Выбрать главу

‘Ik...’

‘Het spijt me,’ zei Nakomi. ‘Ik ratel maar door. Dat doe ik wel vaker, vrees ik. Kom, we gaan eten.’

Aviendha schrok. Die wortels konden toch nog niet klaar zijn? Maar Nakomi trok ze uit het vuur, en ze roken heerlijk. Ze sneed de schildrug aan stukken en viste twee tinnen borden uit haar ransel. Ze kruidde het vlees en de wortels en gaf Aviendha een bord aan. Ze proefde het aarzelend. Het eten was heerlijk. Overheerlijk, zelfs. Beter dan vele feestmaaltijden die ze had meegemaakt in mooie paleizen in de natlanden. Ze staarde stomverbaasd naar haar bord. ‘Als je me wilt verontschuldigen,’ zei Nakomi, ‘ik moet even een roep van de natuur beantwoorden.’ Ze glimlachte, stond op en schuifelde het donker in.

Aviendha at snel, verontrust door wat er was gezegd. Was een heerlijk maal zoals dit, gekookt boven een vuur en gemaakt van nederige ingrediënten, geen bewijs dat de weelde van de natlanden niet nodig was?

Maar wat was nu het doel van de Aiel? Als ze niet wachtten op de Car’a’carn, wat deden ze dan? Vechten, ja. En daarna? Doorgaan elkaar te doden tijdens strooptochten? Waarvoor? Ze at haar bord leeg en dacht toen een hele tijd na. Te lang. Nakomi was nog niet verschenen. Ongerust ging Aviendha naar haar op zoek, maar ze vond geen spoor van de vrouw. Toen ze terugkeerde bij het vuur zag Aviendha dat Nakomi’s ransel en bord weg waren. Ze wachtte nog een tijdje, maar de vrouw keerde niet terug. Uiteindelijk viel Aviendha onrustig in slaap.

40

Een werkstuk

Perijn zat alleen op een boomstronk, met zijn ogen dicht en zijn gezicht naar de donkere hemel geheven. Het kamp was opgebouwd, de Poort gesloten en verslagen in ontvangst genomen. Perijn had eindelijk tijd om te rusten. Dat was gevaarlijk. Als hij rustte, dacht hij na. Nadenken riep herinneringen op. Herinneringen deden pijn.

Hij rook de wereld in de wind. Lagen van geuren, door elkaar heen wervelend. Het kamp om hem heen: bezwete mensen, kookkruiden, zeep, paardenmest, gevoelens. De omringende heuvels: droge dennennaalden, modder van een rivier, het karkas van een dood dier. De wereld daarbuiten: stofsporen van een verre weg, een lavendelstruik die standhield in een stervende wereld.

Er was geen stuifmeel. Er waren geen wolven. Beide leken hem heel slechte voortekens.

Hij voelde zich misselijk. Echt lichamelijk ziek, alsof zijn maag vol zat met blubberig moeraswater, rottend mos en stukjes dode kevers. Hij kon wel schreeuwen. Hij wilde op zoek gaan naar Slachter en hem doden, met zijn vuisten op het gezicht van die kerel beuken tot het bloed eruit spoot.

Er naderden voetstappen. Faile. ‘Perijn? Wil je praten?’ Hij opende zijn ogen. Hij zou moeten huilen, schreeuwen. Maar hij was zo verkild. Kou en woede. Die twee gingen \joor hem niet samen.

Zijn tent was vlakbij opgezet; de tentflappen wapperden in de wind.

Verderop zat Gaul tegen een jonge lederbladboom aan. In de verte was een van de hoefsmeden nog laat aan het werk. Er galmden zachte hamerslagen door de nacht. ‘Ik heb gefaald, Faile,’ fluisterde Perijn.

‘Je hebt de ter’angreaal te pakken gekregen,’ zei ze, en ze knielde naast hem neer. ‘Je hebt je mensen gered.’

‘En toch heeft Slachter ons verslagen,’ zei hij bitter. ‘Een roedel van vijf was niet voldoende om hem te verslaan.’

Perijn had zich ook zo gevoeld toen hij zijn familie dood had aangetroffen, vermoord door Trolloks. Hoeveel zou de Schaduw hem nog afnemen voordat dit voorbij was? Springer had veilig moeten zijn in de wolfsdroom. Domme welp, domme welp.

Had er echt een valstrik voor Perijns leger bestaan? Slachters droomprikker was misschien wel voor iets heel anders bedoeld geweest. Of gewoon toeval.

Toeval bestaat niet voor ta’veren...

Hij had een uitlaatklep nodig voor zijn woede en verdriet. Hij stond op en draaide zich om, en was verbaasd te zien hoeveel licht er nog brandde in het kamp. Een groep mensen wachtte een stukje verderop, zo ver weg dat hij hun afzonderlijke geuren niet had opgevangen. Alliandre in een goudkleurig gewaad. Berelain in het blauw. Beiden zaten op stoelen aan een kleine houten reistafel waar een lantaarn op stond. Elyas zat op een steen naast hen en sleep zijn mes. Twaalf mannen uit Tweewater – onder hen Wil Alseen, Jon Ayellin en Grayor Frenn – zaten ineengedoken rond een vuurkuil en keken naar hem. Zelfs Arganda en Gallenne waren er, zachtjes in gesprek. ‘Ze horen te slapen,’ zei Perijn.

‘Ze zijn bezorgd om je,’ antwoordde Faile. Zij rook ook ongerust. ‘En ze zijn bang dat je hen zult wegsturen nu de Poorten weer werken.’

‘Dwazen,’ fluisterde Perijn. ‘Dwazen, dat ze mij volgen. Dwazen, dat ze zich niet verstoppen.’

‘Zou je echt willen dat ze dat deden?’ vroeg Faile boos. ‘Zich ergens verstoppen terwijl de Laatste Slag plaatsvindt? Had je niet gezegd dat iedere man nodig zou zijn?’

Ze had gelijk. Elke man zou nodig zijn. Hij besefte dat een deel van zijn frustratie voortkwam uit het feit dat hij niet wist waar hij nu eigenlijk aan was ontkomen. Waarvoor was Springer gestorven? Perijn voelde zich blind omdat hij het plan van de vijand niet kende. Hij liep weg van de stronk, naar de plek waar Arganda en Gallenne stonden te praten. ‘Haal onze kaart voor me op,’ zei hij, ‘van de Jehannaweg.’

Arganda riep Hirshanin en vertelde hem waar hij de kaart kon vinden. Hirshanin rende weg, en Perijn begon aan een wandeling door het kamp. Naar het geluid van metaal op metaal, de hoefsmid die aan het werk was. Perijn leek ertoe te worden aangetrokken. De geuren van het kamp wervelden om hem heen, en boven hem rommelde het in de lucht.

De anderen volgden hem. Faile, Berelain en Alliandre, mannen uit Tweewater, Elyas, Gaul. De groep waste aan toen andere mannen uit Tweewater zich erbij aansloten. Niemand sprak. Perijn negeerde hen en liep door tot bij Aemin de smid. De man was aan het werk bij een aambeeld. Naast hem stond een van de verplaatsbare smidsovens van het kamp opgesteld, die brandde met een rode gloed. Hirshanin haalde Perijn in toen hij aankwam en overhandigde hem de gevraagde kaart. Perijn rolde hem uit en hield hem voor zich omhoog terwijl Aemin zijn werk onderbrak, met een nieuwsgierige geur. ‘Arganda, Gallenne,’ zei Perijn. ‘Vertel eens. Als jullie de beste hinderlaag wilden opzetten voor een grote groep die over deze weg naar Lugard reisde, waar zou je dat dan doen?’

‘Daar,’ zei Arganda zonder aarzeling, wijzend naar een plek op enkele uren afstand van waar ze hadden gekampeerd. ‘Zie je, hier? De weg maakt een bocht langs een oude, opgedroogde rivierbedding. Een leger dat hier langskomt, zou kwetsbaar zijn voor zo’n hinderlaag; je zou ze hier en hier van boven af kunnen aanvallen.’ Gallenne knikte. ‘Ja. Dit hier staat aangegeven als een uitstekende plek om met een grote groep te kamperen. Onder aan de heuvel, waar de weg een bocht maakt. Maar als iemand daarboven je kwaad wil doen, word je de volgende morgen misschien niet meer wakker.’ Ten noorden van de weg rezen de hoogten met hun vlakke toppen op. De oude rivierbedding had een breed, vlak pad uitgesleten, dat in zuidelijke en westelijke richting liep. Je kon een heel leger kwijt op die hoogten.

‘Wat zijn dat?’ vroeg Perijn, wijzend naar enkele tekens ten zuiden van de weg.

‘Oude ruïnes,’ zei Arganda. ‘Niets belangrijks; ze zijn veel te ver afgesleten om dekking te bieden. Eigenlijk alleen maar een paar met mos begroeide rotsblokken.’

Perijn knikte. Hij begon zich een beeld te vormen. ‘Slapen Gradi en Neald al?’ vroeg hij.

‘Nee,’ antwoordde Berelain. ‘Ze zeiden dat ze wakker wilden blijven, gewoon voor het geval dat. Ik denk dat ze zijn geschrokken van je stemming.’