‘Hij is gestoord, waanzinnig!’ riep Byar. ‘Als hij niets te maken had met de verschijning van de Trolloks, hoe kan het dan dat ze allebei tegelijk opduiken?’
Daar zat wel iets in, moest Galad toegeven. ‘Voorlopig,’ zei hij, ‘levert het ons de tijd op die we nodig hebben om ons te organiseren. Bornhald, Byar, help mijn bevelen door te geven. Ik wil dat de ruiters klaar zijn voor een uitval zodra de kruisboogschutters opgesteld staan.’ Hij aarzelde. ‘Maar laat de mannen weten dat we onze flanken niét bloot moeten stellen aan Aybara. Laat een paar voetsoldaten met spiesen aan de voet van de hoogten gaan staan. Gewoon voor het geval dat.’
Trolloks vielen brullend onder de pijlenregen. Er bleven er nog steeds meer opduiken, en veel van de beesten gingen pas neer als ze met meerdere pijlen waren doorboord. Het Schaduwgebroed bereidde zich voor op een bestorming tegen de heuvel op, naar Perijns leger. Als ze dat deden, zou hij zijn voetsoldaten een tijdje laten standhouden, hen dan terugtrekken en de cavalerie naar beneden laten gaan. ‘Hoe wist je dit?’ vroeg Faile zachtjes.
Hij keek haar aan. ‘Het wordt tijd dat jullie drie je terugtrekken achter de achterhoede.’ Hij wierp een blik op Berelain, die met een bleek gezicht te paard zat, alsof het zien van de Trolloks haar diep had geschokt. Hij wist echter dat ze sterk was. Waarom rook ze zo ongerust?
‘Ik ga zo,’ zei Faile. ‘Maar ik moet het weten.’
‘Het was logisch,’ zei Perijn. ‘Die koepel was bedoeld om te zorgen dat we niet via een Poort zouden vluchten. Maar hij diende ook om ons over de weg te drijven, om te voorkomen dat we rechtstreeks naar Andor zouden Reizen. Het leek ons vreemd dat meester Gil de weg op was gegaan en zijn bevelen naast zich neer had gelegd, maar dat deed hij omdat hij van reizigers uit het noorden had gehoord dat die weg onbegaanbaar was. Dat was hem door onze vijanden ingefluisterd, vermoed ik, om ons in deze richting te lokken. We zijn de hele tijd gestuurd. Ze wachtten niet tot we in gevecht gingen met de Witmantels, maar tot we zo snel mogelijk naar Lugard zouden trekken. Als we door het land hadden geprobeerd te gaan, dan wed ik dat er iets was gebeurd om te zorgen dat we omkeerden. Ze wilden wanhopig graag dat we in hun hinderlaag liepen. Met Galads leger hadden ze waarschijnlijk geen rekening gehouden; het was voor hen een stekelnoot onder hun zadel.’
‘Maar de Trolloks. Waar...’
‘Ik denk dat het een Portaalsteen is,’ zei Perijn. ‘Ik wist dat hier een of andere aanval zou komen. Ik wist alleen niet hoe. Ik dacht half dat er Draghkar uit de lucht zouden vallen, of door een saidinpoort zouden komen die we over het hoofd hadden gezien. Maar die ruïnes waar Arganda naar wees, leken me een goede plek voor een Portaalsteen. Hij moet begraven liggen, onder de rivier terechtgekomen toen de loop ervan veranderde. De Trolloks komen niet omhoog uit de grond; ik denk dat ze uit de Steen komen.
Dit was de valstrik. Ze zouden ons waarschijnlijk veel eerder hebben aangevallen, maar de Witmantels stonden in de weg. Ze moesten wachten tot we met hen hadden afgerekend. En toen vertrokken wij. Dus...’
‘Dus vielen ze Damodred en zijn mannen aan,’ voltooide Faile. ‘Nadat ze de valstrik hadden gezet, wilden ze in ieder geval wat schade toebrengen aan de soldaten die later tegen hen zouden strijden.’
‘Ik vermoed dat hier een Verzaker achter zit,’ zei Perijn, zich wendend tot Gradi.
‘Een Verzaker?’ vroeg Alliandre op schrille toon. ‘We kunnen het niet opnemen tegen een Verzaker!’
Perijn keek haar aan. ‘Waar dacht je dat je voor tekende, Alliandre, toen je je bij me aansloot? Je vecht voor de Herrezen Draak in Tarmon Gai’don zelf. Vroeg of laat krijgen we met de Verzakers te maken.’
Ze verbleekte, maar hij moest haar nageven dat ze knikte. ‘Gradi!’ riep Perijn naar de Asha’man, die vuurbollen op de Trolloks afschoot. ‘Voel je nog steeds iemand geleiden?’
‘Af en aan, heer,’ riep Gradi terug. ‘Wie het ook is, hij is niet ontzettend sterk. En hij sluit zich niet bij de strijd aan. Ik denk dat hij de Trolloks erdoor brengt; hierheen springt met vuisten Trolloks en dan weer wegspringt om er nog meer te halen.’
‘Kijk naar hem uit,’ beval Perijn. ‘Kijk of je hem kunt uitschakelen.’
‘Ja, heer,’ zei Gradi met een saluut.
Dus het was geen Verzaker die de Trolloks hierheen haalde. Dat betekende niet dat dit niet het werk van een Verzaker was, alleen dat hij nog niet had besloten zich er rechtstreeks mee te bemoeien. ‘Jullie drie, wegwezen,’ zei Perijn tegen Faile, Berelain en Alliandre, en hij hief zijn hamer. De Trolloks waren aan de bestorming van de heuvel begonnen. Vele vielen door pijlen, maar het waren er zoveel dat enkele ervan snel de top zouden bereiken. Het was tijd voor het gevecht.
‘Je weet niet hoeveel het er zijn, echtgenoot,’ zei Faile zacht. ‘Ze blijven maar komen. Wat als ze ons overstelpen?’
‘We trekken ons terug door een Poort als het er slecht voor ons uitziet. Maar ik geef ze de Witmantels niet zonder een gevecht; ik laat geen man achter voor de Trolloks, zelfs dat stel niet. Zij negeerden Tweewater toen we werden aangevallen, maar ik zal niet hetzelfde doen. En dat is dat.’
Faile boog zich plotseling naar voren en kuste hem. ‘Dank je.’
‘Waarvoor?’
‘Omdat je de man bent die je bent,’ zei ze. Ze wendde haar paard en leidde de andere twee weg.
Perijn schudde zijn hoofd. Hij was bang geweest dat hij Gradi zou moeten vragen haar in Lucht te wikkelen en weg te slepen. Hij draaide zich weer om naar de naderende Trolloks. De mannen uit Tweewater maakten het ze niet gemakkelijk om tegen de helling op te komen. De pijlen begonnen echter op te raken.
Perijn hief Mah’alleinir. Een deel van hem betreurde het dat het wapen zo snel na zijn geboorte al in bloed zou worden gebaad, maar het grootste deel van hem was verheugd. Die Trolloks, en degenen die ze leidden, hadden Springers dood op hun geweten. Een vuist Trolloks kwam de heuvel op. Ze werden gevolgd door een Schim en geleid door een andere Schim met een zwart zwaard. Perijn brulde en stormde naar voren, met de hamer hoog geheven.
Galad vloekte, wendde Kloek en hakte met zijn zwaard in de nek van een Trollok met de kop van een beer. Donker, dik bloed spoot er in een stinkende golf uit, maar die beesten waren verschrikkelijk lastig te doden. Galad had de verhalen gehoord en was opgeleid samen met mannen die tegen Schaduwgebroed hadden gestreden. Toch verbaasde hun taaiheid hem.
Hij moest nog drie keer op het beest inhakken voordat het neerging. Nu al deed Galads arm pijn. Er was niets fijnzinnigs aan een strijd tegen dit soort monsters. Hij gebruikte zwaardvormen voor in het zadel, maar meestal de meest rechtstreekse en ruwe: Houthakker velt de boom, Boog van de maan, Slaan van de vonk. Zijn mannen verging het niet zo goed. Ze waren ingesloten en er was niet langer ruimte voor lansen. De uitvallen hadden een tijdje gewerkt, maar de zware cavalerie was gedwongen zich terug te trekken achter de voetsoldaten en zijn hele leger werd oostwaarts gedreven. De Amadicianen werden overstelpt, en de kracht van de aanval was te groot om nog verdere uitvallen met de cavalerie te doen. Het enige wat de Kinderen te paard nu nog konden doen, was woest met hun wapens zwaaien in een poging in leven te blijven. Galad wendde Kloek, maar twee grauwende Trolloks sprongen op hem af. Snel hakte hij er een over de nek met Reiger grijpt de zilvervis, maar het schepsel viel voorover tegen Kloek aan, zodat het paard wegsprong. Een volgend monster haalde met een haak naar de hals van het paard uit. Het paard viel.
Galad wist nog net op tijd weg te springen en belandde op de grond toen Kloek door zijn trillende benen zakte en er bloed van zijn hals over zijn witte schouder gutste. Galad rolde om, met zijn zwaard opzij gedraaid, maar hij was verkeerd terechtgekomen. Zijn enkel was verstuikt.
Hij negeerde de pijn en bracht zijn zwaard nog net op tijd omhoog om de haak af te weren van een monster met een bruine vacht, negen voet lang, dat stonk naar de dood. Galads afwerende beweging bracht hem weer uit zijn evenwicht. ‘Galad!’