46
Leer bewerken
Androl plukte met zijn eeltige vingers voorzichtig het ovale stuk leer uit het dampende water; het was donkerder geworden en omgekruld. Hij werkte snel, want het leer was nu veerkrachtig en soepel.
Hij ging achter zijn werkbank zitten, in een vlak zonlicht dat door het raam rechts van hem naar binnen kwam. Daar wikkelde hij het leer om een houten stok van twee duim doorsnee en prikte gaten langs de randen.
Vervolgens begon hij het leer vast te stikken op een ander stuk dat hij eerder had voorbereid. Goed stiksel langs de buitenzijden zou zorgen dat het niet ging rafelen. Veel leerbewerkers waren achteloos met hun stiksels. Androl niet. Het stiksel was wat mensen als eerste zagen; het viel op, als verf op een muur.
Terwijl hij werkte, droogde het leer en verloor iets van zijn veerkracht, maar het was nog soepel genoeg. Hij maakte de stiksels netjes en gelijk. De laatste paar trok hij aan en gebruikte hij om het leer om de houten stok heen te binden; hij zou die laatste afsnijden zodra het leer helemaal droog was.
Toen het stiksel klaar was, voegde hij wat versieringen toe. Een naam langs de bovenkant, erin gestampt met een hamertje en spijkers met letters erop. De tekens van het Zwaard en de Draak kwamen daarna; die mallen had hij zelf gemaakt, afgeleid van de spelden die de Asha’man droegen.
Onderaan, met zijn kleinste letterspijkers, stampte hij de woorden:
‘Verdedigen. Bewaken. Beschermen.’ Terwijl het leer verder droogde, pakte hij verf en gaas om de letters en afbeeldingen te kleuren voor meer contrast.
Dit soort werk had iets rustigs; zoveel van zijn leven draaide tegenwoordig om vernietiging. Hij wist dat het zo moest zijn. Hij was juist naar de Zwarte Toren gekomen omdat hij begreep wat er komen ging. Toch was het fijn om iets te scheppen.
Hij liet zijn huidige werkstuk liggen om te drogen terwijl hij aan een paar zadelriemen werkte. Hij mat de riemen af aan de inkepingen langs de zijkant van zijn werkbank en reikte naar zijn schaar in de gereedschapsbuidel die aan de tafel hing; die had hij ook zelf gemaakt. Geërgerd stelde hij vast dat de schaar niet op zijn plek lag. Ik vervloek de dag dat mensen ontdekten dat ik hier een goede schaar had, dacht hij. Ondanks Taims zogenaamd strenge regels voor de Zwarte Toren, was er een zorgwekkende mate van chaos. Grote overtredingen werden streng bestraft, maar de kleine dingen – zoals iemands werkplaats binnenwandelen en zijn schaar ‘lenen’ – werden genegeerd. Vooral als de lener een van de lievelingen van de M’Hael was.
Androl zuchtte. Zijn riemmes lag in Cuellars werkplaats om te worden geslepen. Nou, dacht hij, Taim zegt toch dat we altijd een uitvlucht moeten verzinnen om te geleiden... Androl zette alle gevoel van zich af en greep de Bron. Het was maanden geleden dat hem dat nog moeite had gekost, hoewel hij aanvankelijk alleen had kunnen geleiden met een reep leer in zijn hand. De M’Hael had dat uit hem geslagen. Dat was niet aangenaam geweest.
Saidin stroomde door hem heen, zoet, krachtig en schitterend. Hij bleef er lange tijd van zitten genieten. De smet was verdwenen. Wat een wonder was dat. Hij sloot zijn ogen en ademde diep in. Hoe zou het zijn om zoveel van de Ene Kracht te putten als de anderen konden? Af en toe dorstte hij daarnaar. Hij wist dat hij zwak was; de zwakste van de Toegewijden in de Zwarte Toren. Misschien wel zo zwak dat hij het nooit verder dan soldaat had moeten schoppen. Logain had de Draak erover benaderd en de bevordering geregeld, tegen Taims uitdrukkelijke wens in.
Androl opende zijn ogen, hield de riem omhoog en weefde een Poortje van slechts een duim groot. Het sprong voor hem op en sneed de riem in tweeën. Hij glimlachte, liet het Poortje verdwijnen en herhaalde die stap nog eens.
Sommige mensen zeiden dat Logain Androls bevordering er alleen had doorgedrukt als sneer naar Taims gezag. Maar Logain had gezegd dat Androls onvoorstelbare Talent met Poorten hem de titel van Toegewijde had opgeleverd. Logain was een harde man, gebroken, als een oude schede die niet goed was gelakt. Maar in die schede stak nog altijd een dodelijk zwaard. Logain was eerlijk. Een goed mens, onder die sleetse buitenkant.
Androl was klaar met de riemen. Hij liep naar zijn andere werkstuk toe en knipte het draad door dat het ovale stuk leer op zijn plek hield. Het behield zijn vorm, en hij hield het tegen het zonlicht op om het stiksel te bekijken. Het leer was stijf, maar niet broos. Hij legde het om zijn onderarm. Ja, de vorm was goed.
Hij knikte in zichzelf. Een van de handigheidjes in het leven was dat je op kleinigheden moest letten. Aandacht aan de kleine dingen besteden, zorgen dat ze klopten. Als elke stikdraad van een armbeschermer goed was, dan zou hij niet rafelen of knappen. Dat kon het verschil betekenen tussen een boogschutter die de hele strijd standhield, of een die zijn boog moest wegleggen.
Met één boogschutter maakte je geen veldslag. Maar de kleine dingen stapelden zich op, het een boven op het ander, totdat het grote dingen werden. Hij voltooide de armbeschermer door een paar veters aan de achterzijde te bevestigen, waarmee je hem om je arm kon binden.
Hij pakte zijn zwarte jas van de leuning van zijn stoel. De speld met het zilveren zwaard op de hoge kraag glansde in het zonlicht toen hij de knopen dichtdeed. Hij keek naar zichzelf in de ruit en zorgde dat zijn jas recht zat. Kleine dingen waren belangrijk. Een tel duurde kort, maar als je er voldoende naast elkaar zette, kreeg je een mensenleven.
Hij deed de armbeschermer om, duwde de deur van zijn kleine werkplaats open en ging de buitenwijken van het dorp bij de Zwarte Toren in. Hier stonden groepen gebouwen van twee verdiepingen, ongeveer net zoals in andere kleine steden in Andor. Puntdaken, rieten daken, rechte wanden van hout, klei of baksteen. Een dubbele rij leidend naar het midden van het dorp. Als hij alleen daarnaar keek, zou hij zich hebben kunnen indenken dat hij door Nieuw Breem of Grafendal wandelde.
Al moest je dan natuurlijk wel de mannen in zwarte jassen negeren. Ze waren overal, voerden werk uit voor de M’Hael, oefenden, bouwden de funderingen voor de eigenlijke Zwarte Toren. Deze plek was nog een werk in uitvoering. Een groep soldaten – zonder zwaardspeld of de rood met gouden draak – gebruikte de Kracht om een lange greppel in de grond naast de weg te graven. Er was besloten dat het dorp een kanaal nodig had.
Androl zag de wevingen – voornamelijk Aarde – om de soldaten heen wervelen. In de Zwarte Toren deed je zo veel mogelijk met de Kracht. Altijd oefenen, als mannen die stenen tilden om sterker te worden. Licht, wat zetten Logain en Taim die jongens onder druk. Androl liep naar de nieuwe grindweg toe. Veel van dat grind had gesmolten randen, doordat het was opgeblazen. Ze hadden rotsblokken hierheen gehaald door Poorten, op wevingen van Lucht, en ze laten barsten met explosieve wevingen. Het had net een oorlogsgebied geleken met die uiteenspattende rotsen en rondvliegende splinters. Met dergelijke Kracht – en oefening – zouden de Asha’man in staat zijn stadsmuren tot puin te reduceren.
Androl liep door. Bij de Zwarte Toren zag je vreemde dingen, en gesmolten grind was bij lange na niet het vreemdste. Of de soldaten die de grond omploegden, na Androls zorgvuldige bodemonderzoek. De laatste tijd boden de kinderen de merkwaardigste aanblik. Ze renden en speelden, sprongen in de greppel achter de werkende soldaten, gleden van de aarden kanten af en klommen weer omhoog. Kinderen. Spelend in gaten die door ontploffingen van saidin waren ontstaan. De wereld veranderde. Androls oma – zo oud dat ze geen tand meer in haar mond had – had hem bang gemaakt met verhalen over mannelijke geleiders om hem naar bed te krijgen als hij probeerde naar buiten te glippen om de sterren te tellen. De duisternis buiten had hem geen angst aangejaagd, en ook de verhalen over Trolloks en Schimmen niet. Maar mannen die konden geleiden... daar was hij doodsbang voor geweest.