Alviarin stond er te wachten, gekleed in een wit met rood gewaad. De vrouw knielde onmiddellijk voor Mesaana, hoewel ze snel een tevreden blik op Egwene wierp.
Egwene merkte het nauwelijks. Ze bleef verstijfd staan terwijl er een getijde van paniekgedachten door haar hoofd ging. Ze was weer gevangen! Dat kon ze niet verdragen. Ze zou nog liever sterven dan dit te ondergaan. Er flitsten beelden door haar hoofd. Opgesloten in een kamer, niet in staat zich meer dan een paar voet te bewegen voordat ze werd tegengehouden door de a’dam. Behandeld als een dier, met het kruipende gevoel dat ze uiteindelijk zou breken en exact zou worden wat zij wilden.
O, Licht. Ze kon dit niet nog eens doorstaan. Niet dit. ‘Zeg degenen boven dat ze zich terugtrekken,’ zei Mesaana tegen Alviarin, met kalme stem. De woorden drongen amper tot Egwene door. ‘Ze zijn dwazen, en hun verrichtingen hier waren zielig. Er zullen straffen worden uitgedeeld.’
Zo was Moghedien gevangen door Nynaeve en Elayne. Ze werd gevangengehouden, gedwongen te doen wat zij eisten. Egwene zou datzelfde ondergaan! Mesaana zou waarschijnlijk zelfs Wilsdwang op haar toepassen. De Witte Toren zou volledig in handen komen van de Verzakers.
Gevoelens welden in haar op. Egwene klauwde aan de halsband, wat haar een vermaakte blik van Mesaana opleverde, terwijl Alviarin verdween om haar bevel door te geven. Dit kon niet echt zijn. Het was een nachtmerrie. Een... Je bent een Aes Sedai. Een rustig deel van haar fluisterde haar dat toe, maar hoe zacht het ook klonk, de woorden waren sterk. En ze bevonden zich diep binnen in haar. De stem lag dieper dan de doodsangst.
‘Zo,’ zei Mesaana. ‘Nu moeten we het hebben over de droomprikker. Waar zou ik die kunnen vinden?’
Een Aes Sedai is kalmte, een Aes Sedai is beheersing, ongeacht de omstandigheden. Egwene liet de halsband los. Ze had de beproeving niet doorstaan en had zich ook niet voorgenomen dat te doen. Maar als ze dat wel had gedaan, als ze gedwongen was geweest omstandigheden zoals deze het hoofd te bieden? Zou ze dan zijn gebroken? Zou ze dan onwaardig zijn gebleken voor de mantel die ze nu droeg? ‘Je praat niet, zie ik,’ zei Mesaana. ‘Nou, dat kan ik veranderen. Die a’dam. Zulke prachtige toestellen. Het was goed van Semirhage dat ze ze onder mijn aandacht bracht, ook al deed ze dat dan per ongeluk. Jammer dat ze stierf voordat ik haar er een om kon doen.’ Er schoot pijn door Egwenes lichaam heen, als vuur onder haar huid. Haar ogen traanden ervan.
Maar ze had al eerder pijn doorstaan, en gelachen terwijl ze werd afgeranseld. Ze was al eerder een gevangene geweest, in de Witte Toren zelf, en haar gevangenschap had haar niet tegengehouden. Dit is iets anders! Het grootste deel van haar was doodsbang. Dit is de a’dam! Ik kan hem niet weerstaan, riepen haar gedachten haar toe.
Dat is wat een Aes Sedai moet doen, zei het rustige stukje van haar. Een Aes Sedai kan alles doorstaan, want alleen dan kan ze werkelijk een dienares zijn van de gehele mensheid.
‘Zo,’ zei Mesaana. ‘En vertel nu waar je de prikker hebt verstopt.’ Egwene hield haar angst in bedwang. Het viel niet mee. Licht, wat was het moeilijk! Maar ze deed het. Haar gezicht werd kalm. Ze verzette zich tegen de a’dam door hem geen macht over haar te geven. Mesaana aarzelde fronsend. Ze schudde aan de leiband, en een vol gende pijnscheut trok door Egwene heen.
Ze liet de pijn verdwijnen. ‘Het schiet me net te binnen, Mesaana,’ zei Egwene rustig, ‘dat Moghedien een vergissing beging. Zij aanvaardde de a’dam.’
‘Waar heb je...’
‘Op deze plek is een a’dam even betekenisloos als de wevingen die hij belemmert,’ zei Egwene. ‘Het is maar een stuk metaal. En hij houdt je alleen tegen als je aanvaardt dat hij dat kan.’ De a’dam klikte open en viel van haar hals.
Mesaana keek ernaar toen hij met een metalig gerinkel op de grond viel. Haar gezicht werd onbewogen en kil toen ze Egwene aankeek. Indrukwekkend genoeg raakte ze niet in paniek. Ze sloeg met kalme ogen haar armen over elkaar. ‘Dus je hebt hier geoefend.’ Egwene keek haar recht aan.
‘Je bent nog altijd maar een kind,’ zei Mesaana. ‘Denk je dat je mij kunt verslaan? Ik kom al langer in Tel’aran’rhiod dan jij je kunt voorstellen. Wat ben je, twintig?’
‘Ik ben de Amyrlin,’ antwoordde Egwene.
‘Een Amyrlin van kinderen.’
‘Een Amyrlin van een Toren die al duizenden jaren standhoudt,’ zei Egwene. ‘Duizenden jaren van onrust en chaos. Maar jij hebt het grootste deel van je leven in vrede geleefd, zonder onmin. Vreemd dat je jezelf zo sterk vindt, terwijl het grootste deel van je leven zo gemakkelijk was.’
‘Gemakkelijk?’ vroeg Mesaana. ‘Jij weet niets.’ Ze wendden geen van beiden hun blik af. Egwene voelde iets tegen haar aan duwen, net als voorheen. Mesaana’s wil, die haar onderworpenheid, haar smeken eiste. Een poging met behulp van Tel’aran’rhiod Egwenes denken te beïnvloeden.
Mesaana was sterk. Maar op deze plek was kracht een kwestie van concentratie. Mesaana’s wil duwde tegen haar aan. Egwene had de a’dam verslagen. Ze kon dit ook wel weerstaan, ‘je zúlt buigen,’ zei Mesaana zachtjes.
‘Dat heb je mis,’ antwoordde Egwene met gespannen stem. ‘Dit gaat niet over mij. Egwene Alveren is een kind, maar de Amyrlin is dat niet. Ik mag dan jong zijn, maar de Zetel is oeroud.’ Ze bleven elkaar aankijken. Egwene begon terug te duwen, te éísen dat Mesaana voor haar boog, voor de Amyrlin. De lucht om hen heen begon zwaar aan te voelen, en toen Egwene hem inademde, leek hij op een of andere manier dik.
‘Leeftijd doet er niet toe,’ vervolgde Egwene. ‘Tot op zekere hoogte doet zelfs ervaring er niet toe. Deze plek draait om wat iemand is. De Amyrlin is de Witte Toren, en de Witte Toren zal niet buigen. Hij weerstaat je, Mesaana, en je leugens.’
Twee vrouwen. Hun blikken gekruist. Egwene hield haar adem in. Ze hoefde niet te ademen. Alles was gericht op Mesaana. Er droop zweet van Egwenes slapen, alle spieren in haar lichaam spanden zich terwijl ze tegen Mesaana’s wil terugduwde.
En Egwene wist dat deze vrouw, dit schepsel, een nietig insect was dat tegen een reusachtige berg duwde. Die berg zou niet bewegen. Sterker nog, als je er te hard tegen duwde, dan... Er knapte zachtjes iets in de kamer.
Egwene zoog haar adem naar binnen toen de lucht weer gewoon lucht werd. Mesaana viel neer, als een pop gemaakt van repen stof. Ze raakte de grond met haar ogen nog open en er droop wat speeksel uit haar mondhoek.
Egwene ging verdoofd zitten en ademde zwaar in en uit. Ze keek opzij, waar de afgeworpen a’dam lag. Hij verdween. Toen keek ze weer naar Mesaana, die daar op een hoopje lag. Haar borstkas rees en daalde nog, maar ze staarde nietsziend voor zich uit. Egwene bleef nog enige tijd zitten om te herstellen, voordat ze opstond en de Bron omhelsde. Ze weefde lijnen van Lucht om het slappe lichaam van de Verzaker op te tillen en verplaatste hen beiden terug naar de bovenverdiepingen van de Toren. Vrouwen draaiden zich geschrokken naar haar om. De gang hier lag vol puin, maar iedereen die Egwene zag, was een van de haren. De Wijzen, die zich naar haar omkeerden. Nynaeve, die tussen het puin zocht. Siuan en Leane, die laatste met meerdere beroete snijwonden in haar gezicht, maar met een krachtige uitstraling. ‘Moeder,’ zei Siuan opgelucht. ‘We waren al bang...’
‘Wie is dat?’ vroeg Melaine. Ze liep naar Mesaana toe, die slap in de wevingen van Lucht hing en naar de grond staarde. Ineens kirde de vrouw als een kind, haar ogen gericht op wat vlammetjes die langs de resten van een wandkleed kropen. ‘Zij is het,’ antwoordde Egwene vermoeid. ‘Mesaana.’ Melaine wendde zich met grote ogen van verbazing naar Egwene. ‘Licht!’ riep Leane uit. ‘Wat hebt u gedaan?’
‘Ik heb dit eerder gezien,’ zei Bair, die de vrouw bekeek. ‘Sammana, een Wijze Droomster uit mijn jeugd. Ze kwam in de droom iets tegen wat haar geest brak.’ Ze aarzelde. ‘De rest van haar dagen in de wakende wereld bleef ze kwijlen en moest ze verschoond worden. Ze sprak nooit meer, althans niet meer dan de woorden van een peuter.’