Выбрать главу

‘Op je koning?’

‘Ik heb geen koning,’ zei Lan zacht.

De soldaat knikte langzaam en wreef over zijn kin. Toen wenkte hij enkele soldaten om de goederen op de wagens te bekijken. ‘Daar moet een tarief voor worden betaald.’

‘Ik wil het aan de Shienaranen geven die in de Laatste Slag vechten,’ zei Lan. ‘Zonder vergoeding.’ De wachter trok zijn wenkbrauwen op.

‘U hebt mijn eed daarop,’ zei Lan zacht, en hij keek de man in de ogen.

‘Dan ook geen tarief. Tai’shar Malkier, mijn vriend.’

Tai’shar Arafel.’ Lan spoorde zijn paard aan. Hij vond het vreselijk om tussen de Zilvermuren door te rijden; hij had het gevoel alsof duizend boogschutters hun pijlen op hem richtten. De Trolloks zouden hier niet eenvoudig langs komen, als de Arafellers gedwongen werden zich zo ver terug te trekken. Er waren tijden geweest dat dat was gebeurd, en ze hadden hier elke keer standgehouden, net als in de tijd van Yakobin de Onversaagde.

Lan hield bijna de hele weg zijn adem in. Hij was opgelucht toen hij aan de andere kant aankwam en wendde Mandarb de weg naar het noordoosten op.

‘Al’Lan Mandragoran?’ riep een stem ergens achter hem. Lan verstijfde. De roep was van boven gekomen. Hij draaide zich om en keek naar het fort aan de linkerkant. Er stak daar een hoofd uit het raam.

‘Het Licht zij gezegend, u bent het écht!’ riep de stem. Het hoofd werd naar binnen getrokken.

Lan wilde er het liefst vandoor gaan. Maar als hij dat deed, dan zou die man zeker anderen waarschuwen. Hij wachtte. De gestalte kwam de deur van het fort uit rennen. Lan herkende hem: een jongen, nog geen man, gekleed in het rood en met een diepblauwe mantel aan. Kaisel Noramaga, de kleinzoon van de koningin van Kandor. ‘Heer Mandragoran,’ riep de jongeling terwijl hij kwam aanrennen. ‘U bent gekomen! Toen ik hoorde dat de Gouden Kraanvogel was geheven...’

‘Ik heb hem niet geheven, prins Kaisel. Het was mijn bedoeling om in mijn eentje te reizen.’

‘Natuurlijk. Ik zou graag in mijn eentje met u meereizen. Mag dat?’

‘Dat is geen verstandige keus, Hoogheid,’ zei Lan. ‘Uw grootmoeder is in het zuiden; ik neem aan dat uw vader regeert in Kandor. U zou bij hem moeten zijn. Wat doet u hier?’

‘Prins Kendral heeft me uitgenodigd,’ antwoordde Kaisel. ‘En mijn vader vroeg me te komen. We willen allebei met u meerijden!’

‘Kendral ook?’ vroeg Lan onthutst. De kleinzoon van de Arafelse koning? ‘U beiden hoort bij uw volk te zijn!’

‘Onze voorvaderen hebben een eed gezworen,’ zei de jongeman. ‘Een eed om te beschermen en verdedigen. Die eed is sterker dan bloed, heer Mandragoran. Hij is sterker dan de menselijke wil of keuzevrijheid. Uw vrouw zei dat we hier moesten wachten; ze voorspelde dat u zou proberen langs te rijden zonder ons te groeten.’

‘Hoe had u me opgemerkt?’ vroeg Lan, die zijn woede in toom hield. ‘Het paard,’ zei Kaisel, knikkend naar Mandarb. ‘Ze zei dat u zich misschien zou vermommen, maar dat u dat paard nooit zou achterlaten.’

Het Licht verzenge die vrouw, dacht Lan toen hij de roep door het fort hoorde weerklinken. Hij was in de luren gelegd. Die vervloekte Nynaeve. En het Licht zegene haar ook. Hij probeerde een gevoel van liefde en frustratie door de binding naar haar toe te sturen. En toen, met een diepe zucht, gaf hij toe. ‘De Gouden Kraanvogel wappert voor Tarmon Gai’don,’ zei Lan zacht. ‘Laat iedere man of vrouw die dat wenst, zich erbij aansluiten en strijden.’ Hij sloot zijn ogen toen de roep weerklonk. Al snel werd het gejuich. Toen gebrul.

43

Een kopje thee

‘Een die Asha’man beweren vrij te zijn van de smet?’ vroeg Galad, terwijl hij en Perijn Aybara zich een weg zochten door de nasleep van de veldslag. ‘Ja,’ zei Perijn. ‘En ik ben geneigd hen te geloven. Waarom zouden ze liegen?’

Galad trok zijn wenkbrauw op. ‘Waanzin?’

Perijn knikte. Die Perijn Aybara was een intrigerend man. Anderen reageerden vaak kwaad als Galad zei wat hij dacht, maar hij begon te beseffen dat hij zich bij Perijn niet hoefde in te houden. Die man reageerde goed op openhartigheid. Als hij inderdaad een Duistervriend of Schaduwgebroed was, dan was hij wel een heel vreemde soort.

Het begon lichter te worden aan de horizon. Was de nacht nu al om? De grond lag bezaaid met lichamen, de meeste van Trolloks. Er hing een stank van verbrand vlees en geschroeid haar, misselijkmakend vermengd met die van bloed en modder. Galad was doodop. Hij had zich door een Aes Sedai laten Helen. ‘Als je je reserves eenmaal hebt ingezet, heeft het geen zin meer om je verkenners achter te houden,’ zei Garet Brin vaak. Als hij Aes Sedai zijn mannen liet redden, dan kon hij net zo goed ook hun Heling aanvaarden. Ooit had hij daar lang niet zoveel moeite mee gehad. ‘Het zou kunnen,’ zei Perijn. ‘Misschien zijn de Asha’man waanzinnig en is de smet niet weggenomen. Maar ze hebben me goed gediend, en ik vind dat ze recht hebben op mijn vertrouwen totdat anders blijkt. Jij en je mannen kunnen je leven wel eens te danken hebben aan Gradi en Neald.’

‘En ze hebben mijn dank,’ zei Galad, stappend over het reusachtige lichaam van een Trollok met de snuit van een beer. ‘Hoewel niet veel van mijn mannen datzelfde zullen uitspreken. Ze weten niet goed wat ze van je inmenging hier moeten denken, Aybara.’

‘Denken ze nog steeds dat ik ze er op een of andere manier in heb laten lopen?’

‘Misschien wel,’ zei Galad. ‘Ofwel je bent een Duistervriend van ongeëvenaarde sluwheid, of je hebt echt gedaan wat je zei: mijn mannen redden, ondanks de manier waarop je door ons behandeld bent. In dat geval ben je een man van eer. Het zou je leven een stuk eenvoudiger hebben gemaakt als je ons had laten sterven, denk ik.’

‘Nee,’ zei Perijn. ‘Elk zwaard is nodig bij de Laatste Slag, Galad. Allemaal.’

Galad gromde, knielde neer naast een soldaat met een rode mantel en draaide hem om. Het was geen rode mantel; hij was wit, maar doordrenkt met bloed. Ranun Sinah zou de Laatste Slag niet meer meemaken. Galad sloot de ogen van de jongeman en richtte in zijn naam een gebedje tot het Licht.

‘En wat volgt er nu voor jou en de jouwen?’ vroeg Perijn. ‘We gaan verder,’ zei Galad, die opstond. ‘Noordwaarts, naar mijn landgoederen in Andor om ons voor te bereiden.’

‘Je zou ook...’ Perijn verstijfde. Toen draaide hij zich om en rende weg over het slagveld. Galad haastte zich achter hem aan. Perijn kwam bij een stapel Trolloks aan en begon karkassen opzij te duwen. Galad hoorde een heel zacht geluid. Gekerm. Hij hielp bij het verplaatsen van een dood beest met een havikskop, waarin te menselijke ogen levenloos voor zich uit staarden.

Kronder lag een jongeman die knipperend naar hen keek. Het was Jerum Nus, een van de Kinderen.

‘O, Licht,’ kraste de jongeman. ‘Het doet pijn. Ik dacht dat ik dood was. Dood...’

Zijn zij was opengehaald. Perijn knielde haastig neer, hielp de jongen zijn hoofd op te tillen en gaf hem wat water te drinken, terwijl Galad een stuk verband uit zijn tas haalde en de wond ermee verbond. Het was ernstig. De ongelukkige jongeman zou er zeker aan overlijden. Hij...

Nee, besefte Galad. We hebben nu Aes Sedai. Het viel niet mee om daaraan te wennen.

Jerum huilde van vreugde en hield Perijns arm vast. De jongen leek te ijlen. Hij gaf schijnbaar niets om die goudkleurige ogen. ‘Drinken, jongen,’ zei Perijn met geruststellende stem. Vriendelijk. ‘Het is allemaal voorbij. We hebben je gevonden. Alles komt goed.’

‘Ik heb wel uren geroepen,’ zei de jongeman. ‘Maar ik was zo zwak, en ze lagen boven op me. Hoe... hoe hebben jullie me gevonden?’

‘Ik heb goeie oren,’ zei Perijn. Hij knikte naar Galad, en samen tilden ze de jongeling op, Perijn bij de armen, Galad bij de benen. Voorzichtig droegen ze hem over het slagveld. De jongeman bleef mompelen en af en toe het bewustzijn verliezen.

Aan de zijkant van het slagveld waren de Aes Sedai en Wijzen van de Aiel bezig met het Helen van de gewonden. Toen Galad en Perijn aankwamen, rende een lichtharige Wijze – een vrouw die geen dag ouder leek dan Galad, maar sprak met het gezag van een oude matrone – naar hen toe. Toen ze zijn hoofd aanraakte, berispte ze hen kort omdat ze de jongen hadden verplaatst.