‘Daarover valt te twisten,’ zei Gallenne, en hij schudde zijn gehelmde hoofd. ‘Vechten tegen Trolloks en Schimmen is uitstekend, want elk monster dat we doden is er één minder tijdens de Laatste Slag. Onze mannen krijgen er oefening in en kunnen leren hun angsten te bedwingen. Maar die helling is steil en verraderlijk; als u die afrijdt om Damodred bij te staan, kunt u ons voordeel om zeep helpen.’
‘Ik ga toch,’ besloot Perijn. ‘Jori, ga de mannen uit Tweewater en de Asha’man halen. Ze moeten de Trolloks bestoken tijdens mijn uitval.’ Hij keek weer omlaag. Herinneringen aan Tweewater flitsten voor zijn geestesoog langs. Bloed. Sterfte. Mah’alleinir werd warmer in zijn vuist. ‘Ik laat ze niet in de steek, Gallenne. Zelfs hen niet. Ga je met me mee?’
‘Je bent een vreemde kerel, Aybara.’ Gallenne aarzelde. ‘En een kerel met veel eer. Ja, ik ga mee.’
‘Mooi. Jori, in looppas. We moeten bij Damodred komen voordat zijn verzet wordt gebroken.’
Er ging een schok door de menigte Trolloks. Galad aarzelde met zijn zwaard in bezwete vingers. Zijn hele lichaam deed pijn. Overal om hem heen klonk gekerm, soms bestaand uit keelgeluiden en gegrauw – stervende Trolloks – en soms het deerniswekkende gejammer van stervende mannen. De Kinderen rondom hem hielden stand. Maar net. Het was een donkere nacht, zelfs met die lichten. Het voelde alsof ze tegen nachtmerries streden. Maar als de Kinderen van het Licht geen weerstand konden bieden aan de duisternis, wie dan wel? De Trolloks begonnen luider te janken. De monsters die voor hem stonden draaiden zich om en spraken met elkaar in een ruwe, grauwende taal waar hij vol walging van achteruitdeinsde. Konden Trolloks praten? Dat had hij niet geweten. Wat had hun aandacht getrokken?
En toen zag hij het. Een hagel van pijlen van boven af plofte in de rijen Trolloks voor hen. Boogschutters uit Tweewater die hun naam waarmaakten. Galad zou de meeste boogschutters een dergelijke aanval niet hebben toevertrouwd, want afgedwaalde pijlen konden tussen de Witmantels belanden. Deze schutters waren echter nauwkeurig.
De Trolloks schreeuwden en jankten. Ineens kwamen er van de top van de heuvel duizend ruiters omlaag gestormd. Er flitsten lichten om hen heen; vuur viel omlaag, neersuizend in de vorm van roodachtig gouden lansen die het zilver aan de paardenhoofdstellen verlichtten.
Het was een ongelooflijke zet. De helling was zo steil dat de paarden konden struikelen en vallen, en het hele leger had in een chaotische kluwen van lichamen de helling af kunnen komen. Maar ze vielen niet. Ze galoppeerden zonder wankelen, met glanzende lansen. En vooraan reed een bebaard monster van een man die een grote hamer in de lucht stak. Perijn Aybara zelf, met boven zijn hoofd een wapperende banier, gedragen door een man die vlak achter hem reed. De rode wolvenkop.
In weerwil van zichzelf liet Galad bij die aanblik zijn schild zakken. Aybara leek bijna te gloeien in de tongen van vuur die hem omringden. Galad zag die grote, gouden ogen. Het leken zelf wel vuren. De ruiters beukten tegen de Trolloks aan die Galads leger hadden omsingeld. Aybara brulde over het lawaai heen en begon om zich heen te meppen met de hamer. De aanval dwong de Trolloks achteruit. ‘Aanvallen!’ riep Galad. ‘Zet de aanval in! Dwing ze naar de cavalerie toe!’ Hij stormde naar het noorden, naar de helling, met Bornhald aan zijn zijde.
Vlakbij vergaarde Trom wat er van zijn legioen over was en liet de soldaten omkeren om de Trolloks tegenover Aybara aan te vallen. Het gevecht werd steeds chaotischer. Galad vocht als een bezetene. Boven hem, hoe onvoorstelbaar ook, kwam Aybara’s hele leger de helling af en gaf het hogere terrein prijs. Ze doken op de Trolloks af, tienduizenden mannen die schreeuwden: ‘Guldenoog! Guldenoog!’
Door de aanval kwamen Galad en Bornhald tussen de Trolloks terecht. De schepels probeerden weg te komen bij Aybara en deinden alle kanten op. De mannen vlak bij Galad en Bornhald vochten al snel wanhopig voor hun leven. Galad maakte een Trollok af met Lint in de lucht, maar toen hij zich omdraaide stond hij meteen tegenover een monster van tien voet lang met een ramskop. Zijn hoorns krulden langs de zijkanten van zijn reusachtige, vierkante gezicht, maar zijn ogen waren menselijk, en zijn onderkaak ook. Galad bukte toen het monster met een haak zwaaide en stak zijn zwaard in zijn pens. Het schepsel schreeuwde, en Bornhald sneed hem van de zijkant zijn pezen door.
Galad slaakte een kreet en sprong achteruit, maar zijn verzwikte enkel liet hem nu eindelijk in de steek. Hij bleef hangen achter een richel in de grond en hoorde een verschrikkelijke knak toen hij viel. Het stervende monster belandde boven op hem en pinde hem tegen de grond. Er schoot pijn omhoog door zijn been, maar dat negeerde hij. Hij liet zijn zwaard vallen en probeerde het karkas van zich af te duwen. Bornhald weerde vloekend een Trollok met de snuit van een everzwijn af. Het monster maakte een afschrikwekkend, grommend geluid.
Galad hees het stinkende karkas van zich af. Aan de zijkant zag hij mannen in het wit: Trom, met Byar aan zijn zijde, wanhopig vechtend om bij Galad te komen. Er waren zoveel Trolloks, en de meeste Kinderen om hen heen waren gesneuveld.
Galad reikte naar zijn zwaard net toen een gestalte te paard zich uit de schaduwen en Trolloks aan de noordkant ontworstelde. Aybara. Hij kwam aanrijden, beukte met die gigantische hamer van hem tegen een Trollok met een zwijnenkop en smeet hem tegen de grond. Aybara sprong van zijn paard toen Bornhald kwam aanrennen om Galad overeind te helpen.
‘Ben je gewond?’ vroeg Aybara.
‘Mijn enkel,’ zei Galad.
‘Op mijn paard,’ beval Aybara.
Galad sprak niet tegen; het was verstandig. Hij schaamde zich echter wel een beetje toen Bornhald hem overeind hielp. Aybara’s mannen dromden om hen heen en drongen de Trolloks achteruit. Nu Aybara’s leger zich bij de gevechten had aangesloten, boden Galads mannen weer verzet.
Die tocht de heuvel af was een gevaarlijke gok geweest, maar zodra Galad op Aybara’s paard zat, zag hij dat het had gewerkt. De bestorming had de Trolloks opgebroken en enkele groepen vluchtten weg. Van boven kwamen tongen van vuur, die Myrddraal in brand staken en hele vuisten Trolloks die met hen verbonden waren uitschakelden.
Er waren nog altijd een heleboel vijanden, maar het tij keerde. Aybara’s legers maakten een gedeelte rondom hun leider vrij en gaven hem – en daardoor ook Galad – wat ruimte om de volgende fase van de aanval voor te bereiden.
Galad wendde zich tot Aybara, die met heldere ogen naar de Trolloks keek. ‘Ik neem aan dat je denkt dat die redding invloed zal hebben op mijn besluit over je straf,’ zei Galad. ‘Dat hoop ik maar,’ mompelde Aybara.
Galad trok zijn wenkbrauw op. Dat was niet het antwoord dat hij had verwacht. ‘Mijn mannen vinden het verdacht dat je zo kort voor de Trolloks opdook.’
‘Nou, ze mogen denken wat ze willen,’ zei Aybara. ‘Ik denk niet dat ze van gedachten zullen veranderen, wat ik ook zeg. Ergens is dit ook mijn schuld. De Trolloks waren hier om mij te doden; ik wist alleen weg te komen voordat hun valstrik dichtklapte. Wees maar blij dat ik ze niet hun gang heb laten gaan. Jullie Witmantels hebben me bijna evenveel problemen bezorgd als zij.’ Vreemd genoeg merkte Galad dat hij glimlachte. Die Perijn Aybara was wel recht door zee. Je kon weinig meer verlangen van een bondgenoot. Zijn we dan bondgenoten, dacht Galad, knikkend naar Trom en Byar toen ze naderden. Misschien voorlopig. Hij vertrouwde Aybara inderdaad. Ja, misschien waren er mannen op de wereld die zo’n ingewikkelde strategie konden bedenken, allemaal om met misleiding in de gunst van Galad te komen. Valda was zo geweest. Aybara niet. Hij was écht recht door zee. Als hij de Kinderen uit de weg had willen hebben, had hij hen gedood en gewoon zijn weg vervolgd.
‘Zo zij het dan, Perijn Aybara,’ zei Galad. ‘Ik zal je straf bekendmaken, hier, vannacht, nu.’