Выбрать главу

‘Laat ze halen,’ zei Perijn tegen niemand in het bijzonder. ‘Een van hen moet gaan kijken bij het Witmantelleger. Ik meen me te herinneren dat iemand had gezegd dat ze hun kamp hadden opgebroken.’ Hij wachtte niet af of zijn bevel werd opgevolgd, maar stapte naar de smidsoven toe en legde zijn hand op Aemins schouder. ‘Ga slapen, Aemin. Ik neem het wel van je over. Hoefijzers, nietwaar?’ De man knikte stomverbaasd. Perijn pakte zijn schort en handschoenen van hem aan en Aemin vertrok. Perijn greep zijn eigen hamer. De hamer die hij in Tyr had gekregen, een hamer die was gebruikt om te doden, maar die al ontzettend lang niet meer was gebruikt om mee te scheppen.

De hamer kon een wapen of een stuk gereedschap zijn. Perijn had de keus, net zoals iedereen die hem volgde de keus had. Springer had een keus gehad. De wolf had die keus gemaakt en ter verdediging van het Licht meer in de waagschaal gelegd dan enig mens – behalve Perijn – ooit zou begrijpen.

Met de tang haalde Perijn een eindje metaal uit de kolen en legde het op het aambeeld. Hij hief zijn hamer en begon te slaan. Het was lang geleden dat hij zijn weg naar een smidsoven had gevonden. In feite was de laatste keer dat hij zich kon herinneren echt werk te hebben gedaan in Tyr geweest, op die vredige dag toen hij korte tijd zijn verantwoordelijkheden had laten liggen en bij die smidse had gewerkt.

]e bent net een wolf, echtgenoot. Faile had dat tegen hem gezegd, verwijzend naar hoe aandachtig hij kon zijn. Dat was iets van wolven; ze kenden het verleden en de toekomst, maar toch hielden ze hun aandacht bij de jacht. Kon hij datzelfde doen? Zichzelf laten verteren als het nodig was, maar het evenwicht bewaren in andere delen van zijn leven?

Het werk begon hem in beslag te nemen. Het ritmische slaan van de hamer op het metaal. Hij sloeg het stuk ijzer plat, legde het af en toe terug in de kolen en pakte een ander stuk, werkend aan meerdere hoefijzers tegelijk. De lijst met afmetingen voor de verschillende hoefijzers die nodig waren, lag vlakbij. Langzaam boog hij het metaal tegen de zijkant van het aambeeld en vormde het. Zijn armen begonnen te zweten, zijn gezicht werd warm van het vuur en het werk. Neald en Gradi kwamen aan, samen met de Wijzen en Masuri. Terwijl Perijn verder werkte, zag hij dat ze Sulin door een Poort stuurden om bij de Witmantels te gaan kijken. Ze keerde korte tijd later terug, maar wachtte met haar verslag, aangezien Perijn druk was met zijn werk.

Perijn stak een hoefijzer omhoog en fronste zijn voorhoofd. Dit werk was niet moeilijk genoeg. Het was kalmerend, dat wel, maar vandaag verlangde hij naar een grotere uitdaging. Hij voelde de behoefte om iets te scheppen, als om tegenwicht te bieden aan de vernietiging die hij in de wereld had gezien, de vernietiging die hij mede had aangericht. Er lagen meerdere stukken onbewerkt staal opgestapeld naast de oven, beter materiaal dan er voor hoefijzers werd gebruikt. Die lagen waarschijnlijk te wachten om te worden omgesmeed tot zwaarden voor de voormalige vluchtelingen.

Perijn pakte een paar van die stukken staal en legde ze in de kolen. Deze oven was niet zo goed als waar hij aan gewend was; hoewel hij een blaasbalg had, koelde de wind het metaal snel af en werden de kolen niet zo heet als hij zou willen. Hij keek ontevreden toe. ‘Daar kan ik u bij helpen, heer Perijn,’ zei Neald, die naar hem toe stapte. ‘Het metaal verhitten, bedoel ik.’

Perijn keek hem aan en knikte. Hij plukte met een tang een stuk metaal uit de kolen en stak het omhoog. ‘Ik wil dat het mooi geel-rood wordt. Maar niet zo heet dat het wit wordt.’

Neald knikte. Perijn legde de staaf op het aambeeld, pakte zijn hamer en begon weer te slaan. Neald kwam naast hem staan en concentreerde zich op het metaal.

Perijn verloor zichzelf in het werk. Het staal smeden. Al het andere verdween naar de achtergrond. De ritmische klappen van de hamer op het metaal, als het bonzen van zijn hart. Dat glanzende metaal, warm en gevaarlijk. In die concentratie vond hij helderheid. De wereld scheurde, brak elke dag verder. De wereld had hulp nodig, en wel nu. Als iets eenmaal brak, kon je het niet meer in elkaar zetten. ‘Neald,’ vroeg Gradi. Het klonk dringend, maar voor Perijn was het ver weg. ‘Neald, wat doe je?’

‘Weet ik niet,’ antwoordde Neald. ‘Het voelt goed.’ Perijn bleef slaan, harder en harder. Hij vouwde het metaal, plette de stukken op elkaar. Het was heerlijk hoe de Asha’man het op exact de juiste temperatuur hield. Daardoor hoefde Perijn niet te vertrouwen op slechts een paar ogenblikken van volmaakte temperatuur tussen het verhitten door.

Het metaal leek wel te vloeien, bijna alsof het uitsluitend door zijn wil vorm kreeg. Wat maakte hij eigenlijk? Hij pakte de andere twee stukken uit de kolen en begon af te wisselen tussen de drie. Het eerste – en grootste – vouwde hij om en om, vormde het met een proces dat krimpen werd genoemd en waarbij hij de diameter vergrootte. Hij maakte er een grote bal van en voegde er toen nog meer staal aan toe, tot het bijna zo groot was als een mannenhoofd. Het tweede stuk metaal rekte hij uit, maakte hij lang en dun en vouwde hij vervolgens om tot een smalle staaf. Het laatste, kleinste stuk sloeg hij plat.

Hij ademde in en uit en zijn longen werkten als blaasbalgen. Zijn zweet was als het blussende water. Zijn armen waren net het aambeeld. Hij was de smidsoven.

‘Wijzen, ik heb een cirkel nodig,’ zei Neald indringend. ‘Nú. Geen tegenwerpingen! Ik heb hem nodig!’

Vonken begonnen in het rond te vliegen terwijl Perijn hamerde. Met elke slag werden de vonkenregens groter. Hij voelde iets uit hem weglekken, alsof elke klap het metaal doordrong van zijn eigen kracht, en ook zijn eigen gevoel. Zowel zorgen als hoop. Ze vloeiden uit hem weg en drongen in de drie ongevormde delen. De wereld was stervende, en Perijn kon hem niet redden. Dat was Rhands taak. Perijn wilde toch alleen maar terug naar zijn eenvoudige bestaan?

Nee. Nee, hij wilde Faile, hij wilde ingewikkeldheid. Hij wilde het léven. Hij kon zich niet verstoppen, net zomin als de mensen die hem volgden zich konden verstoppen. Hij wilde hun trouw niet, maar die had hij toch. Hoe zou het voelen als iemand anders het bevel overnam en die mensen dan naar hun dood leidde? Klap na klap. Regens van vonken. Te veel, alsof hij op een emmer vol gesmolten metaal sloeg. Vonken sprongen de lucht in, vlogen van zijn hamer, bereikten de boomtoppen en verspreidden zich over tientallen passen in de omtrek. De mensen die toekeken deinsden achteruit, allemaal behalve de Asha’man en Wijzen, die om Neald heen stonden.

Ik wil hen niet aanvoeren, dacht Perijn. Maar als ik het niet doe, wie moet het dan doen? Als ik hen in de steek laat en ze sneuvelen, dan is dat mijn schuld.

Perijn zag nu wat hij aan het maken was, wat hij al die tijd al probeerde te maken. Hij vormde de grootste klont om tot een soort baksteen. Het lange deel werd een staaf, drie vingers dik. Het platte stuk werd een mof, een stuk metaal dat om de kop gewikkeld zou worden om die met de steel te verbinden.

Een hamer. Hij maakte een hamer. Dit waren de delen ervan. Nu begreep hij het.

Hij stelde zich in op zijn taak. Klap na klap. Die slagen waren zo luid. Bij elke klap leek de grond om zijn voeten te beven, rammelden er tenten. Perijn verheugde zich. Hij wist wat hij maakte. Eindelijk wist hij wat hij maakte.

Hij had er niet om gevraagd een leider te worden, maar ontsloeg hem dat van zijn verantwoordelijkheid? De mensen hadden hem nodig. De wereld had hem nodig. En, met een begrip dat in hem stolde als gesmolten steen dat zich tot een andere vorm plooide, besefte hij dat hij wilde leiden.

Als iemand heer moest zijn over die mensen, dan wilde hij dat zelf zijn. Want als je wilde dat iets goed werd gedaan, dan moest je het zelf doen.

Met een beitel en staaf maakte hij een gat midden in de kop van de hamer, toen greep hij de steel, tilde hem hoog boven zijn hoofd en ramde hem op zijn plek. Hij pakte de mof, legde de hamer erop en verbond de twee delen met elkaar. Nog maar enkele ogenblikken geleden had het werkstuk zich met zijn woede gevoed. Nu leek het te putten uit zijn vastberadenheid, zijn overtuiging. Metaal was een levend iets. Elke smid wist dat. Als je het eenmaal verhitte en ermee ging werken, lééfde het. Hij pakte zijn hamer en beitel en begon patronen en richels te vormen. Vonkenregens vlogen van hem af, het gerinkel van zijn hamer werd steeds sterker, steeds luider, galmend als een klok. Hij gebruikte zijn beitel op een brokje staal om een figuurtje te maken en legde dat boven op de hamer. Met een brul hief hij zijn oude hamer nog een laatste keer boven zijn hoofd en sloeg ermee op de nieuwe, zodat het versiersel op de zijkant van de hamer werd geperst. Een springende wolf. Perijn liet zijn gereedschap zakken. Op het aambeeld – nog gloeiend van een innerlijke hitte – lag een prachtige hamer. Een mooier werkstuk dan hij ooit had gemaakt of had gedacht te kunnen maken. Hij had een grote, sterke kop, als een slegel of moker, maar de achterzijde was gekruist en plat uitgevoerd. Als het gereedschap van een smid. Hij was vier voet lang, misschien iets langer; een ontzettend groot formaat voor een hamer van deze soort. De steel bestond helemaal uit staal, iets wat hij nooit eerder bij een hamer had gezien. Perijn pakte hem op; hij kon hem met één hand tillen, maar het scheelde niet veel. Hij was zwaar. Massief. De versiering bestond uit een kruiselings patroon met de springende wolf aan de zijkant. Hij leek op Springer. Perijn raakte hem aan met een eeltige duim, en het metaal verstilde. Het voelde nog altijd warm aan, maar hij brandde zich niet.