Выбрать главу

Maar nee, haar gevoelens waren duidelijk. Ze hield wel van hem. Waarom dan niet?

Egwene klonk ontdaan toen ze sprak. ‘Denk je dat ik mijn ouders nog onder ogen zou durven komen als ik zou trouwen zonder dat zij het wisten? Licht, Gawein, we moeten ze in ieder geval laten kómen! En Elayne dan? Zou je trouwen zonder haar iets te zeggen?’ Hij glimlachte. ‘Je hebt gelijk, natuurlijk. Ik zal ze schrijven.’

‘Ik kan...’

‘Egwene, je bent de Amyrlin Zetel. Het gewicht van de hele wereld rust op jouw schouders. Laat mij de voorbereidingen treffen.’

‘Goed dan,’ zei ze. Ze stapte naar buiten, waar Silviana stond te wachten; de vrouw wierp weer een kwade blik op Gawein. Egwene vroeg enkele dienaren om een bed voor hem te gaan halen, en toen liepen zij en haar Hoedster weg, met twee van Chubains soldaten achter hen aan.

Gawein was graag met haar meegegaan. Er waren misschien nog steeds moordenaars in de buurt. Helaas had ze gelijk in haar aandringen dat hij moest rusten. Hij had moeite om rechtop te blijven zitten. Hij stond op wankele benen op en zag toen een rij met lakens bedekte lichamen buiten liggen. Ze zouden pas worden weggehaald als enkele zusters de tijd hadden gehad om hen te bekijken. Meteen na het tumult was het opsporen van Mesaana – en andere moordenaars – dringender geweest.

Knarsetandend dwong hij zichzelf naar buiten te stappen en een laken weg te trekken, waarmee hij de levenloze gezichten van Celark en Mazone onthulde; dat van Celark helaas naast zijn lichaam, aangezien hij was onthoofd.

‘Jullie hebben goed werk geleverd, mannen,’ zei hij. ‘Ik zal zorgen dat jullie familie weet dat jullie het leven van de Amyrlin hebben gered.’ Het maakte hem kwaad dat zulke goede mannen dood waren. Die Seanchanen mogen branden, dacht hij. Egwene heeft gelijk over hen. Er moet iets gebeuren.

Hij keek naar de drie moordenaars. Ze lagen onder eigen lakens waar hun zwarte slippers onderuit staken. Twee vrouwen en een man. Ik vraag me af... dacht hij, en hij liep naar ze toe. De wachters keken haar hem toen hij het laken wegtrok, maar niemand hield hem tegen.

De ter’angrealen waren eenvoudig te herkennen, als je eenmaal wist waar je op moest letten. Gelijke ringen met zwarte stenen, gedragen aan de middelvinger van de rechterhand. De ringen waren gevormd als een gebogen tak met doorns. Kennelijk had geen van de Aes Sedai ze als ter’angrealen herkend, althans nog niet. Gawein deed alle drie de ringen af en stopte ze in zijn zak.

Lan bespeurde iets, een duidelijk verschil in de gevoelens achter in zijn geest. Hij was eraan gewend geraakt ze te negeren, en de vrouw die ze vertegenwoordigden.

De laatste tijd waren die gevoelens veranderd. Steeds meer was hij ervan overtuigd geraakt dat Nynaeve de binding met hem had overgenomen. Hij kon haar herkennen aan hoe ze aanvoelde. Het kon ook nauwelijks van iemand anders afkomstig zijn, dat gevoel van hartstocht en goedheid. Het voelde... opmerkelijk. Hij staarde langs de weg. Die kronkelde om de zijkant van een heuvel heen voordat hij rechtdoor ging naar een opvallend fort verderop. De grens tussen Kandor en Arafel werd aangegeven door de Zilvermuurburcht, een groot fort gebouwd aan twee kanten van de Firchonpas. Het was een zeer indrukwekkend fort; of eigenlijk twee, elk gebouwd tegen de steile wand van de smalle, kloofachtige pas. Net twee kanten van een enorme deuropening. Om door de pas te komen, moest je een aanzienlijke afstand afleggen tussen twee hoge stenen muren vol sleuven voor boogschutters, effectief voor het tegenhouden van legers die zich in een van beide richtingen bewogen.

Ze waren allemaal bondgenoten, de Grenslanders. Maar dat weerhield de Arafellers er niet van een mooi fort te willen hebben dat de weg naar Shol Arbela versperde. Voor dat fort kampeerden duizenden mensen, samengeschoold in kleinere groepen. De vlag van Malkier – de Gouden Kraanvogel – wapperde boven sommige van die groepen. Bij andere wapperde de vlag van Kandor of Arafel. ‘Wie van jullie heeft zijn belofte gebroken?’ vroeg Lan, omkijkend naar de karavaan.

De mannen daar schudden hun hoofd.

‘Niemand hoefde zijn belofte te breken,’ zei Andère. ‘Waar zou je anders naartoe gaan? Dwars door de Gebroken Landen? De Blote Heuvels? Het is hier en nergens anders. Dat weten ze. En dus wachten ze op je.’

Lan gromde. Dat was waarschijnlijk waar. ‘We zijn een karavaan,’ zei hij luid. ‘Denk eraan, als iemand ernaar vraagt, mag je toegeven dat we Malkieri zijn. Je mag zeggen dat je op je koning wacht. Dat is de waarheid. Je mag niet zeggen dat je hem hebt gevonden.’ De anderen leken verstoord, maar ze boden geen tegenwerpingen. Lan leidde hen verder de helling af, gevolgd door hun karavaan van twintig wagens met strijdrossen en volgelingen. Dit was wat hij altijd had gevreesd. Malkier weer opeisen was onmogelijk. Ze zouden sterven, ongeacht de grootte van hun leger. Een aanval? Op de Verwording? Belachelijk.

Dat kon hij niet van hen verlangen. Hij kon dat niet toestaan. Terwijl hij zijn weg vervolgde, werd hij vastberadener. Die moedige mannen met hun vlaggen... ze zouden zich moeten aansluiten bij de Shienaraanse troepen en een slag moeten leveren die iets betekende. Hij zou hun levens niet opeisen.

De dood is lichter dan een veer... Rakim had dat tijdens hun rit meerdere keren voor zijn voeten geworpen. Hij volgde Lan tientallen jaren geleden, tijdens de Aiel-oorlog. De plicht is zwaarder dan een berg.

Lan vluchtte niét voor zijn plicht. Hij rende ernaartoe. Toch beroerde het zien van de kampen iets in zijn hart toen hij de voet van de helling bereikte en verder reed. De wachtende mannen droegen eenvoudige strijderskleding en hadori’s, de vrouwen hadden een ki’sain op hun voorhoofd. Sommige mannen droegen jassen met de Gouden Kroon op de schouders; het teken van de koninklijke wacht van Malkier. Ze zouden die alleen dragen als hun vaders of grootvaders in de wacht hadden gediend.

Het was een aanblik waar Bukama in tranen bij zou zijn uitgebarsten. Hij had gedacht dat de Malkieri als volk verdwenen waren; gebroken, verspreid, opgenomen in andere naties. Maar hier waren ze, zich verzamelend na de geringste fluistering over een roep om de wapens op te nemen. Velen waren al op leeftijd. Lan was nog maar een zuigeling geweest toen zijn koninkrijk viel, en degenen die zich die dag nog herinnerden als volwassen mannen, zouden nu in de zeventig of tachtig zijn. Ze hadden grijs haar, maar het waren nog steeds krijgers, en ze hadden hun zonen en kleinzonen meegebracht. ‘Tai’shar Malkier!’ riep een man toen Lans groep langskwam. De roep werd nog tien, twintig keer herhaald toen ze zijn hadori zagen. Geen van hen scheen hem te herkennen. Ze namen aan dat hij hier was om dezelfde reden als zij.

De Laatste Slag nadert, dacht Lan. Moet ik hun het recht ontzeggen om naast me te vechten?

Ja, het kon niet anders. Hij kon beter onopgemerkt en onherkend verdergaan. Hij hield zijn blik naar voren gericht, zijn hand op zijn zwaard, zijn mond dicht. Maar bij elke roep van Tai’shar Malkier wilde hij zijn rug verder rechten. Ze leken hem kracht te schenken, naar voren te duwen.

De poorten tussen de twee forten stonden open, hoewel soldaten iedere man die erdoor ging ondervroegen. Lan hield Mandarb in, en zijn mensen kwamen achter hem tot stilstand. Hadden de Arafellers mogelijk opdracht om naar hem uit te kijken? Wat anders kon hij doen dan doorrijden? Een omweg zou weken in beslag nemen. Zijn karavaan wachtte, en toen ze aan de beurt waren stapte Lan naar de poortwachter toe.

‘Doel?’ vroeg de geüniformeerde Arafeller, met vlechten in zijn haar. ‘We reizen naar Fal Moran,’ zei Lan. ‘Vanwege de Laatste Slag.’

‘Wachten jullie niet hier zoals de rest?’ vroeg de wachter, die met een gehandschoende hand naar de verzamelde Malkieri gebaarde.