Выбрать главу

De Asha’man stonden op de plek waar het midden van het kamp was geweest. Ze draaiden zich om toen Perijn naderde en salueerden met hun hand tegen hun borst. Ze oogden nog steeds fit, ook al hadden ze zojuist bijna het hele kamp verplaatst.

‘Haal ons hier weg, mannen,’ droeg Perijn hun op. ‘Ik wil hier geen minuut langer blijven.’

‘Ja, heer,’ zei Gradi gretig. Hij kreeg een uitdrukking van concentratie op zijn gezicht en een kleine Poort opende zich naast hem. ‘Erdoor,’ zei Perijn, wuivend naar de mannen uit Tweewater. Ze staken snel over. De Speervrouwen en Gaul wachtten bij Perijn, net als Elyas.

Licht, dacht Perijn, turend over het veld waar ze hadden gekampeerd. Ik voel me net een muis die door een havik in de gaten wordt gehouden.

‘Je kunt zeker niet een beetje licht maken?’ vroeg Perijn aan Neald, staand naast de Poort.

De Asha’man hield zijn hoofd schuin en enkele gloeibollen verschenen om hem heen. Ze suisden de lucht boven de wei in. Ze verlichtten niets. Alleen maar de verlaten kampeerplek. De laatste soldaten liepen eindelijk door de Poort. Perijn en Faile stapten erdoor, gevolgd door Gaul, Elyas en de Speervrouwen. Uiteindelijk liepen ook de geleiders samen de Poort door.

De lucht aan de andere kant van de Poort was koel en rook verfrissend zuiver. Perijn had niet beseft hoezeer die kwaadaardige geur hem had dwarsgezeten. Hij inhaleerde diep. Ze stonden op een heuvel, op enige afstand van vele lichtjes bij een rivier, waarschijnlijk die van Wittebrug.

Zijn soldaten juichten toen hij naar buiten stapte. Het grote kamp was al grotendeels opgezet en er stonden wachtposten. De Poort gaf toegang tot een groot terrein aan de achterzijde, afgezet met palen. Ze waren ontkomen. De prijs was hoog geweest, maar ze waren ontkomen.

Graendal zat onderuitgezakt in haar stoel. De leren kussens waren gevuld met het dons van jonge kallir, die in deze Eeuw alleen nog in Shara leefden. Ze merkte de weelde amper op. De dienaar – door Moridin aan haar geleend – zat op zijn knie voor haar. Zijn ogen waren stormachtig en slechts half neergeslagen. Hij werd in bedwang gehouden, maar het scheelde niet veel. Hij wist dat hij enig in zijn soort was.

Hij scheen ook te weten dat zijn falen op haar schouders zou belanden. Graendal zweette niet. Daar was ze te beheerst voor. De luiken voor het venster in de grote, met rood betegelde ruimte knalden plotseling open, een koude zeewind blies door de kamer en doofde meerdere lampen. Slierten rook stegen op van de lonten.

Ze zou mét falen.

‘Bereid toch het dichtklappen van de valstrik voor,’ beval ze. ‘Maar...’ begon de dienaar.

‘Doe het, en bied geen tegenspraak aan een Uitverkorene, hond.’ De dienaar sloeg zijn ogen neer, hoewel er nog steeds een opstandige fonkeling in te zien was.

Onbelangrijk. Ze had nog steeds één hulpmiddel over, en dat had ze heel zorgvuldig geplaatst. Ze had het voorbereid voor een tijdstip als dit.

Het moest voorzichtig gebeuren. Aybara was ta’veren, en wel zo sterk dat het angstaanjagend was. Pijlen die van verre op hem af werden geschoten, zouden hem niet raken, en in een tijd van vredige overpeinzing zou hij gewaarschuwd zijn en ontsnappen. Ze had een storm nodig, met hem in het midden ervan. En dan zou de valstrik dichtslaan. Dit is nog niet voorbij, gevallen smid. Nog lang niet, bezwoer ze zichzelf.

39

In het Drievoudige Land

Aviendha voelde zich weer goed. Het Drievoudige Land had een kalmerende volmaaktheid. Natlanders vonden de uniforme kleuren van het landschap saai, maar Aviendha vond ze mooi. Eenvoudig donker- en lichtbruin. Die kleuren waren vertrouwd en standvastig, niet zoals in de natlanden, waar zowel het landschap als het weer doorlopend veranderde. Ze rende voort in de invallende nacht, elke voet landend op stoffige grond. Voor het eerst in vele maanden had ze het gevoel dat ze echt alleen was. In de natlanden had ze altijd de indruk dat ze in de gaten werd gehouden door een vijand die ze niet kon zien of aanvallen.

Niet dat het in het Drievoudige Land veiliger was. Verre van. Dat stuk schaduw onder die nadrastruik was het hol van een dodelijke slang. Als je de dunne takken aanraakte, sloeg de slang toe; ze had vijf mannen zien sterven door zo’n beet. Het hol was slechts een van de vele gevaren die ze op haar weg naar Rhuidean tegenkwam. Maar dat waren begrijpelijke gevaren. Ze kon ze zien, inschatten en vermijden. Als ze stierf door een slangenbeet of ten prooi viel aan de warmte hier, dan was het haar eigen schuld.

Het was altijd beter om je vijand of gevaar te kunnen zien; beter dan te vrezen wat zich verborg achter de gezichten van leugenachtige natlanders.

Ze rende verder, ondanks het afnemende licht. Het was fijn om weer te zweten. Mensen zweetten niet voldoende in de natlanden: misschien waren ze daarom zo vreemd. In plaats van zich door de zon te laten warmen, zochten ze verkoeling. In plaats van naar een fatsoenlijke zweettent te gaan om schoon te worden, dompelden ze zich onder in water. Dat kon nooit gezond zijn.

Ze zou niet tegen zichzelf liegen. Aviendha had zelf ook gebruikgemaakt van die weelde, en ze was gaan genieten van de baden en mooie gewaden die Elayne haar opdwong. Je moest je zwaktes onder ogen zien voordat je ze kon overwinnen. Terwijl ze nu over de glooiende aarde van het Drievoudige Land rende, was Aviendha’s perspectief hersteld.

Uiteindelijk hield ze in. Hoe verleidelijk het ook was om ’s nachts te reizen en door de hitte van overdag heen te slapen, het was onverstandig. Eén misstap in het donker kon het einde van je leven betekenen. Ze verzamelde snel wat dode takstruiken en ina’tabast en maakte een kamp voor zichzelf naast een reusachtige steen. Weldra had ze een vuurtje aan de gang en weerkaatste het oranje licht tegen de rotsen die boven haar uittorenden. Ze had eerder een kleine schildrug gedood, die ze nu uitbeende, vilde en aan het spit reeg. Niet bepaald een verfijnde maaltijd, maar wel voedzaam. Aviendha ging zitten, keek naar het knetterende vuur en snoof de geur van het vlees op. Ja, ze was blij dat ze niet rechtstreeks naar Rhuidean was Gereisd maar de tijd had genomen – hoe kostbaar die ook was – om door het Drievoudige Land te rennen. Het hielp haar inzien wat ze was geweest en wat ze was geworden. Aviendha de Speervrouwe was niet meer. Ze had haar pad als Wijze omhelsd, en dat bracht haar eer terug. Ze had weer een doel. Als Wijze kon ze helpen haar volk door deze tijd vol beproevingen te leiden. Als dit eenmaal voorbij was, zou haar volk moeten terugkeren naar het Drievoudige Land. Elke dag in de natlanden maakte hen zwakker; zijzelf was daar een uitstekend voorbeeld van. Ze was daar zacht geworden. Hoe kon je daar mét zacht worden? Ze zouden het moeten verlaten. Binnenkort.

Ze glimlachte, leunde achterover en sloot haar ogen even om de vermoeidheid van de dag van zich af te laten glijden. Haar toekomst leek zoveel helderder. Ze zou naar Rhuidean gaan, tussen de kristallen pilaren door lopen, dan terugkeren en haar deel van Rhands hart opeisen. Ze zou strijden in de Laatste Slag. Ze zou de overblijvende Aiel helpen en hen daarna naar huis brengen, waar ze hoorden. Er klonk een geluid buiten haar kamp.

Aviendha opende haar ogen, sprong op en omhelsde de Bron. Een deel van haar was blij dat ze zich nu instinctief tot de Ene Kracht wendde in plaats van naar speren te grijpen die ze niet had. Ze weefde een lichtbol.

Een vrouw, gekleed als een Aiel, stond in de duisternis vlakbij. Ze was niet gehuld in een cadin’sor of de kleding van een Wijze, maar in gewone kleren. De vrouw droeg een donkere rok, een lichtbruin hemd met een omslagdoek, en een hoofddoek om haar grijzende haar. Ze was van middelbare leeftijd en had geen wapens bij zich. Ze stond heel stil.

Aviendha keek naar links en rechts. Was dit een hinderlaag? Of was die vrouw een geest? Een van de wandelende doden? Waarom had Aviendha haar niet horen naderen?