Elyas grinnikte. ‘Die banier ziet er goed uit.’
‘Hij past bij me. Dat is altijd al zo geweest. Ik heb alleen niet altijd bij die banier gepast.’
‘Diepe gedachten, voor een smid.’
‘Misschien.’ Perijn haalde de smidspuzzel die hij in Malden had gevonden uit zijn zak. Hij had dat ding nog steeds niet uit elkaar gekregen. ‘Vind jij het ook zo vreemd dat smeden zulke eenvoudige mensen lijken, maar dat zij degenen zijn die die verrekte puzzels maken, die zo lastig uit te vogelen zijn?’
‘Zo heb ik het nooit bekeken. Dus je bent eindelijk een van ons?’
‘Nee,’ antwoordde Perijn, die de puzzel wegstopte. ‘Ik ben wie ik ben. Eindelijk.’ Hij wist niet zeker wat er binnen in hem was veranderd. Maar misschien was dat wel juist van het begin af aan het probleem geweest: dat hij daar te veel over peinsde. Hij wist dat hij zijn evenwicht had gevonden. Hij zou nooit worden zoals Noam, de man die zichzelf was verloren in de wolf. En dat was genoeg.
Perijn en Elyas wachtten een tijdje terwijl het leger langsliep. Die grotere Poorten maakten het Reizen veel gemakkelijker; ze zouden alle strijders en vrouwen er binnen een uur doorheen hebben. Mannen zwaaiden naar Perijn en roken trots. Zijn verbintenis met de wolven beangstigde hen niet. Eigenlijk leken ze minder ongerust nu ze wisten hoe het in elkaar zat. Voorheen was erover gespeculeerd, waren er vragen geweest. Nu konden ze wennen aan de waarheid. En er trots op zijn. Hun heer was geen gewone man. Hij was iets bijzonders.
‘Ik moet weg, Perijn,’ zei Elyas. ‘Vanavond, als het lukt.’
‘Weet ik. De Laatste Jacht is begonnen. Ga met hen mee, Elyas. We ontmoeten elkaar weer in het noorden.’
De oudere Zwaardhand legde zijn hand op Perijns schouder. ‘Als we elkaar daar niet zien, dan misschien in de droom, mijn vriend.’
‘Dit is de droom,’ zei Perijn glimlachend. ‘En we zullen elkaar weer zien. Ik zal je opzoeken als je bij de wolven bent. Goede jacht, Langtand.’
‘Goede jacht, Jonge Stier.’
Elyas verdween geruisloos in de duisternis.
Perijn reikte naar de warme hamer aan zijn middel. Hij had gedacht dat de verantwoordelijkheid een extra last op zijn schouders zou zijn. En toch, nu hij het eindelijk had aanvaard, voelde hij zich eigenlijk lichter.
Perijn Aybara was gewoon een man, maar Perijn Guldenoog was een symbool, geschapen door de mensen die hem volgden. Perijn had daar geen keus in; hij kon alleen maar zo goed mogelijk leiding geven. Als hij dat niet deed, zou het symbool niet verdwijnen. De mensen zouden alleen hun vertrouwen erin verliezen. Net zoals die arme Aram had gedaan.
Het spijt me, mijn vriend, dacht hij. Jou heb ik het meest van allemaal laten zitten. Het had geen zin om daaraan terug te blijven denken. Hij zou gewoon verder moeten gaan en het beter moeten doen. ‘Ik ben Perijn Guldenoog,’ zei hij, ‘de man die met wolven kan praten. En volgens mij is dat best goed.’
Hij dreef Stapper door de Poort. Helaas moest Perijn Guldenoog vannacht een paar slachtoffers maken.
Galad ontwaakte zodra zijn tentflap ruiste. Hij verdreef de resten van zijn droom – iets dwaas over een maaltijd in het gezelschap van een donkerharige schone met volmaakte lippen en sluwe ogen – en reikte naar zijn zwaard.
‘Galad!’ fluisterde een stem. Het was Trom.
‘Wat is er?’ vroeg Galad, met zijn hand nog op zijn zwaard.
‘Je had gelijk,’ zei Trom.
‘Waarover?’
‘Aybara’s leger is terug. Galad, ze staan op de hoogten vlak boven ons! We kregen ze toevallig in het oog; onze mannen bewaakten de weg, zoals je had opgedragen.’
Galad vloekte, ging rechtop zitten en reikte naar zijn onderkleding. ‘Hoe zijn ze daarboven gekomen zonder dat we ze hebben gezien?’
‘Duistere krachten, Galad. Byar had gelijk. Je hebt gezien hoe snel hun kamp leegliep.’
Hun verkenners waren een uur eerder teruggekeerd. Ze hadden Aybara’s kampeerplek spookachtig verlaten aangetroffen, alsof het er bevolkt was geweest met geesten. Niemand had hen over de weg zien vertrekken.
En nu dit weer. Galad kleedde zich snel aan. ‘Wek de mannen. Kijk of je dat stilletjes kunt doen. Het was goed van je dat je geen licht hebt meegebracht; dat had de vijand kunnen waarschuwen. Laat de mannen hun pantsers aandoen in hun tent.’
‘Ja, Kapiteinheer-gebieder,’ zei Trom. Een geruis vergezelde zijn vertrek.
Galad haastte zich. Wat heb ik gedaan, dacht hij. Bij elke stap was hij overtuigd geweest van zijn keuzes, maar hiertoe hadden ze dus geleid. Aybara, klaar voor de aanval, Galads mannen in slaap. Sinds Morgase was teruggekeerd, had Galad het gevoel dat zijn wereld instortte. Wat juist was, was hem niet langer duidelijk, niet zoals vroeger. De weg die voor hem lag leek verborgen. We zouden ons moeten overgeven, dacht hij terwijl hij zijn mantel aantrok over zijn maliën. Maar nee. Kinderen van het Licht gaven zich nooit over aan Duistervrienden. Hoe kon hij dat zelfs maar denken?
Ze moesten strijdend ten onder gaan. Maar wat zouden ze daarmee bereiken? Het einde van de Kinderen, dood voordat de Laatste Slag begon?
Zijn tentflap ruiste weer en hij trok zijn zwaard, klaar om toe te slaan.
‘Galad,’ zei Byar. ‘Je hebt ons gedood.’ Alle eerbied was uit zijn stem verdwenen.
Die beschuldiging maakte Galad gespannen. ‘Zij die in het Licht lopen moeten geen verantwoordelijkheid nemen voor de daden van lieden die de Schaduw volgen.’ Een citaat van Lothar Mantelar. ‘Ik heb eervol gehandeld.’
‘Je had moeten aanvallen in plaats van dat belachelijke “rechtsgeding” te houden.’
‘We zouden zijn afgeslacht. Hij had Aes Sedai, Aiel, mannen die kunnen geleiden, meer soldaten dan wij, en krachten die wij niet begrijpen.’
‘Het Licht zou ons hebben beschermd!’
‘En als dat zo is, dan zal het ons nu ook beschermen,’ zei Galad met meer zelfvertrouwen.
‘Nee,’ wierp Byar op een kwade fluistertoon tegen. ‘We hebben onszelf hiertoe gebracht. Als we vallen, dan hebben we dat verdiend.’ Hij vertrok met een geruis van tentflappen.
Galad bleef nog even staan en gespte toen zijn zwaard om. Tegenbeschuldigingen en berouw zouden moeten wachten. Hij moest er iets op vinden om deze nacht te overleven. Als dat kon. Hun hinderlaag tegengaan met een hinderlaag van henzelf, dacht hij. De mannen in hun tent laten blijven totdat de aanval begint, dan Aybara verrassen door in groten getale naar buiten te stormen en... Nee. Aybara zou beginnen met pijlen om de mensen in de tenten te doden. Dat zou de beste manier zijn om gebruik te maken van het hogere terrein en zijn uitstekende boogschutters. Het beste was de mannen te bewapenen, hen dan allemaal tegelijk uit de tenten te laten komen en naar hun paarden te laten rennen. De Amadicianen konden een muur van spiesen vormen onder aan de hoogten. Aybara nam misschien de gok om zijn cavalerie langs de steile helling omlaag te laten galopperen, maar piekeniers konden dan roet in het eten gooien.
Aybara’s boogschutters zouden een probleem blijven. Schilden konden helpen. Een beetje. Hij haalde diep adem en beende de nacht in om bevelen te geven.
‘Zodra de strijd begint,’ zei Perijn, ‘wil ik dat jullie drie je terugtrekken naar de veiligheid. Ik zal niet proberen jullie terug te sturen naar Andor; ik weet dat jullie niet zullen gaan. Maar je moet niet deelnemen aan de strijd. Blijf achter de gelederen en bij de achterhoede.’ Faile wierp een blik op hem. Hij zat te paard, met zijn blik vooruit. Ze stonden op de hoogten terwijl de laatste soldaten van het leger uit de Poorten achter hen kwamen. Jori Kongar hield een afgeschermde lantaarn bij Perijn op. Die wierp een heel klein beetje licht op de omgeving.
‘Natuurlijk, heer,’ zei Berelain gladjes.
‘Dan wil ik jullie belofte,’ zei Perijn, nog steeds naar voren kijkend. ‘Jij en Alliandre, Berelain. Faile, aan jou vraag ik het eenvoudigweg, en ik hoop dat je het doet.’