Hij zag dat Galad Damodred naar hen toe kwam lopen, Berelain -zoals de laatste tijd doorlopend – was bij hem. Kennelijk had Morgase een renner naar hem toe gestuurd. Galad stopte iets in zijn zak. Een briefje, zo leek het, met een rood zegel. Waar had hij dat vandaan? Hij keek ongerust, hoewel zijn gezicht opklaarde toen hij bij hen was. Hij leek niet verbaasd over het huwelijk. Hij knikte naar Perijn, omhelsde zijn moeder en groette Tallanvor beleefd, maar met strenge ogen.
‘Wat voor plechtigheid wil je?’ vroeg Perijn aan Morgase. ik ken alleen de Tweewaterse manier.’
‘Ik denk dat eenvoudige beloften in jouw bijzijn wel voldoende zijn,’ antwoordde Morgase. ik ben oud genoeg om niet meer op ceremonie te staan.’
‘Klinkt passend,’ zei Perijn.
Galad stapte opzij en Morgase en Tallanvor namen elkaar bij de hand. ‘Martyn Tallanvor,’ zei ze. ik heb meer van je gekregen dan ik verdien, en al langer dan ik wist dat ik het had. Jij beweert dat de liefde van een eenvoudig soldaat niets is vergeleken met de mantel van een koningin, maar ik zeg dat je een man niet afmeet aan zijn titel, maar aan zijn ziel.
Ik heb moed van je gezien, toewijding, trouw en liefde. Ik heb het hart van een prins in jou gezien, het hart van een man die trouw bleef terwijl honderden om hem heen faalden. Ik zweer dat ik van je hou. En voor het Licht zweer ik dat ik je niet zal verlaten. Ik zweer dat ik je voor altijd zal koesteren en je mijn echtgenoot zal noemen.’ Berelain pakte een zakdoek en depte haar ooghoeken. Ach, vrouwen huilden altijd bij dingen als bruiloften. Hoewel Perijn... nou, eigenlijk voelde hij ook wat vocht in zijn ogen. Zeker door het zonlicht. ‘Morgase Trakand,’ zei Tallanvor, ‘ik werd verliefd op je om hoe je als koningin de mensen om je heen behandelde. Ik zag een vrouw die de plicht niet alleen vanuit een gevoel van verantwoordelijkheid op zich nam, maar met hartstocht. Zelfs toen je me kende als een eenvoudige wachter, behandelde je me altijd vriendelijk en met eerbied. Zo ging je met al je onderdanen om.
Ik hou van je om je goedheid, je slimheid, de kracht van je geest en je wil. Een Verzaker heeft je nog niet kunnen breken; je ontkwam aan hem toen hij dacht dat hij je volledig beheerste. De verschrikkelijkste tiran kon je niet breken, zelfs niet toen hij je in zijn handpalm had. De Shaido konden je niet breken. Ieder ander zou verbitterd zijn geraakt als ze had doorstaan wat jij hebt doorstaan. Maar jij... jij bent steeds meer gegroeid tot iemand die je kunt bewonderen, koesteren en eerbiedigen.
Ik zweer dat ik van je hou. En voor het Licht zweer ik dat ik je nooit, nóóit zal verlaten. Ik zweer dat ik je voor altijd zal koesteren en mijn vrouw zal noemen. Ik zweer het, Morgase, hoewel een deel van mij nog steeds niet kan geloven dat dit echt gebeurt.’ En toen stonden ze daar, in eikaars ogen starend alsof Perijn er helemaal niet was.
Hij hoestte. ‘Nou, zo zij het dan. Jullie zijn getrouwd.’ Moest hij soms nog raad geven? Maar wat voor raad kon hij geven aan Morgase Trakand, een koningin met kinderen die net zou oud waren als hij? Hij haalde eenvoudigweg zijn schouders op. ‘Zo. Vort dan maar met jullie.’
Naast hem rook Faile vermaakt en lichtelijk ontevreden. Lini snoof om Perijns optreden, maar ze leidde Morgase en Tallanvor weg. Galad knikte naar hem en Berelain maakte een knicks. Ze liepen weg, terwijl Berelain iets zei over hoe plotseling het gebeurd was. Faile glimlachte naar hem. ‘Daar zul je beter in moeten worden.’
‘Ze wilden iets eenvoudigs.’
‘Iedereen zégt dat,’ antwoordde Faile. ‘Maar je kunt ook gezag uitstralen terwijl je iets kort houdt. We hebben het er nog wel over. De volgende keer zul je het een stuk beter doen.’ De volgende keer? Hij schudde zijn hoofd toen Faile zich omdraaide en naar het kamp liep. ‘Waar ga je heen?’ vroeg Perijn.
‘Naar Bavin. Ik moet een paar vaten bier aan hem vragen.’
‘Waarvoor?’
‘Voor het feest,’ zei Faile, over haar schouder kijkend. ‘Op een plechtigheid kan je beknibbelen als het nodig is, maar op het feest moet je nooit bezuinigen.’ Ze keek omhoog. ‘Vooral in dit soort tijden.’ Perijn keek haar na tot ze in het uitgestrekte kamp verdween. Soldaten, boeren, ambachtslieden, Aiel, Witmantels, vluchtelingen. Bijna zeventigduizend mensen, ondanks de aantallen die waren vertrokken of gesneuveld in de strijd. Hoe had hij zo’n leger verzameld? Voordat hij uit Tweewater wegging, had hij nooit meer dan duizend mensen bij elkaar gezien.
Het grootste deel bestond uit de groep voormalige huurlingen en vluchtelingen die werden opgeleid door Tam en Dannil. De Wolvengarde noemden ze zichzelf, wat dat ook moge betekenen. Perijn wilde weglopen om bij de voorraadwagens te gaan kijken, maar iets kleins raakte hem zachtjes tegen zijn achterhoofd. Hij verstijfde, draaide zich om en tuurde in het bos achter hem. Rechts van hem was het bruin en dood; links werden de bomen dunner. Hij zag niemand.
Heb ik te hard gewerkt, vroeg hij zich af, wrijvend over zijn hoofd terwijl hij verder liep. Beeld ik me dingen in die... Weer een tikje tegen zijn achterhoofd. Hij draaide zich met een ruk om en zag iets op het gras vallen. Fronsend knielde hij neer en raapte het op. Een eikel. Een volgende raakte zijn voorhoofd. Hij was uit het bos gekomen.
Perijn gromde en beende het bos in. Een van de weinige kinderen in het kamp, misschien? Verderop stond een grote eikenboom; de stam was dik genoeg om je achter te verbergen. Toen hij dichterbij kwam, aarzelde hij. Was dit een valstrik? Hij legde zijn hand op zijn hamer en schuifelde verder. De boom stond voor de wind, en hij ving geen geur op van...
Plotseling werd er een hand achter de stam vandaan gestoken, met een bruine zak erin. ik heb een das gevangen,’ zei een bekende stem. ‘Zullen we hem vrijlaten op het dorpsplein?’
Perijn verstarde, maar toen lachte hij bulderend en liep om de boomstam heen. Er zat een man in een rode jas met een hoge kraag – afgezet met goud – en een mooie bruine broek op de blootliggende wortels van de boom, met een wriemelende zak aan zijn voeten. Mart kauwde rustig op een stuk gedroogd vlees en droeg een breedgerande zwarte hoed. Een zwart paalwapen met een breed lemmet aan het uiteinde stond naast hem tegen de boom. Waar had hij zulke mooie kleding vandaan? Had hij niet ooit geklaagd dat Rhand zich zo uitdoste?
‘Mart?’ vroeg Perijn, bijna te verbaasd om iets uit te brengen. ‘Wat doe jij hier?’
‘Dassen vangen,’ zei Mart, schuddend met de zak. ‘Verrekte zwaar werk, weet je, vooral op zo korte termijn.’
De zak bewoog en Perijn hoorde er een zacht gegrom uit komen. Hij rook dat er inderdaad iets levends in zat. ‘Heb je er echt een gevangen?’
‘Jeugdsentiment, zeg maar.’
Perijn wist niet of hij Mart moest berispen of moest lachen; die mengeling van gevoelens had hij altijd bij Mart. Er draaiden gelukkig geen kleuren voor Perijns ogen nu ze bij elkaar waren. Licht, dat zou verwarrend zijn geweest. Perijn voelde echter iets... kloppends. De lange man glimlachte, zette de zak neer, stond op en stak zijn hand uit. Perijn pakte die, maar trok Mart toen in een stevige omhelzing.
‘Licht, Mart,’ zei Perijn. ‘Het lijkt wel eeuwen geleden!’
‘Een heel leven,’ beaamde Mart. ‘Misschien wel twee. Ik ben de tel kwijt. Maar goed, Caemlin gonst al van de geruchten over je aankomst. De enige manier om je welkom te kunnen heten, leek me om door die Poort te glippen en naar je toe te gaan voordat alle anderen je zouden vinden.’ Mart pakte zijn speer op en legde die met het lemmet naar achteren over zijn schouder.
‘Wat heb je allemaal gedaan? Waar ben je geweest? Is Thom bij je? En Nynaeve?’
‘Wat een boel vragen,’ zei Mart. ‘Hoe veilig is dat kamp van je?’
‘Zo veilig als maar kan.’
‘Niet veilig genoeg.’ Mart werd ernstig. ‘Luister, Perijn, er zitten een paar allemachtig gevaarlijke lui achter ons aan. Ik ben hierheen gekomen omdat ik je wilde waarschuwen dat je goed moet oppassen. Er komen binnenkort moordenaars achter je aan, en daar kun je maar beter op voorbereid zijn. We moeten bijpraten. Maar dat wil ik niet hier doen.’