Выбрать главу

Perijn fronste en wendde zich af van de strijd. ‘Wat? Nú?’

‘Als straf leg ik je op dat je een bloedprijs van vijfhonderd kronen moet betalen aan de families van de Kinderen die je hebt gedood. Ik beveel je ook om te strijden in de Laatste Slag met alle kracht die je kunt verzamelen. Doe die dingen, dan verklaar ik je vrij van schuld.’ Het was een vreemd ogenblik voor zo’n verklaring, maar hij had zijn besluit genomen. Ze moesten nog steeds vechten, en misschien zou een van hen sneuvelen. Galad wilde dat Aybara zijn straf kende, voor het geval dat.

Aybara keek hem onderzoekend aan en knikte. ‘Dat vind ik eerlijk, Galad Damodred.’ Hij stak zijn hand uit.

‘Schepsel van duisternis!’ Iemand dook achter Aybara op. Een gestalte die zijn zwaard trok. Een geruis, een fonkeling van metaal. Byars ogen, gloeiend van woede. Hij was op een plek gaan staan waar hij Aybara in de rug kon aanvallen.

Aybara draaide zich om; Galad hief zijn zwaard. Allebei waren ze te traag.

Maar Jaret Byars uithaal trof geen doel. Hij stond met zijn wapen geheven, verstard, bloed druipend van zijn lippen. Hij viel op zijn knieën en zakte voorover op de grond aan Aybara’s voeten. Bornhald stond achter hem, zijn ogen groot van afgrijzen. Hij keek naar zijn zwaard. ‘Ik... Het was niet goed, een man in de rug steken nadat hij ons had gered. Het...’ Hij liet zijn zwaard vallen en deinsde struikelend achteruit van Byars lijk.

‘Je hebt het goed gedaan, Kind Bornhald,’ zei Galad bedroefd. Hij schudde zijn hoofd. ‘Hij was een goed officier. Onaardig soms, maar ook moedig. Het spijt me dat ik hem kwijt ben.’ Aybara keek om zich heen, alsof hij op zoek was naar andere Kinderen die hem misschien wilden aanvallen. ‘Hij heeft me van het begin af aan al dood willen hebben.’

Bornhald keek naar Aybara. Zijn ogen waren nog altijd vol haat terwijl hij zijn zwaard schoonmaakte en het terug in de schede ramde. Hij liep weg, naar het gebied waar de gewonden naartoe waren gebracht. Het gedeelte rondom Galad en Aybara werd steeds veiliger nu de Trolloks achteruit werden gedreven en de gelederen weer sterker werden, gevormd met Aybara’s mannen en de nog levende Kinderen.

‘Hij denkt nog steeds dat ik zijn vader heb vermoord,’ zei Aybara. ‘Nee,’ antwoordde Galad. ‘Ik denk dat hij nu wel gelooft van niet. Maar hij haat je al heel lang, Aybara, en hij heeft langer van Byar gehouden.’ Hij schudde zijn hoofd. ‘Een vriend doden. Soms is het pijnlijk om te doen wat juist is.’

Aybara gromde. ‘Je moest maar eens naar de gewonden toe,’ zei hij, terwijl hij zijn hamer op zijn schouder legde en naar de plek keek waar de gevechten nog hevig waren. ‘Ik kan nog best vechten als ik jouw paard heb.’

‘Nou, laten we dan maar gaan.’ Aybara keek hem aan. ‘Maar ik zal bij je blijven, gewoon voor het geval dat het erop lijkt dat je misschien valt.’

‘Dank je.’

‘Ik ben gehecht aan dit paard.’

Glimlachend sprong Galad achterop, en ze doken de gevechten weer in.

42

Sterker dan bloed

Gawein zat weer in de kleine, onversierde kamer in Egwenes vertrekken. Hij was doodop, wat niet zo verrassend was gezien alles wat hij had doorgemaakt, en de Helingen erna. Zijn aandacht werd in beslag genomen door het nieuwe bewustzijn dat hij had. Die schitterende bloesem achter in zijn geest, de band met Egwene en haar gevoelens. De binding was een wonder, en een geruststelling. Dat hij haar voelde, liet hem weten dat ze leefde. Omdat hij haar nu voelde aankomen, stond hij op toen de deur openging. ‘Gawein, ’ zei ze terwijl ze naar binnen stapte, ‘je moet je niet inspannen in jouw toestand. Ga toch zitten. ‘

Het gaat best, ’ wierp hij tegen, maar hij deed wat ze zei. Ze trok een kruk bij en ging voor hem zitten. Ze was kalm en sereen, maar hij voelde dat ze aangeslagen was door de gebeurtenissen van de afgelopen nacht. De dienaren bekommerden zich nog om de bloedvlekken en de lichamen, terwijl Chubain de hele Toren alert hield en bij elke zuster ging kijken. Eén moordenaar was gevonden. Ze hadden twee soldaten en een Zwaardhand verloren. Ja, hij bespeurde haar kolkende gevoelens achter dat kalme gezicht. In de laatste paar maanden was hij gaan denken dat Aes Sedai leerden om helemaal niets meer te voelen. De binding bewees dat het anders zat. Egwene voelde wél; ze liet haar gevoelens alleen niet zien. Kijkend naar haar gezicht terwijl hij die storm binnen in haar voelde, kreeg Gawein – voor het eerst – een andere kijk op de band tussen Zwaardhand en Aes Sedai. Zwaardhanden waren niet alleen maar lijfwachten; zij waren degenen – de enigen – die de waarheid zagen van wat er in de Aes Sedai omging. Hoe vaardig de Aes Sedai ook werd in het verbergen van haar gevoel, haar Zwaardhand wist dat er meer achter het masker zat. ‘Heb je Mesaana gevonden?’ vroeg hij.

‘Ja, hoewel het wel enige tijd duurde. Ze had zich voorgedaan als een Aes Sedai genaamd Danelle, van de Bruine Ajah. We vonden haar in haar kamer, babbelend als een kind. Ze had zich al bevuild. Ik weet nog niet wat we met haar gaan doen. ‘

Danelle. Ik heb haar niet gekend. ’

‘Ze was nogal op zichzelf, ’ zei Egwene. ‘En daarom had Mesaana haar waarschijnlijk ook gekozen. ’

Ze bleven enkele ogenblikken zwijgend zitten. ‘Zo,’ vroeg Egwene uiteindelijk, ‘en hoe voel je je?’

‘Je weet hoe ik me voel,’ zei Gawein openhartig.

‘Ik wilde alleen maar een gesprek beginnen.’

Hij glimlachte. ‘Ik voel me heerlijk. Onvoorstelbaar. Vredig. En bezorgd, en rusteloos. Net als jij.’

‘Er moet iets aan de Seanchanen worden gedaan.’

‘Dat vind ik ook. Maar dat is niet wat je bedrukt. Het zit je dwars dat ik je ongehoorzaam was, en toch weet je dat het juist was.’

‘Je was niet ongehoorzaam,’ zei Egwene. ‘Ik had je gezegd dat je terug moest komen.’

‘Je had het verbod om je kamers te bewaken nog niet ingetrokken. Ik had plannen in de war kunnen schoppen, oproer kunnen veroorzaken en de moordenaars kunnen wegjagen.’

‘Ja,’ beaamde ze. Haar gevoelens werden onrustiger. ‘Maar in plaats daarvan heb je mijn leven gered.’

‘Hoe zijn ze binnengekomen?’ vroeg Gawein. ‘Had je niet wakker moeten worden toen de bediende je bannen in werking stelde?’ Ze schudde haar hoofd. ‘Ik bevond me diep in de droom, vechtend tegen Mesaana. De Torenwacht was dichtbij en had de alarmbellen moeten horen,’ zei ze. ‘Ze zijn allemaal dood gevonden. Het lijkt erop dat de moordenaars verwachtten dat ik zou komen aanrennen. Een van hen hield zich verborgen in de hal, om me te doden nadat ik de andere twee had gevangen.’ Ze trok een grimas. ‘Het had kunnen werken. Ik verwachtte de Zwarte Ajah, of misschien een grijzel.’

‘Ik had een waarschuwing gestuurd.’

‘Die boodschapper is ook dood gevonden.’ Ze keek hem aan. ‘Je hebt het vannacht goed aangepakt, maar toch maak ik me zorgen.’

‘We komen er wel uit,’ zei Galad. ‘Als je me toestemming geeft je te beschermen, Egwene, dan gehoorzaam ik je in al het andere. Dat beloof ik.’

Egwene aarzelde, maar toen knikte ze. ‘Nou, ik moet de Zaal spreken. Ze zullen nu wel bijna klaar zijn om mijn deur in te trappen en antwoorden te eisen.’ Hij merkte dat ze vanbinnen ineenkromp. ‘Het helpt misschien,’ opperde hij, ‘als je erop zinspeelt dat mijn terugkeer van het begin af aan onderdeel was van het plan.’

‘Dat was het ook,’ zei Egwene. ‘Alleen het tijdstip was onverwacht.’ Ze aarzelde. ‘Toen ik besefte hoe Silviana mijn verzoek om je terugkeer had verwoord, was ik bang dat je helemaal niet zou terugkomen.’

‘Dat deed ik ook bijna niet.’

‘Waardoor veranderde je van gedachten?’

‘Ik moest leren mezelf over te geven. Iets waar ik nooit goed in ben geweest.’

Egwene knikte alsof ze het begreep. ‘Ik zal de bedienden opdragen een bed in deze kamer te zetten. Het was altijd mijn bedoeling om hier de plek voor mijn Zwaardhand van te maken.’ Gawein glimlachte. In een andere kamer slapen? Onder al het andere was nog altijd iets van de behoudende herbergiersdochter overgebleven. Egwene bloosde toen ze zijn gevoelens oppikte. ‘Waarom trouwen we niet?’ vroeg Gawein. ‘Hier, vandaag. Licht, Egwene, je bent de Amyrlin; jouw woord is zo goed als wet in Tar Valon. Spreek de woorden uit en we zijn getrouwd.’ Ze verbleekte; vreemd, dat dat haar vanavond van streek maakte. Gawein werd ongerust. Ze had gezegd dat ze van hem hield. Wilde ze niet...