Выбрать главу

Gestalten in het wit beukten tegen de Trolloks aan. Stinkend bloed spoot door de lucht. De witte gedaanten vielen op de grond, maar de Trolloks werden achteruitgedreven. Bornhald stond hijgend met zijn zwaard naar voren, zijn schild gedeukt en besmeurd met donker bloed. Hij had vier mannen bij zich. Twee anderen waren gesneuveld.

‘Dank je,’ zei Galad. ‘Jullie paarden?’

‘Gedood,’ antwoordde Bornhald. ‘Ze hebben vast het bevel om de paarden aan te vallen.’

‘Ze willen niet dat we ontkomen,’ zei Galad. ‘Of een bestorming kunnen opzetten.’ Hij keek langs de rij bestookte soldaten. Twintigduizend man had een groot leger geleken, maar de gelederen waren een puinhoop. En de Trolloks bleven komen, golf na golf. Het noordelijke deel van hun gelederen begon op te breken, en de Trolloks stormden daar naar voren in een tangbeweging om Galads leger te omsingelen. Ze zouden hen aan de noord- en zuidkant afsnijden en hen dan pletten tegen de heuvel. Licht!

‘Naar de noordelijke voetsoldaten allemaal!’ riep Galad. Hij rende zo snel mogelijk die kant op. Zijn enkel klaagde, maar gehoorzaamde nog. Andere mannen sloten zich bij hem aan. Hun kleding was niet langer wit.

Galad wist dat de meeste generaals, zoals Garet Brin, zelf niet aan het front vochten. Ze waren daar te belangrijk voor, en hun inzichten waren nodig voor het organiseren van de strijd. Misschien had Galad dat ook moeten doen. Alles viel uiteen. Zijn mannen waren goed. Betrouwbaar. Maar ze hadden geen ervaring met Trolloks. Nu pas – terwijl hij door de modder rende in een donkere nacht, verlicht door bollen die in de lucht hingen – zag hij hoe onervaren veel van hen waren. Hij had wel een paar oude rotten, maar de meesten hadden alleen gevochten tegen opstandige bandieten of stadsmilitie.

De Trolloks waren anders. De jankende, grommende, grauwende monsters waren dol. Wat ze ontbeerden in militaire tucht, maakten ze goed met hun kracht en felheid. En honger. De Myrddraal onder hen waren geducht genoeg om helemaal in hun eentje een formatie op te breken. Galads soldaten hadden het zwaar. ‘Standhouden!’ brulde Galad toen hij bij het doorbrekende gedeelte van de rij aankwam. Hij had Bornhald en ongeveer vijftig man. Bij lange na niet genoeg. ‘Wij zijn de Kinderen van het Licht! Wij deinzen niet terug voor de Schaduw!’

Het lukte niet. Terwijl hij zag hoe de ramp zich voltrok, begon zijn hele stelsel van overtuigingen te barsten. De Kinderen van het Licht werden niet beschermd door hun goedheid; ze vielen in grote aantallen, als graan voor een zeis. Erger nog, sommigen vochten niet moedig of hielden vastberaden stand. Te veel van hen gilden van angst en gingen ervandoor. Van de Amadicianen kon hij het begrijpen, maar veel Kinderen waren weinig beter.

Het waren geen lafaards. Het waren geen slechte strijders. Het waren gewoon mensen. Heel gewoon. Zo hoorde het niet te gaan.

Er klonk gedonder toen Gallenne zijn ruiters wendde voor een volgende uitval. Ze beukten tegen de rij Trolloks aan en dwongen veel van hen van de rand af, waardoor ze de helling weer af rolden. Perijn sloeg met Mah’alleinir op de kop van een Trollok. Door de kracht van de klap werd het schepsel opzij gesmeten, en – merkwaardig – siste en rookte zijn huid waar de hamer hem had geraakt. Dit gebeurde met elke klap, alsof de aanraking van Mah’alleinir hen brandde, hoewel Perijn alleen een aangename warmte van de hamer voelde.

Gallennes aanval beukte door de rijen Trolloks heen en scheidde ze in twee delen, maar er lagen zoveel karkassen dat zijn lansiers moeite hadden om aan te vallen. Gallenne trok zich terug, een groep mannen uit Tweewater kwam naar voren en schoot pijlen op de Trolloks af, waardoor ze neergingen in een stortvloed van schreeuwende, jankende, stinkende dood.

Perijn stuurde Stapper achteruit toen voetsoldaten zich om hem heen opstelden. Hij was nog maar heel weinig mannen kwijtgeraakt aan de Trolloks. Al was één er natuurlijk al te veel. Arganda kwam aandraven op zijn paard. Hij was ergens de pluimen van zijn helm kwijtgeraakt, maar hij glimlachte breed. ‘Ik heb maar zelden zo’n aangename strijd meegemaakt, Aybara,’ zei hij. ‘Vijanden waar je geen greintje medelijden mee hoeft te hebben, een volmaakt slagveld en een goed te verdedigen positie. De allerbeste boogschutters en Asha’man om de gaten te dichten! Ik heb zelf al meer dan twee dozijn van die beesten geveld. Voor deze dag alleen al ben ik blij dat we jou volgen!’

Perijn knikte. Hij wees er maar niet op dat een van de redenen dat ze het zo gemakkelijk hadden, was dat de meeste monsters zich richtten op de Witmantels. Trolloks waren akelige, monsterlijke schepsels, en ze waren ontzettend zelfzuchtig. Tegen een helling opstormen naar vuurbollen en mannen met bogen, alleen om een stuk grond te bemachtigen van twee volle contingenten cavalerie? Dan kon je beter de gemakkelijkere vijand kiezen, en dat was tactisch gezien ook verstandiger. Richt je eerst op de eenvoudigste strijd als je op twee fronten moet vechten.

Ze probeerden de Witmantels zo snel mogelijk tegen de helling te pletten en hadden hen omsingeld, lieten hun geen ruimte om uitvallen te doen met hun cavalerie, splitsten hen op in groepen. Degene die hier de leiding had, had verstand van tactiek; dit was niet het werk van Trolloks.

‘Heer Perijn!’ Jori Kongar overstemde het lawaai van de schreeuwende Trolloks. Hij klauterde naar Stapper toe. ‘U vroeg me na te gaan hoe ze ervoor stonden. Nou, u moet zelf maar even kijken.’ Perijn knikte, stak zijn vuist op en maakte er een hakbeweging mee. Gradi en Neald stonden achter hem op een rotspunt die uitzicht bood op de weg. Hun voornaamste bevel was om elke Myrddraal die ze zagen uit te schakelen. Perijn wilde die schepsels zo veel mogelijk van de hoogten weghouden; het kon tientallen levens kosten om een enkele Myrddraal te doden met zwaard of bijl. Je kon ze beter aanvallen met vuur, van een afstand. Bovendien kon je soms door een Schim te doden een hele groep Trolloks wegvagen die ermee verbonden was.

De Asha’man, Aes Sedai en Wijzen zagen Perijns teken. Ze begonnen een felle aanval op de Trolloks, schoten vuur af met hun handen en lieten bliksems neerkomen uit de hemel om de Trolloks de helling af te dwingen. Perijns voetsoldaten trokken zich terug voor enkele ogenblikken van rust.

Perijn dreef Stapper naar de rand en keek langs de helling naar het zuiden, met Mah’alleinir langs zijn been. Beneden stond Damodreds leger er nog slechter voor dan Perijn al had gevreesd. De Trolloks waren opgerukt en hadden de Witmantels bijna in twee groepen verdeeld. De monsters verdrongen zich langs de zijkanten, omsingelden Galad, dwongen de Witmantels te vechten aan drie fronten. Ze stonden met hun rug naar de heuvel, en vele groepen cavaleristen waren afgesneden van de hoofdgevechten.

Gallenne draafde naar Perijn toe. ‘De Trolloks verschijnen nog steeds. Ik schat zo’n vijftigduizend van die beesten tot nu toe. De Asha’man zeggen dat ze maar één geleider bespeuren, en hij houdt zich erbuiten.’

‘De aanvoerder van het Schaduwgebroed zal zijn geleiders niet willen inzetten,’ gokte Perijn. ‘Niet terwijl wij op het hogere terrein staan. Hij zal de Trolloks zo veel mogelijk schade laten aanrichten en kijken of ze de overhand kunnen krijgen. Als dat gebeurt, komen de geleiders pas tevoorschijn.’ Gallenne knikte.

‘Damodreds leger zit in de nesten.’

‘Ja,’ beaamde Gallenne. ‘U hebt ons op de goede plek gezet om hen te helpen, maar het lijkt erop dat wij niet genoeg zijn.’

‘Ik ga naar beneden,’ besloot Perijn. Hij wees. ‘De Trolloks omsingelen hem, pinnen hem vast tegen de helling. We kunnen omlaag stormen en die beesten van de zijkant verrassen, doorbreken en Damodreds mannen bevrijden zodat ze naar de hoogten kunnen komen.’

Gallenne fronste zijn voorhoofd. ‘Verontschuldigingen, heer Perijn, maar ik moet het vragen. Wat denkt u dat u hun verschuldigd bent? Ik zou het hebben betreurd als we inderdaad hierheen waren gekomen om hen aan te vallen, hoewel ik daar de logica van in zou hebben gezien. Maar ik zie geen reden om ze te helpen.’ Perijn gromde. ‘Het is gewoon juist.’