‘Geeft u toestemming, Galad Damodred?’ vroeg ze. ‘Deze man is te ver heen om voor zichzelf te spreken.’
Galad had erop gestaan dat elk Kind de keus kreeg om Heling te weigeren, ongeacht de aard van zijn verwondingen. De Aes Sedai en Wijzen waren daar niet blij mee geweest, maar Perijn had het bevel bevestigd. Ze schenen naar hem te luisteren. Vreemd. Galad had maar zelden een Aes Sedai ontmoet die naar bevelen, of zelfs maar de mening, van een man wilde luisteren. ‘Ja,’ antwoordde Galad. ‘Heel hem.’
De Wijze richtte zich op haar werk. De meeste Kinderen hadden Heling geweigerd, hoewel sommigen zich hadden bedacht toen ze zagen dat Galad het wel aanvaardde. De ademhaling van de jongeman werd regelmatiger en zijn wond sloot zich. De Wijze Heelde hem niet volkomen; alleen voldoende om de dag te overleven. Toen ze haar ogen opende, zag ze er afgemat uit, nog vermoeider dan Galad zich voelde.
De geleiders hadden de hele nacht gevochten en daarna Helingen verricht. Galad en Perijn liepen het veld weer op. Zij waren natuurlijk niet de enigen die zochten naar gewonden. Perijn had als bevelhebber terug kunnen gaan naar het kamp om te rusten, maar dat had hij niet gedaan.
‘Ik kan je nog een andere mogelijkheid bieden,’ zei Perijn onder het lopen, in plaats van hier te blijven, in Geldan, weken van je bestemming vandaan, zou ik je vanavond al in Andor kunnen hebben.’
‘Mijn mannen zouden dat Reizen niet vertrouwen.’
‘Ze zouden het wel doen als jij het ze opdroeg,’ zei Perijn. ‘Je hebt gezegd dat je samen met de Aes Sedai wilt strijden. Nou, ik zie geen verschil tussen dat en dit. Ga met mij mee.’
‘Zou je dan willen dat wij ons bij je aansluiten?’
Perijn knikte. ‘Maar dan heb ik wel een eed van je nodig.’
‘Wat voor eed?’
‘Ik zal eerlijk zijn, Galad. Ik denk niet dat we nog veel tijd hebben. Een paar weken, misschien. En ik denk dat we jullie nodig zullen hebben, maar Rhand zal niet blij zijn met de gedachte aan Witmantels die zonder toezicht aan de strijd deelnemen. Dus ik wil dat je zweert dat je mij als bevelvoerder aanvaardt totdat de strijd gestreden is.’
Galad aarzelde. De zon was nu bijna op; in feite was hij misschien al op, achter die wolken. ‘Besef je wel wat een vermetel voorstel je doet? De Kapiteinheer-gebieder van de Kinderen van het Licht, die bevelen gehoorzaamt van wie dan ook, dat zou al opmerkelijk zijn. Maar van jou, een man die onlangs is veroordeeld als moordenaar? Een man van wie de meeste Kinderen ervan overtuigd zijn dat hij een Duistervriend is?’
Perijn keek hem aan. ‘Als je nu met mij meegaat, zorg ik dat je de Laatste Slag bereikt. Wie weet wat er zonder mij zou gebeuren?’
‘Je zei dat elk zwaard nodig was,’ antwoordde Galad. ‘Zou je ons dan achterlaten?’
‘Ja. Als ik die eed niet krijg wel. Rhand komt jullie dan misschien zelf nog wel halen. Met mij weet je wat je krijgt. Ik zal jullie eerlijk behandelen. Ik vraag alleen dat je mannen in het gareel blijven, en vechten waar ze moeten vechten als de strijd begint. Rhand... nou, tegen mij kun je nee zeggen. Het zal je veel zwaarder vallen hém te weigeren. En ik denk ook niet dat de uitkomst je half zoveel zal bevallen als je uiteindelijk ja tegen hem zegt.’
Galad fronste zijn voorhoofd. ‘Je bent een merkwaardig overtuigend man, Perijn Aybara.’
‘Zijn we het eens?’ Perijn stak zijn hand uit.
Galad pakte hem aan. Dat kwam niet door het dreigement; het kwam door de herinnering aan Perijns stem toen hij de gewonde Jerum had gevonden. Dat medeleven. Een Duistervriend zou dat nooit kunnen veinzen.
‘Je hebt mijn eed,’ beloofde Galad. ‘Ik aanvaard je als mijn militair bevelvoerder tot het einde van de Laatste Slag.’ Plotseling voelde hij zich zwakker dan even daarvoor, en hij slaakte een zucht en liet zich op een rotsblok zakken.
‘En jij hebt mijn eed,’ zei Perijn. ik zal zorgen dat je mannen worden verzorgd net als alle anderen. Blijf jij maar even zitten rusten; ik ga daar zoeken. De flauwte gaat zo wel over.’
‘Flauwte?’
Perijn knikte, ik weet hoe het voelt om verstrikt te raken in de noden van een ta’veren. Licht, ik weet het.’ Hij keek Galad aan. ‘Heb je je wel eens afgevraagd waarom we hier zijn beland, op dezelfde plek?’
‘Mijn mannen en ik namen aan dat het was omdat het Licht je op ons pad had gebracht,’ zei Galad. ‘Zodat we je konden straffen.’ Perijn schudde zijn hoofd. ‘Dat is het helemaal niet. De waarheid, Galad, is dat ik je kennelijk nodig had. En daarom ben je hier beland.’ Na die woorden liep hij weg.
Alliandre vouwde zorgvuldig het verband op en gaf het aan een wachtende gai’shain. Zijn vingers waren dik en eeltig, zijn gezicht verborgen onder de kap van zijn mantel. Ze dacht dat het misschien Niagen was, de Broederloze voor wie Lacile een zwak had. Dat stak Faile nog steeds, maar Alliandre begreep niet waarom. Een Aielman zou waarschijnlijk goed bij Lacile passen.
Alliandre rolde nog een stuk verband op. Ze zat samen met andere vrouwen op een kleine open plek bij het slagveld, omringd door warrige strooikopjes en groepen lederbladbomen. De koele ochtend was stil, op het gekerm van de gewonden na.
Ze knipte nog een stuk verband. Dit textiel was een hemd geweest. Nu werd het verband. Geen groot verlies; het was niet zo’n mooi hemd geweest, zo te zien.
‘Is de strijd voorbij?’ vroeg Berelain zachtjes. Zij en Faile waren verderop aan het werk, zittend op krukken tegenover elkaar terwijl ze verband knipten.
‘Ja, het lijkt erop,’ antwoordde Faile.
Ze zwegen allebei. Alliandre trok haar wenkbrauw op, maar ze zei niets. Er was iets gaande tussen die twee. Waarom deden ze plotseling alsof ze zulke dikke vriendinnen waren? Het scheen de meeste mannen in het kamp te bedotten, maar Alliandre zag de waarheid in hoe hun lippen verstrakten als ze elkaar tegenkwamen. Het was minder geworden sinds Faile Berelains leven had gered, maar niet geheel verdwenen.
‘Je had gelijk over hem,’ zei Berelain. ‘Je klinkt verbaasd.’
‘Ik zit er niet vaak naast als het op mannen aankomt.’
‘Mijn echtgenoot is niet zoals andere mannen. Het...’ Faile brak haar zin af. Ze keek naar Alliandre en kneep haar ogen samen. Bloedas, dacht Alliandre. Ze zat te ver weg en moest zich inspannen, bijdraaien om af te luisteren. Dat wekte argwaan. De twee vrouwen zwegen weer, en Alliandre stak haar hand omhoog alsof ze naar haar nagels keek. Ja, dacht ze. Negeer me maar. Ik ben niet belangrijk, ik ben maar een vrouw die hierin is meegesleept en probeert het bij te benen. Faile en Berelain dachten dat natuurlijk niet, net zomin als de mannen uit Tweewater ooit hadden geloofd dat Perijn ontrouw was geweest. Als je rustig met hen praatte en hen ernaar vroeg – hen er echt over liet nadenken – dan kwamen ze tot de slotsom dat er iets anders moest zijn gebeurd. Maar zaken als bijgeloof en vooroordelen gingen dieper dan gewone gedachten. Wat die andere twee over Alliandre dachten en wat ze intuïtief vóélden, waren twee verschillende dingen. Bovendien was Alliandre ook echt een vrouw die hierin was meegesleept en probeerde het bij te benen.
Je kon maar beter weten waar je sterke punten lagen. Alliandre ging verder met het knippen van verband. Faile en Berelain hadden uit alle macht willen helpen; Alliandre kon dus niet weg. Niet terwijl die twee zich de laatste tijd zo verrekte fascinerend gedroegen. Bovendien vond ze het geen naar werk. Vergeleken met haar gevangenschap bij de Aiel was dit eigenlijk best plezierig. Helaas gingen die twee niet verder met hun gesprek. Uiteindelijk stond Berelain met een gefrustreerd gezicht op en liep naar de andere kant van de open plek.
Alliandre voelde de vorst bijna van de vrouw afstralen. Berelain bleef staan bij enkele anderen die verband rolden. Alliandre stond op en liep met haar kruk, schaar en doeken naar Faile toe. ‘Ik geloof niet dat ik haar ooit zo van streek heb gezien,’ zei ze tegen Faile. ‘Ze houdt er niet van om ongelijk te krijgen,’ merkte Faile op. Ze haalde diep adem en schudde haar hoofd. ‘Ze ziet de wereld als een netwerk van halve waarheden en afleidingen, en ze schrijft ingewikkelde motivaties toe aan de eenvoudigste mannen. Ik vermoed dat het haar heel goed maakt in de politiek aan het hof. Maar ik zou niet zo willen leven.’