Hij draaide zich om en stond versteld van de menigte die zich had verzameld. Mannen uit Tweewater stonden vooraan: Jori Kongar, Azi Altone, Wil Alseen en nog honderden anderen. Geldaners, Cairhienin, Andoranen, Mayeners. Ze keken allemaal zwijgend toe. De grond rondom Perijn was zwart van de rondvliegende vonken; druppels zilverachtig metaal spreidden zich om hem heen uit als een zonnevlam.
Neald viel hijgend op zijn knieën, zijn gezicht glanzend van het zweet. Gradi en de vrouwen van de cirkel gingen zitten en leken uitgeput. Alle zes de Wijzen hadden zich bij hen aangesloten. Wat hadden ze gedaan?
Perijn was doodop, alsof al zijn kracht en gevoel in het metaal was gesmeed. Maar hij kon niet rusten. ‘Wil. Weken geleden heb ik je bevolen om alle banieren met de wolvenkop erop te verbranden. Heb je gehoorzaamd? Heb je ze allemaal vernietigd?’ Wil Alseen keek hem aan, maar wendde toen beschaamd zijn blik af. ‘Heer Perijn, ik heb het geprobeerd. Maar... Licht, ik kon het niet. Ik heb er één gehouden. Die ik zelf had helpen maken.’
‘Haal hem op, Wil,’ zei Perijn. Zijn stem klonk ook als staal. Wil rende weg, en hij rook bang. Hij keerde even later terug met een opgevouwen doek, wit met een rode rand. Perijn pakte hem aan en hield hem met een eerbiedige hand vast, met de hamer in de andere hand. Hij keek naar de menigte. Faile was erbij, met haar handen verstrengeld voor haar buik. Ze rook hoopvol. Ze kon dwars door hem heen kijken. Ze wist het.
‘Ik heb geprobeerd jullie weg te sturen.’ Perijn verhief zijn stem naar de menigte. ‘Jullie wilden niet vertrekken. Ik heb gebreken. Dat moeten jullie weten. Als we ten strijde trekken, zal ik jullie niet allemaal kunnen beschermen. Ik zal fouten maken.’
Hij keek in de menigte, keek in de ogen van de mensen die daar stonden. Elke man of vrouw die hij aankeek, knikte zwijgend. Geen spijt, geen aarzeling. Ze knikten.
Perijn haalde diep adem. ‘Als jullie dat willen, zal ik jullie trouw aanvaarden. Ik zal jullie leiden.’
Ze juichten voor hem. Een gigantisch gebrul van opwinding. ‘Guldenoog! Guldenoog de wolf! Naar de Laatste Slag!
Tai’shar Manetheren!’
‘Wil!’ brulde Perijn, en hij stak de banier omhoog. ‘Laat die vlag wapperen. Haal hem pas weer omlaag als de Laatste Slag is gewonnen. Ik marcheer onder het teken van de wolf. De rest van jullie, wek het kamp. Laat alle soldaten zich voorbereiden op de strijd. We hebben nog een taak vannacht!’
De jongeman pakte de banier en vouwde hem uit, en Jori en Azi hielpen hem zodat het doek de grond niet zou raken. Ze hielden hem hoog en renden ermee weg om een stok te gaan halen. De groep brak op toen mannen rondrenden en de oproep doorgaven. Perijn pakte Faile bij de hand toen ze naar hem toe kwam. Ze rook tevreden. ‘Dus dat is het?’
‘Geen geklaag meer,’ beloofde hij. ‘Het bevalt me niet, maar doden bevalt me ook niet. Ik zal doen wat nodig is.’ Hij keek naar het aambeeld, zwart van zijn werk. Zijn oude hamer, nu versleten en gedeukt, lag erop. Het voelde droevig om hem achter te laten, maar hij had zijn besluit genomen.
‘Wat deed jij, Neald?’ vroeg hij toen de Asha’man – die nog steeds bleek zag – zich overeind hees. Perijn tilde de nieuwe hamer op en liet hem het schitterende werk zien.
‘Ik weet het niet, heer,’ zei Neald. ‘Of eigenlijk... zoals ik al zei: het voelde gewoon goed. Ik zag wat ik moest doen, hoe ik de wevingen in het metaal moest stoppen. Het leek de wevingen naar binnen te trekken, zoals een zee het water van een rivier naar binnen zuigt.’ Hij bloosde, alsof hij het een dwaze vergelijking vond. ‘Dat klinkt wel juist,’ zei Perijn. ‘Hij heeft een naam nodig, deze hamer. Ken je veel van de Oude Spraak?’
‘Nee, heer.’
Perijn keek naar de wolf op de zijkant. ‘Weet iemand hoe je “hij die zweeft” zegt?’
‘Ik... Ik weet niet...’
‘Mah’alleinir,’ zei Berelain, die had staan kijken en nu naar voren stapte.
‘Mah’alleinir,’ herhaalde Perijn. ‘Dat klinkt goed. Sulin? Hoe zit het met de Witmantels?’
‘Ze hebben hun kamp opgeslagen, Perijn Aybara,’ antwoordde de Speervrouwe.
‘Laat zien,’ zei hij, gebarend naar Arganda’s kaart.
Ze wees de plek aan: een stuk land naast een heuvel, met hogere plekken ten noorden ervan. De weg kwam vanuit het noordoosten en liep in een bocht om het zuidelijke punt van de hoogten – langs de oude rivierbedding – en daarna zuidwaarts tot aan de kampeerplek bij de heuvel. Van daaraf ging de weg verder naar Lugard, maar het kamp werd van twee kanten beschut tegen de wind. Het was een volmaakte kampeerplek, maar ook volmaakt voor een hinderlaag.
De plek die Arganda en Gallenne hadden aangewezen. Hij keek naar die bocht en de kampeerplek en dacht aan wat er in de afgelopen weken was gebeurd. We kwamen reizigers tegen... ze zeiden dat de modder de wegen in het noorden bijna volkomen ontoegankelijk maakt voor wagens of karren...
Een kudde schapen, wegrennend voor het roedel naar de kaken van een beest. Faile en de anderen, op weg naar een klif. Licht! ‘Gradi, Neald,’ zei Perijn. ‘Ik heb een Poort nodig. Kunnen jullie dat nog?’
‘Ik denk van wel,’ antwoordde Neald. ‘Geef ons alleen even tijd om op adem te komen.’
‘Goed. Plaats hem daar.’ Perijn wees naar de hoogten boven het Witmantelkamp. ‘Gaul!’ Zoals gebruikelijk stond de Aiel vlakbij te wachten. Hij kwam aandraven. ‘Ik wil dat je overlegt met Dannil, Arganda en Gallenne. Het hele leger moet zo snel mogelijk oversteken, maar ze moeten stil zijn. Zo geruisloos als een leger van deze afmetingen maar kan zijn.’
Gaul knikte en rende weg. Gallenne was nog in de buurt; Gaul begon bij hem.
Faile keek naar Perijn, en ze rook nieuwsgierig en een beetje ongerust. ‘Wat ga je doen, echtgenoot?’
‘Het wordt tijd dat ik leiding ga geven,’ zei Perijn. Hij keek nog een laatste keer naar zijn oude hamer en legde zijn vingers op de steel. Toen hees hij Mah’alleinir op zijn schouder en beende weg, krakend over druppels hard geworden staal.
Het stuk gereedschap dat hij achterliet was de hamer van een eenvoudige smid. Die man zou altijd deel blijven uitmaken van Perijn, maar hij kon het zich niet langer veroorloven die persoon te laten leiden.
Van nu af aan zou hij de hamer van een koning bij zich dragen.
Faile streek met haar vingers over het aambeeld toen Perijn wegliep en nadere bevelen riep om het leger voor te bereiden. Besefte hij wel wat voor aanblik hij had geboden, staand te midden van die vonkenregens, terwijl bij elke klap van zijn hamer het staal op het aambeeld pulseerde en vlammend tot leven kwam? Zijn gouden ogen hadden net zo helder gefonkeld als het staal; elke klap van de hamer was bijna oorverdovend geweest.