‘U hebt mijn belofte, heer,’ zei Alliandre.
Perijns stem klonk zo streng, en dat baarde Faile zorgen. Kon Berelain toch gelijk hebben? Wilde hij de Witmantels aanvallen? Ze waren een onvoorspelbaar element, ondanks al hun uitspraken dat ze in de Laatste Slag wilden strijden. Ze konden meer kwaad dan goed aanrichten. Verder was Alliandre Perijns leenvrouwe, en de Witmantels bevonden zich in haar rijk. Wie weet wat voor schade ze nog zouden aanrichten voordat ze vertrokken? En daarnaast was er het bungelende zwaard van Galads toekomstige straf. ‘Heer,’ zei Berelain ongerust. ‘Doe dit alstublieft niet.’
‘Ik doe alleen maar wat ik moet doen,’ antwoordde Perijn, kijkend langs de weg naar Jehanna. Dat was niet de richting waarin de Witmantels zich bevonden. Zij zaten even ten zuiden van deze plek. ‘Perijn,’ zei Faile met een blik op Berelain. ‘Wat ga je...’ Plotseling kwam er een man uit de schaduwen tevoorschijn, geruisloos ondanks het droge kreupelhout. ‘Perijn Aybara,’ meldde Gaul. ‘De Witmantels weten dat we er zijn.’
‘Weet je dat zeker?’ vroeg Perijn. Hij leek zich geen zorgen te maken.
‘Ze proberen het voor ons te verbergen,’ antwoordde Gaul, ‘maar ik zie het. De Speervrouwen zijn het met me eens. Ze bereiden zich voor op een strijd, de verzorgers halen de kluisters van de paarden en wachters lopen van tent naar tent.’
Perijn knikte. Hij dreef Stapper naar voren door de struiken en reed helemaal naar de rand van de hoogten. Faile stuurde Daglicht achter hem aan, en Berelain bleef vlak bij haar.
Het land daalde steil af naar de oude rivierbedding langs de weg beneden. De weg kwam vanuit de richting van Jehanna, liep langs de voet van deze hoogten en maakte dan een bocht naar Lugard. In de bocht lag de laagte, beschut tegen de heuvel, waar de Witmantels hun kringen van tenten hadden opgezet.
De bewolking was dun, zodat bleek maanlicht het landschap zilverwit kleurde. Er kwam een lage mist aanrollen die grotendeels in de rivierbedding bleef hangen, diep en dicht. Perijn tuurde naar het tafereel; hij had een goed uitzicht op de weg in beide richtingen. Plotseling klonken er beneden kreten, sprongen er mannen uit de tenten van de Witmantels en renden naar de piketlijnen toe. Fakkels kwamen sputterend tot leven. ‘Boogschutters naar voren!’ brulde Perijn.
Mannen uit Tweewater renden naar de rand van hun verhoogde positie.
‘Infanterie, klaarstaan achter de boogschutters!’ riep Perijn. ‘Arganda, aan de linker flank. Gallenne, naar de rechter! Ik roep wel als jullie voor ons moeten puinruimen.’ Hij wendde zich tot de voetsoldaten, voornamelijk vroegere vluchtelingen. ‘Houd de gelederen strak, jongens. Hou je schild omhoog en je speerarm gebogen. Boogschutters, pijlen aanzetten!’
Faile begon te zweten. Dit was niet goed. Perijn wilde toch niet... Hij keek nog steeds niet naar de Witmantels beneden hen. Hij staarde naar de rivierbedding aan de overkant, een meter of honderd van de hoogten vandaan, die eindigden in een steile afgrond vanwege de oude loop van de rivier. Perijn keek alsof hij iets zag wat niemand anders zag. En met die gouden ogen van hem was dat misschien ook wel zo.
‘Heer,’ zei Berelain, die haar paard naar hem toe stuurde en wanhopig klonk. ‘Als u moet aanvallen, kunt u dan de bevelvoerder van de Witmantels sparen? Hij kan nog van pas komen voor politieke doeleinden.’
‘Waar heb je het over?’ vroeg Perijn. ‘De enige reden dat we hier zijn, is om Damodred in leven te houden.’
‘U... wat?’ vroeg Berelain.
‘Heer!’ riep Gradi plotseling uit van een eindje verderop. ‘Ik voel iemand geleiden!’
‘Kijk daar!’ riep Jori Kongar wijzend. ‘Er is iets in de mist. Het is...’ Faile tuurde. Daar, vlak achter het leger, in de voormalige rivierbedding, begonnen gestalten op te rijzen alsof ze uit de grond kwamen. Misvormde schepsels met dierenkoppen en -lichamen, anderhalf keer zo groot als mensen, met afschrikwekkende wapens. Tussen hen liepen slanke, oogloze gestalten in het zwart. De mist stroomde om hen heen terwijl ze door de nevelflarden naar voren kwamen. De schepsels bleven maar opduiken. Tientallen. Honderden. Duizenden. Een heel leger van Trolloks en Myrddraal. ‘Gradi, Neald!’ brulde Perijn. ‘Licht!’
Helwitte bollen verschenen in de lucht en bleven daar zweven. Steeds meer Trolloks rezen op uit de mist, alsof ze eraan ontsproten, maar ze leken onthutst door het licht. Ze keken turend op en schermden hun ogen af.
Perijn gromde. ‘Wat dacht je daarvan? Ze waren niet op ons voorbereid; ze dachten dat ze een eenvoudig klusje zouden hebben aan de Witmantels.’ Hij draaide zich om en keek langs de rijen verbaasde soldaten. ‘Nou, mannen, jullie wilden me volgen naar de Laatste Slag? We krijgen er hier alvast een voorproefje van! Boogschutters, vuren! Laten we dat Schaduwgebroed terugsturen naar de afgrond waar ze vandaan komen!’
Hij hief zijn pas gesmede hamer, en de strijd begon.
41
Een onverwachte bondgenoot
Galad rende voort onder een hoog geheven schild. Bornhald sloot zich bij hem aan, ook met een schild, en hij smeet zijn lantaarn opzij toen die onnatuurlijke lichten in de lucht opflitsten. Geen van beiden spraken ze. De hagel van pijlen zou nu ieder ogenblik beginnen.
Ze kwamen bij de piketlijnen aan, waar enkele zenuwachtige verzorgers hun paarden klaar hadden staan. Galad liet zijn schild zakken en voelde zich ontzettend naakt toen hij zich op Kloeks rug hees. Hij wendde het paard en tilde het schild weer omhoog. Hij hoorde het bekende zoeven van boogpezen in de verte, en daarna het gesis van pijlen die omlaag kwamen. Geen ervan landde bij hem in de buurt.
Hij aarzelde. De lichten in de lucht maakten de nacht zo helder als bij volle maan, misschien nog wel lichter.
‘Wat is er aan de hand?’ vroeg Bornhald, wiens paard zenuwachtig onder hem danste. ‘Hebben ze gemist? Die pijlen landen ver buiten het kamp.’
‘Trolloks!’ Een kreet vanuit het kamp. ‘Er komen er duizenden aan over de weg!’
‘Monsters!’ brulde een doodsbange Amadiciaan. ‘Monsters van de Schaduw! Licht, zijn ze dan toch écht?’
Galad keek Bornhald even aan. Ze galoppeerden naar de rand van het kamp, met hun witte mantels wapperend achter hen aan, en keken langs de weg.
Naar een slachtpartij.
Vele salvo’s pijlen daalden neer vanaf de hoogten, landend te midden van de menigte Schaduwgebroed. De schepsels jankten en krijsten, sommige renden in de richting van Galads kamp, andere klommen omhoog naar de boogschutters. Trolloks ontploften plotseling, de grond bochelde onder hen, en van boven kwam vuur. Aybara’s geleiders hadden zich in de strijd geworpen.
Galad overzag alles snel. ‘Voetsoldaten, vorm een schildmuur aan deze kant van het kamp,’ brulde hij. ‘Kruisboogschutters, naar die ruïnes daar. Splits de legioenen op in acht groepen cavalerie en bereid je voor op een uitval! Boogschutters, klaarstaan!’ De Kinderen hadden voornamelijk cavalerie. Zijn mannen zouden uitrijden en de Trolloks in golven aanvallen, één compagnie tegelijk, en zich dan terugtrekken achter de verdedigende schildmuur van de voetsoldaten. Kruisboogschutters zouden de Trolloks verzwakken voordat de zware cavalerie hen aanviel met lansen, boogschutters zouden hun dekking bieden terwijl ze zich terugtrokken achter de verdediging. De bevelen werden snel doorgegeven en de Kinderen reageerden efficiënter dan de Amadicianen. Bornhald knikte. Dit was een voornamelijk defensieve strategie, maar het was de meest logische, in ieder geval totdat Galad begreep wat er gaande was. Hoefslagen kondigden aan dat Byar aan kwam galopperen. Hij hield zijn paard in en wendde het met grote ogen. ‘Trolloks? Hoe... Het is Aybara. Hij heeft een leger van Schaduwgebroed meegebracht!’
‘Als dat zo is,’ zei Galad, ‘dan slacht hij zijn eigen leger af.’ Byar kwam dichterbij. ‘Het gaat net zoals in Tweewater. Dain, weet je nog wat hij deed? Trolloks vallen aan. Aybara zet een verdediging op en wint daar steun mee.’
‘Wat zou daar de zin van zijn?’ vroeg Bornhald. ‘Ons misleiden.’
‘Door net zoveel Trolloks te doden als het hem aan volgelingen oplevert?’ Bornhald fronste zijn voorhoofd. ‘Nee... dat is niet logisch. Als Aybara duizenden Trolloks kan bevelen, waarom zou hij óns dan nodig hebben?’