Androl liet hen achter en liep terug door het dorp. Nabij het midden stonden de barakken, vijf grote gebouwen gemaakt van dikke stenen voor de soldaten, een twaalftal kleinere gebouwen voor de Toegewijden. Nu was dit dorpje de Zwarte Toren. Dat zou veranderen. Er werd een stukje verderop een echte toren gebouwd, waarvoor de fundering al was uitgegraven.
Hij kon zich indenken hoe het er hier op een dag zou uitzien. Hij had eens gewerkt met een meester-architect; een van de tien verschillende leerlingschappen die hij had doorlopen in een leven dat soms wel eens te lang leek te hebben geduurd. Ja, hij zag het voor zich. I en grote toren van zwart steen, gebouwd met de Kracht. Sterk, stevig. Aan de voet zouden gedrongen zwarte bouwsels met kantelen staan.
Dit dorp zou uitgroeien tot een stadje en daarna een grote stad, even groot als Tar Valon. De straten waren berekend op meerdere wagens tegelijk. Nieuwe delen werden al uitgetekend en aangelegd. Het sprak van visie en voorbereiding. De straten zelf fluisterden over de lotsbestemming van de Zwarte Toren.
Androl volgde een uitgesleten pad door het ruige gras. In de verte galmde gebons en geknal over de vlakte, alsof er met een zweep werd geslagen. Iedere man had zijn eigen reden om hier te komen. Wraak, nieuwsgierigheid, wanhoop, een verlangen naar macht. Wat was Androls reden? Alle vier, misschien?
Hij verliet het dorp, liep langs een rij bomen en kwam op het oefenterrein aan; een kleine laagte tussen twee heuvels. Een rij mannen geleidde Vuur en Aarde. De heuvels moesten worden platgegooid om akkers te kunnen aanleggen. Een kans om te oefenen. De meeste van deze mannen waren Toegewijden. Wevingen draaiden door de lucht, veel vaardiger en sterker dan die de jongens uit Tweewater gebruikten. Deze waren gestroomlijnd, als sissende slangen of suizende pijlen. Rotsblokken ontploften en vlagen aarde sproeiden de lucht in. Het opblazen werd gedaan in een onvoorspelbaar patroon, om vijanden te verwarren en desoriënteren. Androl kon zich voorstellen hoe een groep cavaleristen die helling af kwam denderen en dan werd overrompeld door ontploffende aarde. Een enkele Toegewijde kon binnen een paar ogenblikken tientallen ruiters wegvagen.
Androl merkte ontevreden op dat de mannen zich in twee groepen hadden opgesteld. De Toren begon zich nu al te splitsen en verdelen. De mannen die trouw waren aan Logain werden gemeden en buitengesloten. Rechts werkten Canler, Emarin en Nalaam aandachtig en toegewijd samen met Jonnet Datrijn; de beste soldaat onder de jongens uit Tweewater. Links stond een groepje trawanten van Taim te lachen. Hun wevingen waren feller, maar ook verwoestender. Coteren stond achteraan, leunend tegen een bladerrijke hard-gomboom en toeziend op het werk.
De mannen namen even rust en riepen een dorpsjongen om water te brengen. Androl liep naar hen toe. Arlen Nalaam zag hem als eerste en zwaaide met een brede glimlach naar hem. De Domani droeg een smalle snor. Hij was nog net geen dertig, hoewel hij zich soms veel jeugdiger gedroeg. Androl grimaste nog steeds als hij terugdacht aan die keer dat Nalaam boomhars in zijn laarzen had gegoten. ‘Androl!’ riep Nalaam. ‘Kom eens aan die onbeschaafde pummels vertellen wat een Retasjaanse Moker is!’
‘Een Retasjaanse Moker?’ vroeg Androl. ‘Dat is een drankje. Een mengsel van mede en schapenmelk. Smerig spul.’ Nalaam keek de anderen trots aan. Hij had geen spelden op zijn jas. Hij was maar een soldaat, hoewel hij inmiddels al bevorderd had moeten zijn.
‘Schep je weer op over je reizen, Nalaam?’ vroeg Androl, die de leren armbeschermer afdeed.
‘Wij Domani komen nog eens ergens,’ antwoordde Nalaam. ‘Je weet wel, met het soort werk dat mijn vader doet, verspieden voor de Kroon...’
‘Vorige week zei je dat je vader koopman was,’ zei Canler. De potige man was de oudste van de groep, met grijzend haar en een vierkant gelaat dat verweerd was door vele jaren in de zon. ‘Dat is hij ook,’ zei Nalaam. ‘Dat is zijn dekmantel als verspieder!’
‘Zijn de vrouwen niet de kooplui in Arad Doman?’ vroeg Jonnet, wrijvend over zijn kin. Hij was een grote, rustige man met een rond gezicht. Zijn gehele familie – zijn broers en zussen, zijn ouders en zijn grootvader Buul – was meeverhuisd naar het dorp zodat hij niet alleen hoefde te gaan.
‘Nou, zij zijn wel de beste,’ antwoordde Nalaam, ‘en mijn moeder is geen uitzondering. Wij mannen weten echter ook wel het een en ander. En bovendien moest mijn vader de zaak overnemen, aangezien mijn moeder het druk had met infiltreren in de Tuatha’an.’
‘O, dat is gewoon belachelijk,’ wierp Canler fronsend tegen. ‘Waarom zou je nou infiltreren bij een stel Ketellappers?’
‘Om hun geheime recepten te leren,’ antwoordde Nalaam. ‘Ze zeggen dat een Ketellapper een zo heerlijke stoofpot kan maken dat je huis en haard wilt verlaten om met hem mee te reizen. Het is waar. Ik heb het zelf geproefd, en ze moesten me drie dagen vastgebonden in een schuur opsluiten voordat ik eroverheen was.’ Canler snoof. Maar even later vroeg hij: ‘En... heeft ze dat recept nog gevonden?’
Nalaam begon aan een ander verhaal, waar Canler en Jonnet aandachtig naar luisterden. Emarin stond aan de zijkant vermaakt toe te kijken; hij was de andere soldaat in de groep, zonder spelden. Hij was een oudere man met dunnend haar en rimpels bij zijn ogen. Zijn korte witte baard was in een punt geknipt.
De voorname man was een beetje een raadsel. Hij was op een dag aangekomen samen met Logain en had niets over zijn verleden verteld. Maar hij had een statige houding en een behoedzame wijze van spreken. Hij was een edele, dat stond vast. Anders dan de meeste andere edelen in de Zwarte Toren, deed Emarin echter geen pogingen om zijn veronderstelde gezag te doen gelden. Veel edelen hadden pas na vele weken in de gaten dat als je je eenmaal bij de Zwarte Toren aansloot, de rang die je buiten had bekleed er niet meer toe deed. Daar werden de meesten kregelig en nors van, maar Emarin had zich meteen aangepast aan het leven in de Toren.
Je moest een werkelijk waardige edele zijn om zonder klagen de bevelen op te volgen van een burger die half zo oud was als jijzelf. Emarin nam een slok water van de jonge bediende aan, bedankte hem en stapte naar Androl toe. Hij knikte naar Nalaam, die nog met de anderen in gesprek was. ‘Die knaap heeft het hart van een speelman.’
Androl gromde. ‘Misschien kan hij er wat extra geld mee verdienen.
Hij is me nog een nieuw paar kousen schuldig.’
‘En jij, mijn vriend, hebt de ziel van een klerk!’ Emarin lachte. ‘Je vergeet nooit iets, of wel?’
Androl haalde zijn schouders op.
‘Hoe wist je wat een Retasjaanse Moker was? Ik ben vrij onderlegd in dat soort zaken, al zeg ik het zelf, maar ik had er nooit van gehoord.’
‘Ik heb er eens een gedronken,’ zei Androl. ‘Na een weddenschap.’
‘Ja, maar waar?’
‘Retasj, natuurlijk.’
‘Maar dat ligt vele roeden van de kust, in een eilandengroep waar zelfs het Zeevolk bijna nooit komt!’
Androl haalde nogmaals zijn schouders op. Hij keek naar Taims lakeien. Een dorpsjongen had hun een mand eten gebracht van Taim, hoewel de M’Hael beweerde dat hij niemand voortrok. Als Androl ernaar zou vragen, zou hij horen dat er ook een jongen met eten voor de anderen was gestuurd. Maar die jongen zou wel verdwaald zijn, of het vergeten zijn, of een of andere onschuldige fout hebben gemaakt. Taim zou iemand laten afranselen, en verder zou er niets veranderen.
‘Deze scheiding is verontrustend, mijn vriend,’ zei Emarin zacht. ‘Hoe moeten we voor de Draak vechten als we onderling geen vrede kunnen sluiten?’
Androl schudde zijn hoofd.
Emarin vervolgde: ‘Ze zeggen dat geen enkele man in de gunst van Logain de afgelopen weken nog de drakenspeld heeft gekregen. Er zijn er velen, zoals Nalaam daar, die de zwaardspeld allang hadden moeten hebben; maar dat wordt herhaaldelijk geweigerd door de M’Hael. Een Huis waarin de leden ruziën om het gezag zal nooit een dreiging vormen voor andere Huizen.’