En nu was hij hier, intussen van middelbare leeftijd, plotseling bang voor het donker, maar volkomen op zijn gemak met mannen die konden geleiden. Hij liep de weg af, knerpend over het grind. De kinderen klauterden de greppel uit en verdrongen zich om hem heen. Hij haalde achteloos een handvol snoepjes tevoorschijn, gekocht tijdens zijn laatste verkenningstocht.
‘Ieder twee,’ zei hij streng toen vuile handjes naar de snoepjes graaiden. ‘En geen geduw, hoor je.’ Handen gingen naar monden, en de kinderen knikten dankbaar en noemden hem ‘meester Genhald’ voordat ze wegrenden. Ze gingen niet terug naar de greppel, maar bedachten een nieuw spelletje, rennend naar de akkers aan de oostkant.
Androl veegde glimlachend zijn handen af. Kinderen waren zo plooibaar. Voor hen konden eeuwen van gebruiken, angst en bijgeloof wegsmelten als boter die te lang in de zon had gelegen. Maar het was goed dat ze hadden besloten de greppel te verlaten. De Ene Kracht kon onvoorspelbaar zijn.
Nee. Dat klopte niet. Saidin was heel voorspelbaar. De mannen die het gebruikten, echter... die waren een ander verhaal. De soldaten onderbraken hun werk en draaiden zich naar hem om. Hij was geen volle Asha’man en verdiende geen saluut, maar ze betoonden hem eerbied. Te veel. Hij wist niet zeker waarom ze hem zo hoog achtten. Hij was geen belangrijk man, vooral niet hier in de Zwarte Toren.
Toch knikten ze naar hem als hij langskwam. De meesten van deze mannen waren gerekruteerd in Tweewater. Potige jongens en mannen, gretig, hoewel velen van hen wat aan de jonge kant waren. De helft van hen hoefde zich maar eens in de week te scheren. Androl liep naar hen toe en bekeek hun werk bij het touw dat hij aan een rij paaltjes had gebonden. Hij knikte goedkeurend. ‘De hoek is goed, jongens,’ zei hij. ‘Maar maak de zijkanten steiler, als het lukt.’
‘Ja, meester Genhald,’ zei de leider van de groep. Jaim Torfin was zijn naam, een magere jongeman met stoffig bruin haar. Hij hield nog altijd de Kracht vast. Die razende rivier van Kracht was ontzettend verlokkelijk. De man die hem zonder gevoel van verlies kon loslaten, was zeldzaam.
De M’Hael moedigde hen aan de Kracht te blijven vasthouden en zei dat dat hielp om het te leren beheersen. Maar Androl had eerder verleidelijke gevoelens zoals saidin gekend: de uitgelatenheid van de strijd, de roes van zeldzame dranken van de Eilanden van het Zeevolk, het versterkende gevoel van de overwinning. Een man kon meegesleept worden door die gevoelens, zijn zelfbeheersing verliezen en vergeten wie hij was. En saidin was nog verleidelijker dan al het andere dat hij had ervaren.
Hij zei niets over zijn bedenkingen tegen Taim. Het was niet aan hem om de M’Hael de les te lezen.
‘Hier,’ zei Androl, ‘ik zal je laten zien wat ik bedoel.’ Hij haalde diep adem en zette al zijn gevoel van zich af. Hij gebruikte daar een oude soldatenlist voor, die hem was geleerd door zijn eerste zwaardmeester. De oude, eenarmige Garfin was met zijn zware tongval van het Illiaanse platteland bijna onverstaanbaar geweest. Al had Androl zelf een lichte Tarabonse tongval, had hij gehoord. Het was vervaagd in de vele jaren dat hij nu al niet meer thuis was geweest. Binnen het niets – de leegte – voelde Androl de razende kracht van saidin. Hij greep het vast zoals je de hals greep van een paard dat op hol was geslagen, in de hoop het enigszins te kunnen sturen, maar grotendeels gewoonweg om je vast te klampen. Saidin was schitterend. Ja, het was krachtiger dan enig ander roesmiddel. Het maakte de wereld mooier, weelderiger. Als Androl die verschrikkelijke Kracht vasthield, voelde hij zich alsof hij tot leven was gekomen, alsof hij het droge omhulsel van zijn vroegere zelf had achtergelaten. Het dreigde hem mee te sleuren in de snelle stromingen.
Hij werkte snel, weefde een klein spoortje Aarde – meer kreeg hij ook niet voor elkaar, want in Aarde was hij het zwakst – en schraapte voorzichtig de zijkanten van het kanaal af. ‘Als je te veel laat uitsteken,’ legde hij ondertussen uit, ‘dan blijft het kanaal modderig, omdat het water de aarde langs de zijkanten wegspoelt. Hoe rechter en steiler de kanten, hoe beter. Zie je?’
De soldaten knikten. Er was zweet op hun voorhoofd verschenen en hun wangen waren vuil. Maar hun zwarte jassen waren schoon, vooral de mouwen. Je kon zien hoeveel eerbied een man voor zijn uniform had door te kijken of hij zijn mouw gebruikte om op een dag als deze zijn voorhoofd af te vegen. De jongens uit Tweewater gebruikten zakdoeken.
De oudere Asha’man zweetten natuurlijk maar zelden. Deze jongens zouden nog veel meer oefening nodig hebben om dat voor elkaar te krijgen terwijl ze zich zo inspanden.
‘Goed zo,’ zei Androl, die opstond en naar hen keek. Androl legde zijn hand op Jaims schouder. ‘Jullie doen hier uitstekend werk, jongens. Uit Tweewater komt goed volk.’
De jongens straalden. Het was fijn dat ze hier waren, vooral vergeleken met het slag mannen dat Taim de laatste tijd rekruteerde. De verkenners van de M’Hael beweerden dat ze iedereen aannamen die ze konden vinden, maar waarom waren de meeste mannen waar ze mee aankwamen toch zo boos en verontrustend van aard? ‘Meester Genhald?’ vroeg een van de soldaten. ‘Ja, Trost?’ zei Androl.
‘Hebt u... Hebt u al iets gehoord van meester Logain?’ De anderen keken hoopvol.
Androl schudde zijn hoofd. ‘Hij is nog niet terug van zijn verkenningstocht. Maar hij komt vast gauw terug.’
De jongens knikten, hoewel hij kon zien dat ze zich zorgen begonnen te maken. En terecht. Androl was al weken ongerust. Sinds de nacht dat Logain was vertrokken. Waar was hij naartoe? Waarom had hij Donalo, Mezar en Welyn – drie van de sterkste Toegewijden die trouw aan hem waren – meegenomen?
En nu kampeerden die Aes Sedai buiten, volgens zeggen gestuurd op gezag van de Draak om Asha’man te binden. Taim had zijn vage lachje vertoond, het soort dat nooit zijn ogen bereikte, en de vrouwen verteld dat de groep van de Witte Toren de eerste keus had, aangezien zij het eerst waren aangekomen. De anderen wachtten ongeduldig.
‘De M’Hael,’ zei een van de mannen uit Tweewater met een donker gezicht. ‘Hij...’
‘Hou je hoofd erbij,’ viel Androl hem in de rede, ‘en veroorzaak geen deining. Nog niet. We wachten op Logain.’
De mannen zuchtten, maar knikten. Afgeleid door het gesprek merkte Androl het bijna niet toen de schaduwen naar hem toe begonnen te kruipen. Schaduwen van mannen, lengend in het zonlicht. Schaduwen in de greppel. Schaduwen van rotsen en scheuren in de aarde. Langzaam, gluiperig, kwamen ze naar hem toe. Androl zette zich schrap, maar hij kon de paniek niet verdrijven. Die ene doodsangst die hij voelde, ondanks de leegte.
Ze kwamen altijd als hij saidin te lang vasthield. Hij liet het onmiddellijk los, en de schaduwen gingen langzaam weer achteruit. De jongens uit Tweewater keken hem met ongemakkelijke gezichten aan. Zagen ze de wilde blik in Androls ogen? Niemand sprak over de... merkwaardige verschijnselen waar mannen van de Zwarte Toren last van hadden. Dat deed je gewoon niet. Net zoals je geen smerige familiegeheimen fluisterde.
De smet was gereinigd. Die jongens zouden nooit de dingen hoeven voelen die Androl ervoer. Uiteindelijk zouden hij en de anderen die al vóór het wegnemen van de smet in de Toren waren zeldzaamheden worden. Licht, maar hij kon niet begrijpen waarom iemand naar hem zou luisteren. Zwak in de Kracht en ook nog eens waanzinnig? En het ergste was nog wel dat hij wist – diep vanbinnen, in de kern van zijn wezen – dat die schaduwen echt waren. Niet alleen maar waanzinnige gedachten ontsproten aan zijn eigen geest. Ze waren echt, en ze zouden hem vernietigen als ze hem bereikten. Ze waren echt. Dat moest wel.
O, Licht, dacht hij knarsetandend. Beide mogelijkheden zijn even angstaanjagend. Of ik ben waanzinnig, of de duisternis wil me vernietigen.
Daarom kon hij ’s nachts niet langer slapen zonder zich angstig op te rollen. Soms kon hij de Bron urenlang vasthouden zonder de schaduwen te zien. Soms slechts enkele minuten. Hij haalde diep adem. ‘Zo,’ zei hij, blij dat zijn stem beheerst klonk, al was dat dan het enige. ‘Gaan jullie maar weer aan het werk. Hou die helling de goede kant op, hoor je. Het wordt een ontzettende puinhoop als het water overstroomt en alles hier onderloopt.’