscheen naast hem, greep hem vast en hief zijn dolk. Door de botsing vielen ze allebei van de Toren af, en Perijns maag draaide om toen ze vielen.

Hij wilde zichzelf wegsturen, maar Slachter hield hem vast en probeerde hem uit alle macht daar te houden. Ze schudden even, maar bleven vallen.

Slachter was zo verschrikkelijk sterk. Hij stonk naar mufheid en wolvenbloed. Zijn mes zocht naar Perijns keel, en Perijn kon niets anders doen dan zijn arm heffen om te blokkeren en zich indenken dat zijn hemd zo hard was als staal.

Slachter duwde harder. Perijn ervoer een ogenblik van zwakte, en de wond in zijn borst bonsde terwijl hij en Slachter omlaag vielen. Het mes doorboorde Perijns mouw en werd in zijn onderarm geramd. Perijn schreeuwde. De wind was zo luid. Er waren nog maar enkele tellen verstreken. Slachter trok het mes los. Springer!

Perijn brulde, trapte naar Slachter, duwde hem weg en verbrak zijn greep. Met een arm die gloeide van pijn draaide Perijn zich in de lucht om. De grond suisde op hen af.

Hij verplaatste zichzelf en verscheen vlak onder Springer, ving de wolf op en belandde met een smak op de grond. Hij zakte door zijn knieën; de grond brak rondom hem op. Maar hij liet Springer veilig zakken.

Een pijl met zwarte veren zwiepte uit de lucht en doorboorde Springers rug, dwars door de wolf heen tot in Perijns bovenbeen, omdat hij de wolf op zijn knie ondersteunde.

Perijn slaakte een kreet en voelde zijn eigen pijn vermengd met een plotselinge pijnscheut van Springer. De geest van de wolf vervaagde. ‘Nee!’ riep Perijn met tranen in zijn ogen. Jonge Stier... zei Springer.

Perijn probeerde zichzelf weg te sturen, maar zijn geest was wazig. Er zou zo meteen nog een pijl komen. Hij wist het. Hij kon uit de weg rollen toen de pijl de grond raakte, maar zijn been wilde niet meer gehoorzamen, en Springer was ontzettend zwaar. Perijn viel op de grond, liet de wolf los en rolde om.

Slachter landde op korte afstand, met een lange, kwaadaardige zwarte boog in zijn hand. ‘Vaarwel, Aybara.’ Slachter hief zijn boog. ‘Kennelijk dood ik vandaag vijf wolven.’ Perijn staarde naar de pijl. Alles was wazig.

Ik kan Faile niet achterlaten. Ik kan Springer niet achterlaten, dacht hij.

Dat doe ik niet!

Toen Slachter de pijl afschoot, beeldde Perijn zich wanhopig in dat hij sterk was, niet verzwakt. Hij voelde zijn hart weer gezond worden, zijn aderen volstromen met kracht. Hij schreeuwde, en zijn hoofd was nu helder genoeg om te verdwijnen en achter Slachter weer op te duiken. Hij zwaaide met zijn hamer.

Slachter draaide zich achteloos om en blokkeerde de hamer met zijn arm, die onvoorstelbaar sterk was. Perijn belandde op zijn knie. De pijn in zijn been was er nog. Hij hijgde.