Morgase bloosde. ‘Lini,’ snauwde ze, ‘ik ben geen achttien meer!’
‘Nee, toen u achttien was, was u fatsoenlijk getrouwd. Moet ik u bij de oren pakken?’
‘Ik...’ zei Morgase.
‘We gaan mee, Lini,’ zei Tallanvor.
Morgase keek hem kwaad aan.
Hij fronste zijn voorhoofd. ‘Wat is er?’
‘Je hebt me niet gevraagd.’
Hij glimlachte en omhelsde haar. ‘Morgase Trakand, wil je mijn vrouw worden?’
‘Ja,’ antwoordde ze. ‘En nü gaan we naar Perijn toe.’
Perijn trok aan de eikentak. Hij brak af en poederig houtstof wolk-te naar buiten. Terwijl hij de tak omhoog hield, stroomde er zaagsel van het uiteinde op het bruine gras.
‘Dit is vannacht gebeurd, heer,’ zei Kevlyn Tor, die zijn handschoenen vasthield. ‘Dat hele groepje hardhoutbomen daar, dood en verdroogd in één nacht. Bijna honderd bomen, schat ik.’ Perijn liet de tak vallen en klopte zijn handen af. ‘Dit is niet erger dan we al eerder hebben gezien.’
‘Maar...’
‘Maak je er geen zorgen om,’ kapte Perijn hem af. ‘Stuur hier een paar man naartoe om het hout te verzamelen voor de vuren; het ziet eruit alsof het goed zal branden.’
Kevlyn knikte en haastte zich weg. Andere houthakkers liepen tussen de bomen door en keken ongerust. Eiken, essen, olmen en bitternootbomen die in één nacht doodgingen was al erg genoeg. Maar afsterven en dan uitdrogen, alsof ze al jaren dood waren? Dat was regelrecht onrustbarend. Hij kon dat echter maar beter niet laten merken, anders werden de mannen bang.
Perijn liep terug naar het kamp. In de verte hoorde hij aambeelden. Ze hadden grondstoffen opgehaald, elk beetje ijzer en staal dat ze in Wittebrug konden krijgen. De mensen hadden graag willen ruilen voor voedsel, en Perijn had vijf smidsovens verkregen, met mannen om ze te verplaatsen en op te stellen, hamers, andere gereedschappen en kolen.
Hij had enkele mensen in die stad misschien wel van de hongersnood gered. Voor een tijdje, althans.
De smeden bleven hameren. Hopelijk liet hij Neald en de rest niet te hard werken. Met de Kracht gemaakte wapens zouden zijn mensen een belangrijk voordeel bieden. Neald had niet helemaal kunnen vertellen wat hij nu eigenlijk had gedaan toen hij hielp bij het smeden van Mah’alleinir, maar daar had Perijn niet van opgekeken. Die avond was uniek geweest. Hij legde zijn hand op het wapen, voelde de lichte warmte ervan en dacht aan Springer. Waar Neald wél achter was, was hoe hij klingen kon maken die niet bot werden of braken. Hoe meer hij oefende, hoe scherper de randen die hij kon maken. De Aiel begonnen die scherpte nu ook al voor hun speren te eisen, en Perijn had Neald opgedragen daar eerst voor te zorgen. Dat was wel het minste wat hij hun verschuldigd was. Op het Reisterrein aan de rand van het grote, steeds beter verdedigde kamp stond Gradi in een cirkel met Annoura en Masuri, om een Poort open te houden. Dit was de laatste groep burgers die hem wilde verlaten, de groep die naar Caemlin ging. Onder hen was ook een boodschapper die naar Elayne zou gaan. Hij moest haar snel spreken; hij wist niet of hij zich zorgen moest maken of niet. De tijd zou het uitwijzen.
Enkele anderen kwamen de Poort uit met een paar karren vol voedsel dat ze in Caemlin hadden gekocht, waar het nog verkrijgbaar was. Uiteindelijk zag hij Faile, die door het kamp naar hem toe kwam lopen. Hij zwaaide en wenkte haar.
‘Alles goed met Bavin?’ vroeg Perijn. Ze was bij de tent van de kwartiermeester geweest. ‘Alles is goed.’
Perijn wreef over zijn kin. ‘Eigenlijk wilde ik je dit al eerder vertellen: ik denk niet dat hij heel erg eerlijk is.’
‘Ik zal een oogje op hem houden,’ antwoordde ze, en ze klonk vermaakt.
‘Berelain zit steeds vaker bij de Witmantels,’ zei Perijn. ‘Volgens mij heeft ze een oogje op Damodred. Ze laat me helemaal met rust.’
‘O ja?’
‘Ja. En ze heeft die verklaring uitgevaardigd, waarin ze de geruchten over haar en mij van de hand wijst. Licht, maar de mensen schijnen dat daadwerkelijk te geloven. Ik was bang dat ze het als teken van wanhoop zouden opvatten!’ Faile rook tevreden.
Hij legde zijn hand op haar schouder, ik weet niet wat je hebt gedaan, maar dank je.’
‘Ken je het verschil tussen een havik en een valk, Perijn?’
‘De grootte, vooral,’ zei hij. ‘En de vorm van hun vleugels. De valk lijkt meer op een pijl.’
‘De valk,’ zei Faile, ‘is een betere vlieger. Hij doodt met zijn snavel en is heel snel. De havik is trager en sterker; hij blinkt uit in het vangen van prooi die op de grond loopt. Hij doodt graag met zijn klauwen, aanvallend vanuit de lucht.’
‘Ja, goed,’ zei Perijn. ‘Maar dat betekent toch niet dat als ze allebei een konijn zien lopen, de havik hem eerder zal grijpen?’
‘Dat is nu net wat het wel betekent.’ Ze glimlachte. ‘De havik is beter in jagen op konijnen. Maar, begrijp je, de valk is beter in jagen op de havik. Heb je die boodschapper naar Elayne gestuurd?’ Vrouwen. Hij zou ze nooit begrijpen. Voor één keer leek hem dat echter maar goed ook. ‘Ja. Hopelijk kunnen we haar snel ontmoeten.’
‘Er wordt in het kamp al gekletst over wie je mee wilt nemen.’
‘Waarom zou daarover gekletst worden?’ vroeg Perijn. ‘Jou, natuurlijk. Jij zal het beste weten hoe we met Elayne moeten omgaan, hoewel het waarschijnlijk geen kwaad kan als Alliandre ook meegaat.’
‘En Berelain?’
‘Zij kan in het kamp blijven,’ zei Perijn. ‘Het reilen en zeilen hier overzien. Zij is de vorige keer mee geweest.’
Faile rook nog tevredener. ‘We zouden...’ Ze brak haar zin af en fronste haar voorhoofd. ‘Nou, het lijkt erop dat het laatste blad eindelijk is gevallen.’
‘Wat?’ vroeg Perijn, die zich omdraaide. Ze keek naar een groep die op hen af liep. De oude Lini, en achter haar Morgase en Tallanvor, die naar elkaar keken als een stel dat terugkwam van hun eerste Beltije samen, ik dacht dat ze hem niet mocht,’ zei hij. ‘Of als ze dat wel deed, dat ze toch niet met hem wilde trouwen.’
‘Gedachten veranderen soms,’ zei Faile, ‘veel sneller dan harten.’ Haar geur was een beetje boos, hoewel ze dat onderdrukte. Ze had Morgase nog niet volledig vergeven, maar ze was niet langer regelrecht vijandig.
‘Perijn Aybara,’ kondigde Morgase aan. ‘Jij bent de heer van dit kamp, of wat er buiten mijn stiefzoon het meest voor doorgaat. Maar het zou niet juist zijn om een zoon te vragen zijn moeder in de echt te verbinden, dus moet jij het maar doen. Deze man heeft om mijn hand gevraagd. Wil jij de plechtigheid voor ons uitvoeren?’
‘Je hebt een dubbelzinnige manier van hulp vragen, Morgase,’ zei hij.
De vrouw keek hem met samengeknepen ogen aan. Faile keek hem ook aan en rook boos. Perijn zuchtte. Onderling mochten vrouwen dan ruzie maken, maar ze stonden altijd klaar om zich op een man te werpen die iets verkeerds zei, ook al was het dan de waarheid. Maar Morgase kalmeerde. ‘Het spijt me. Ik wilde je gezag niet beledigen.’
‘Geeft niet,’ zei hij. ‘Je hebt wel reden om eraan te twijfelen.’
‘Nee,’ zei Morgase, die haar rug rechtte. Licht, ze kon er echt uitzien als een koningin als ze wilde. Hoe was hem dat eerder toch ontgaan? ‘Je bént heer, Perijn Aybara. Je daden bewijzen het. Tweewater is gezegend met jou, en misschien Andor ook wel. Zolang je daar maar deel van blijft uitmaken.’
‘Dat is wel mijn bedoeling,’ beloofde Perijn.
‘Nou, als je dit voor me wilt doen,’ zei ze, kijkend naar Tallanvor, ‘dan ben ik bereid een goed woordje voor je te doen bij Elayne. Er kunnen regelingen worden getroffen en titels – echte titels – worden toegekend.’
‘We nemen graag je aanbod van dat goede woordje aan,’ zei Faile, snel sprekend voordat Perijn het kon doen. ‘Maar wij zullen besluiten, samen met Hare Majesteit, of het toekennen van titels de... juiste koers is op dit ogenblik.’
Perijn keek haar aan. Ze overwoog toch niet nog steeds om Tweewater af te splitsen als zelfstandig koninkrijk? Ze hadden het er nooit zo openlijk over gehad, maar ze had hem wel aangemoedigd de vlag van Manetheren te voeren. Nou, dat zouden ze nog maar eens moeten bekijken.