‘Misschien moeten we maar eens ophouden je als een leerling te beschouwen, Egwene Alveren,’ zei Amys.
Nynaeve stond met haar handen in haar zij en leek onder de indruk, maar ze hield de Bron vast. Haar vlecht had in de droom weer zijn volle lengte. ‘De anderen zijn weg,’ meldde ze. ‘Mesaana had ze opgedragen te vluchten,’ vertelde Egwene. ‘Ze kunnen niet ver zijn gekomen,’ zei Siuan. ‘Die koepel is er nog.’
‘Ja,’ zei Bair. ‘Maar het wordt tijd dat deze strijd eindigt. De vijand is verslagen. We spreken elkaar weer, Egwene Alveren.’ Egwene knikte. ‘Ik ben het op beide punten met je eens. Bair, Amys, Melaine, dank jullie wel voor je zo noodzakelijke bijstand. Jullie hebben veel ji verworven en ik sta bij jullie in het krijt.’ Melaine bekeek de Verzaker toen Egwene zich voorbereidde om de droom te verlaten. ‘Ik denk dat wij, en de wereld, bij jou in het krijt staan, Egwene Alveren.’
De anderen knikten, en terwijl Egwene uit Tel’aran’rhiod vervaagde, hoorde ze Bair mompelen: ‘Zo jammer dat ze niet bij ons is teruggekomen.’
Perijn rende door menigten doodsbange mensen in een brandende stad. Tar Valon, in brand! De stenen zelf brandden en de hemel was dieprood. De grond beefde als een gewonde bok die trappelde terwijl een luipaard hem bij de nek had. Perijn kwam schuivend tot stilstand toen er voor hem een kloof openging waaruit vlammen omhoog schoten, die het haar op zijn armen verschroeiden. Mensen schreeuwden toen er enkele in de verschrikkelijke scheuring vielen en tot niets opbrandden. Plotseling lag de grond bezaaid met lichamen. Rechts van hem begon een schitterend gebouw met boogvensters te smelten, het steen werd vloeibaar, lava borrelde tussen de stenen door en uit openingen.
Perijn krabbelde overeind. Dit is niet echt, hield hij zich voor. ‘Tarmon Gai’don!’ gilden mensen. ‘De Laatste Slag is aangebroken! Het is afgelopen! Licht, het is afgelopen!’
Perijn struikelde, trok zichzelf op aan een brok steen en probeerde te gaan staan. Zijn arm deed pijn en zijn vingers konden niet grijpen, maar de ergste verwonding was die aan zijn been, waar de pijl hem had doorboord. Zijn broek en jas waren vochtig van het bloed en de geur van zijn eigen angst drong met kracht in zijn neus. Hij wist dat deze nachtmerrie niet echt was. Maar hoe kon je anders dan de verschrikking ervan voelen? In het westen barstte de Drakenberg uit, en pluimen kwade rook kolkten de lucht in. De hele berg leek te branden terwijl er rode rivieren over de hellingen omlaag stroomden. Perijn voelde hem beven, sterven. Gebouwen barstten, trilden, smolten, braken. Mensen stierven, verpletterd door stenen of levend verbrand.
Nee. Hij zou zich er niet in laten meetrekken. De grond om hem heen veranderde van gebroken keien in nette plaveistenen; de bediende-ingang naar de Witte Toren. Perijn dwong zichzelf op te staan en maakte een staf waar hij bij het lopen op kon steunen. Hij verjoeg de nachtmerrie niet; hij moest Slachter vinden. Op deze verschrikkelijke plek had Perijn misschien een voordeel. Slachter was erg ervaren in Tel’aran’rhiod, maar mogelijk – als Perijn het geluk aan zijn kant had staan – was die man zo ervaren dat hij nachtmerries in het verleden had kunnen omzeilen. Misschien was hij hiervan geschrokken en erin meegesleurd.
Met tegenzin liet Perijn zijn vastberadenheid verzwakken en zich in de nachtmerrie trekken. Slachter was vast in de buurt. Perijn strompelde over straat en bleef verre van het gebouw waar lava uit de vensters stroomde. Het was moeilijk om niet toe te geven aan het geschreeuw van afgrijzen en pijn. Het geroep om hulp. Daar, dacht Perijn toen hij bij een steeg aankwam. Slachter stond daarbinnen, met zijn hoofd gebogen en zijn hand tegen de muur. De grond naast de man eindigde in een scheur met kokend magma onderin. Mensen hingen schreeuwend aan de rand van de spleet. Slachter negeerde hen. Waar zijn hand de muur raakte, begon die te veranderen van wit uitgeslagen bakstenen naar de grijze stenen binnen in de Witte Toren.
De ter’angreaal hing nog om Slachters middel. Perijn moest snel zijn. De muur smelt van de hitte, dacht Perijn, zich richtend op de muur naast Slachter. Het was hier gemakkelijker om dingen zo te veranderen; het speelde in op de wereld die door de nachtmerrie werd gecreëerd.
Slachter vloekte en trok zijn hand terug toen de muur witheet werd. De grond onder zijn voeten rommelde, en zijn ogen werden groot van schrik. Hij draaide zich om toen er naast hem een scheur ontstond, veroorzaakt door Perijn. Op dat ogenblik zag Perijn dat Slachter geloofde – slechts heel even – dat de nachtmerrie echt was. Slachter stapte weg bij de scheur en hief zijn hand tegen de hitte, gelovend dat het echt was.
De man verdween in een oogwenk en verscheen weer naast de mensen die aan de rand van de kloof hingen. De nachtmerrie nam hem in zich op, zoog hem mee in de grillen ervan, liet hem een rol spelen in de verschrikkingen. Het sleepte Perijn ook bijna mee. Hij voelde dat hij wankelde, bijna reageerde op de hitte. Maar nee. Springer was stervende. Hij zou niet falen!
Perijn stelde zich voor dat hij iemand anders was. Azi Altone, een van de mannen uit Tweewater. Hij hulde zich in de kleding die hij op de straten had gezien: een vest en een wit hemd, een mooiere broek dan een man zou dragen tijdens het werk in Emondsveld. Deze stap werd hem bijna te veel. Zijn hart ging sneller kloppen en hij struikelde toen de grond beefde. Als hij zich volledig liet meeslepen in de nachtmerrie, zou hij net zo eindigen als Slachter. Nee, dacht Perijn, en hij dwong zichzelf vast te houden aan de herinnering aan Faile in zijn hart. Zijn thuis. Zijn gezicht mocht dan misschien veranderen, de wereld mocht dan beven, maar zij was nog steeds zijn thuis.
Hij rende naar de rand van de kloof, naar de hitte toe, en deed alsof hij gewoon deel uitmaakte van de nachtmerrie. Hij schreeuwde angstig en reikte omlaag om de mensen te helpen die aan de rand hingen. Hoewel hij naar iemand anders reikte, vloekte Slachter en pakte zijn arm om zichzelf op te trekken.
En terwijl hij zich ophees, greep Perijn de ter’angreaal. Slachter kroop over hem heen en bereikte de betrekkelijke veiligheid van de steeg. Onopvallend liet Perijn een mes in zijn andere hand verschijnen. ‘Het Licht brande me,’ grauwde Slachter. ‘Ik haat die dingen.’ De grond om hem heen veranderde plotseling in plaveistenen. Perijn werkte zich met behulp van de staf overeind en deed alsof hij bang was; dat kostte niet al te veel moeite. Hij begon langs Slachter te strompelen. Op dat ogenblik keek de man met het harde gezicht omlaag en zag de ter’angreaal in Perijns hand. Zijn ogen werden groot. Perijn ramde zijn mes in Slachters buik. De man schreeuwde, duikelde naar achteren en drukte zijn hand tegen de wond. Er liep bloed tussen zijn vingers door. Slachter klemde zijn tanden opeen. De nachtmerrie boog zich om hem heen. Hij zou zo meteen barsten. De grote man kwam overeind en liet zijn bebloede hand zakken, zijn ogen fonkelend van woede. Perijn voelde zich wankel, zelfs met de staf. Hij was ernstig gewond geraakt. De grond beefde. Een scheur opende zich in de grond naast hem, met stomende hitte en lava, als...
Perijn schrok. Als de Drakenberg! Hij keek naar de ter’angreaal in zijn hand. De angstdromen van mensen zijn sterk, fluisterde Springers stem in Perijns geest. Ontzettend sterk...
Terwijl Slachter naar hem toe kwam, klemde Perijn zijn kaken op elkaar en smeet de ter’angreaal in de rivier van lava. ‘Nee!’ schreeuwde Slachter toen de werkelijkheid om hem heen terugkeerde. De nachtmerrie barstte uiteen en de laatste flarden verdwenen. Perijn bleef op zijn knieën op de koude tegels in een smalle gang achter.
Een stukje rechts van hem lag een gesmolten brok metaal op de grond. Perijn glimlachte.
Net als Slachter was de ter’angreaal hier vanuit de echte wereld. En net als een mens kon hij hier worden gebroken en vernietigd. Boven hen was de violetkleurige koepel verdwenen.