Выбрать главу

Slachter grauwde, stapte naar voren en schopte Perijn in zijn maag. Zijn borstwond vlamde op. Er volgde nog een trap. Perijn werd duizelig.

Ga hier weg, Jonge Stier, riep Springer hem met zwakke stem toe.

Vlucht!

Ik kan jou niet achterlaten!

Maar toch... moet ik jou achterlaten.

Nee!

Je hebt je antwoord gevonden. Ga op zoek naar Tomeloos. Hij zal... het uitleggen... dat antwoord.

Perijn knipperde tranen weg toen hij nog een trap kreeg. Hij schreeuwde hees toen Springers gedachten – zo geruststellend, zo vertrouwd – uit zijn geest vervaagden. Weg.

Perijn schreeuwde van verdriet. Zijn stem was schor en zijn ogen stonden vol tranen toen hij zich uit de wolfsdroom wegstuurde. En hij voelde zich een ontzettende lafaard.

Egwene werd met een zucht wakker. Met haar ogen nog gesloten ademde ze in. De strijd tegen Mesaana had haar geestelijk erg belast; ze had nu een knallende hoofdpijn. Ze was daar bijna verslagen. Haar plannetjes hadden gewerkt, maar het gewicht van wat er was gebeurd had haar in een peinzende stemming gebracht, en zelfs een beetje overstelpt.

Toch was het een grote overwinning geweest. Ze zou de Witte Toren moeten laten doorzoeken om de vrouw te vinden die zou ontwaken met de geest van een klein kind. Ze wist op de een of andere manier zeker dat dit iets was wat Mesaana nooit meer te boven zou komen. Ze had dat al geweten voordat Bair haar verhaal had gedaan.

Egwene opende haar ogen in een behaaglijk donkere kamer. Ze was voornemens om de Zaal bijeen te roepen en uit te leggen waarom Shevan en Carlinya nooit meer wakker zouden worden. Terwijl ze rechtop ging zitten, nam ze even een ogenblik om over hen te treuren. Ze had hun op de gevaren gewezen, maar toch had ze het gevoel dat ze die vrouwen in de steek had gelaten. En Nicola, die altijd sneller wilde gaan dan goed voor haar was. Ze had daar niet moeten zijn. Het...

Ze aarzelde. Wat rook ze toch? En had ze geen lamp aan gelaten? Hij moest zijn uitgegaan. Egwene omhelsde de Bron en weefde een lichtbol die ze boven haar hand liet zweven. Ze was stomverbaasd over het tafereel dat werd onthuld.

De doorschijnende gordijnen rondom haar bed waren besproeid met bloed, en er lagen vijf lichamen op de vloer. Drie ervan waren in het zwart gekleed. Een van hen was een jongeman die ze niet kende, in de tabberd van de Torenwacht. De laatste droeg een mooie wit met rode jas en broek. Gawein!

Egwene sprong uit bed en knielde naast hem neer, waarbij ze haar hoofdpijn vergat. Hij ademde onregelmatig en had een gapende wond in zijn zij. Ze weefde Aarde, Geest en Lucht tot een Heling, maar ze was verre van vaardig op dat gebied. Ze werkte toch door, in paniek. Hij kreeg weer wat kleur op zijn wangen en de wonden begonnen zich te sluiten, maar ze kon bij lange na niet genoeg voor hem doen.

‘Help!’ riep ze. ‘De Amyrlin heeft hulp nodig!’

Gawein bewoog zich. ‘Egwene,’ fluisterde hij terwijl zijn ogen trillend opengingen.

‘Stil, Gawein. Alles komt goed. Hulp! Naar de Amyrlin!’

‘Je... je had niet genoeg lampen aan gelaten,’ fluisterde hij. ‘Wat?’

‘De boodschap die ik had gestuurd...’

‘We hebben geen boodschap ontvangen,’ zei ze. ‘Stil nu. Help!’

‘Er is niemand. Ik heb geroepen. De lampen... Het is goed... dat je niet...’ Hij glimlachte versuft. ‘Ik hou van je.’

‘Stil nu maar,’ zei ze. Licht! Ze huilde.

‘De moordenaars waren dus niét je Verzakers,’ zei hij met dikke tong. ‘Ik had gelijk.’

En dat leek inderdaad zo; wat waren dat voor onbekende zwarte uniformen? Seanchaanse?

Ik had dood kunnen zijn, besefte ze. Als Gawein die moordenaars niet had tegengehouden, zou ze in haar slaap zijn vermoord en zijn verdwenen uit Tel’aran’rhiod. Dan had ze Mesaana nooit kunnen verslaan.

Plotseling voelde ze zich een dwaas en verdween haar overwinningsgevoel volkomen.

‘Het spijt me,’ zei Gawein, die zijn ogen liet dichtvallen, ‘dat ik je ongehoorzaam was.’ Hij glipte weg.

‘Het geeft niet, Gawein,’ zei ze, en ze knipperde tranen weg. ‘Ik ga je nu binden. Het is de enige manier.’

Zijn greep op haar arm werd iets sterker. ‘Nee. Behalve als... je wilt...’

‘Stommerd,’ zei ze, en ze bereidde de wevingen voor. ‘Natuurlijk wil ik je als mijn Zwaardhand. Dat heb ik altijd gewild.’

‘Zweer het.’

‘Ik zweer het. Ik zweer dat ik je als Zwaardhand wil, en als echtgenoot.’ Ze legde haar hand op zijn voorhoofd en liet de weving over hem neerdalen. ‘Ik hou van je.’

Hij zoog zijn adem naar binnen. Ineens bespeurde ze zijn gevoelens en zijn pijn alsof het de hare waren. En op haar beurt wist ze dat hij de waarheid van haar woorden nu aanvoelde.

Perijn opende zijn ogen en haalde diep adem. Hij huilde. Huilden mensen ook in hun slaap als ze gewone dromen hadden? ‘Het Licht zij geprezen,’ zei Faile. Hij keek opzij en zag dat zij daar knielde, samen met iemand anders. Masuri?

De Aes Sedai greep Perijns hoofd tussen haar handen, en Perijn voelde de ijzige kou van de Heling over hem heen spoelen. De wonden in zijn been en borst sloten zich.

‘We hebben geprobeerd je te Helen terwijl je sliep,’ zei Faile, die Perijns hoofd op haar schoot wiegde. ‘Maar Edarra hield ons tegen.’

‘Het is niet verstandig. En het zou toch niet zijn gelukt.’ Dat was de stem van de Wijze. Perijn hoorde haar ergens in de tent. Hij knipperde met zijn ogen. Hij lag op zijn slaapvlonder. Het schemerde buiten.

‘Ik heb meer dan een uur geslapen,’ zei hij. ‘Jullie hadden al weg moeten zijn.’

‘Stil,’ zei Faile. ‘De Poorten werken weer, en bijna iedereen is erdoor. Er zijn nog maar een paar duizend soldaten over; voornamelijk Aiel en mannen uit Tweewater. Dacht je dat ze zouden vertrekken, dat ik zou vertrekken, zonder jou?’

Hij ging zitten en voelde aan zijn voorhoofd. Het was vochtig van het zweet. Hij probeerde het te laten verdwijnen zoals in de wolfsdroom. Dat lukte natuurlijk niet. Edarra stond bij de achterste tentwand, achter hem. Ze keek hem afgemeten aan. Hij wendde zich tot Faile. ‘We moeten hier weg,’ zei hij hees. ‘Slachter werkt vast niet alleen. Er zal wel een valstrik zijn, waarschijnlijk een leger. Iemand met een leger. Ze kunnen elk ogenblik toeslaan.’

‘Kun je staan?’ vroeg Faile.

‘Ja.’ Hij voelde zich zwak, maar hij redde het, met de hulp van Faile. De tentflap ruiste en Chiad kwam binnen met een waterbuidel. Perijn pakte hem dankbaar aan en dronk eruit. Het water leste zijn dorst, maar de pijn gloeide nog in hem.

Springer... Hij liet de waterbuidel zakken. In de wolfsdroom was de dood definitief. Waar zou Springers ziel naartoe gaan? Ik moet doorgaan, dacht Perijn. Mijn mensen in veiligheid brengen. Hij liep naar de uitgang van de tent. Zijn benen voelden al sterker. ‘Ik zie je verdriet, echtgenoot,’ zei Faile, die meeliep en haar hand op zijn arm legde. ‘Wat is er gebeurd?’

‘Ik heb een vriend verloren,’ zei Perijn zacht. ‘Voor de tweede keer.’

‘Springer?’ Ze rook angstig.

‘Ja.’

‘O, Perijn, wat vreselijk.’ Haar stem klonk teder toen ze de tent uit stapten en de wei betraden waar zijn troepen hadden gekampeerd. Op het geelbruine gras waren nog de indrukken te zien van tenten, paden die in wijde kriskraspatronen in de modder waren uitgesleten. Het leek wel de indeling van een stadje, met platgetrapte delen voor gebouwen en strepen die wegen vormden. Maar er waren nu bijna geen mensen meer.

De rommelende hemel was donker. Chiad hield een lantaarn omhoog om het gras voor hen te verlichten. Enkele groepen soldaten stonden te wachten. Speervrouwen tilden hun speren hoog op toen ze hem zagen en sloegen ermee op hun schilden. Een teken van goedkeuring.

De mannen uit Tweewater waren er ook, samendrommend terwijl het nieuws zich verspreidde. Hoeveel konden ze raden van wat hij vanavond had gedaan? De mannen juichten en Perijn knikte naar hen, maar hij voelde zich gespannen. Dat verkeerde hing nog steeds in de lucht. Hij had aangenomen dat het werd veroorzaakt door de droomprikker, maar kennelijk had hij zich vergist. De lucht rook hier net als in de Verwording.