Выбрать главу

‘Wijze woorden,’ vond Androl, ‘maar wat moeten we eraan doen? Wat kunnen we eraan doen? Taim is M’Hael, en Logain is nog niet terug.’

‘Misschien moeten we iemand naar hem toe sturen,’ zei Emarin. ‘Of misschien kun jij de anderen bedaren. Ik vrees dat sommigen op het punt van doorslaan staan, en als er een gevecht ontstaat, denk ik wel te weten wie het strengst door Taim zal worden gestraft.’ Androl fronste zijn voorhoofd. ‘Dat is zo. Maar waarom ik? Jij bent veel beter met woorden dan ik, Emarin.’

Emarin grinnikte. ‘Ja, maar Logain vertrouwt jou, Androl. De andere mannen kijken naar je op.’

Dat zouden ze niet moeten doen, dacht Androl. ‘Ik zal kijken of ik iets kan bedenken.’ Nalaam wilde aan een volgend verhaal beginnen, maar voordat hij dat kon doen, wenkte Androl Jonnet en stak de armbeschermer omhoog. ‘Ik zag dat je oude was gebarsten. Probeer deze eens.’

Jonnets gezicht klaarde op toen hij de armbeschermer aanpakte. ‘Je bent ongelooflijk, Androl! Ik dacht niet dat iemand het had gezien. Het is iets kleins, ik weet het, maar...’ Zijn glimlach werd breder en hij haastte zich naar een boom verderop, waar wat spullen van de mannen lagen, ook Jonnets boog. De mannen uit Tweewater hielden hun bogen altijd graag in de buurt.

Jonnet keerde terug en legde een pees om de boog. Hij deed de armbeschermer om. ‘Als gegoten!’ zei hij, en Androl merkte dat hij glimlachte. Kleine dingen. Ze konden zoveel betekenen. Jonnet richtte en schoot een pijl af, de schacht zoefde de lucht in en de boogpees knalde tegen de armbeschermer. De pijl vloog heel ver en raakte een boom op een heuvel meer dan tweehonderd pas verderop.

Canler floot, ik heb nog nooit zoiets gezien als die bogen van jullie, Jonnet. Nooit van mijn leven.’ Ze waren allebei Andoranen, hoewel Canler uit een stadje veel dichter bij Caemlin afkomstig was. Jonnet bekeek zijn schot met een kritisch oog, spande zijn boog opnieuw aan – met de veren van de pijl tegen zijn wang – en schoot. De schacht raakte dezelfde boom als de eerste keer. Androl vermoedde dat de pijlen nog geen twee handbreedten van elkaar af waren geland.

Canler floot nog eens.

‘Mijn vader heeft met zo’n ding geoefend,’ vertelde Nalaam. ‘Hij leerde het van een man uit Tweewater die hij in Illian van de verdrinkingsdood had gered. Hij heeft de boogpees nog, als aandenken.’ Canler trok zijn wenkbrauw op, maar hij scheen het tegelijkertijd een mooi verhaal te vinden. Androl grinnikte alleen maar hoofdschuddend. ‘Mag ik het eens proberen, Jonnet? Ik kan vrij aardig schieten met een Tyreense boog, en die zijn wat langer dan de gewone.’

‘Natuurlijk,’ zei de slungelige man, die de armbeschermer afdeed en de boog overhandigde.

Androl deed de armbeschermer om en pakte de boog aan. Hij was van zwart taxushout gemaakt en er zat niet zoveel rek in de pees als hij gewend was. Jonnet gaf hem een pijl aan, en Androl deed de wijze van aanspannen van de man na, achteruittrekkend naar zijn wang. ‘Licht!’ riep hij toen hij de weerstand voelde. ‘Die armen van jou zijn bedrieglijk smal, Jonnet. Hoe kun je hiermee mikken? Ik kan hem amper recht houden!’

Jonnet lachte terwijl Androls armen trilden en hij uiteindelijk schoot omdat hij de boog niet langer aangespannen kon houden. De pijl raakte de grond, ver bij het doelwit vandaan. Hij gaf de boog aan Jonnet terug.

‘Dat was best goed, Androl,’ zei Jonnet. ‘Veel mannen krijgen de pees niet eens aangespannen. Geef me tien jaar, dan kan ik je leren schieten als iemand die in Tweewater geboren is!’

‘Ik hou het voorlopig wel bij korte bogen,’ antwoordde Androl. ‘Je zou zo’n monster nooit kunnen gebruiken vanuit het zadel.’

‘Dat hoeft ook niet!’ zei Jonnet.

‘En als je nou werd achtervolgd?’

‘Als het er minder zijn dan vijf,’ zei Jonnet, ‘dan kan ik ze allemaal hiermee uitschakelen voordat ze bij me komen. Als het er meer zijn dan vijf, dan probeer ik het niet eens. Dan ga ik ervandoor alsof de Duistere me op de hielen zit.’

De andere mannen grinnikten, hoewel Androl zag dat Emarin naar hem keek. Hij vroeg zich waarschijnlijk af hoe Androl kon boogschieten vanuit het zadel. Hij was een oplettende, die edele. Androl zou zich in acht moeten nemen.

‘Wat is dit?’ vroeg een stem. ‘Probeer je te leren boogschieten, schildknaap? Zodat je eindelijk kunt leren je te verdedigen, soms?’ Androl klemde zijn kaken op elkaar en draaide zich om toen Coteren kwam aansjokken. Hij was een potige kerel, die zijn zwarte, geoliede haar lang en los droeg. Het hing om een stomp gezicht met mollige wangen. Zijn ogen waren aandachtig, gevaarlijk. Hij glimlachte. De glimlach van een kat die een knaagdier had gevonden om mee te spelen.

Androl maakte zwijgend de armbeschermer los en gaf hem aan Jonnet. Coteren was een volle Asha’man, een persoonlijke vriend van de M’Hael. Hij stond ver boven ieder ander hier. ‘De M’Hael zal hiervan horen,’ zei Coteren. ‘Je verwaarloost je lessen. Je hebt geen pijl en boog nodig als je kunt doden met de Kracht!’

‘We verwaarlozen niks,’ zei Nalaam koppig. ‘Stil, jongen,’ zei Androl. ‘Pas op je woorden.’ Coteren lachte. ‘Luister naar die schildknaap, mannen. De M’Hael zal ook van je schaamteloosheid horen.’ Hij wendde zich tot Androl. ‘Grijp de Bron.’

Androl gehoorzaamde met tegenzin. De zoetheid van saidin doorspoelde hem, en hij keek zenuwachtig opzij. Er was geen spoor van de schaduwen.

‘Zielig,’ zei Coteren. ‘Vernietig die steen daar.’ Die steen was veel te groot voor hem. Maar hij had wel eerder met bullebakken te maken gehad, en Coteren was er een van de gevaarlijkste soort: een bullebak met macht en gezag. Het was maar het beste om te gehoorzamen. Schaamte was een lage straf. Dat was iets wat maar weinig bullebakken schenen te begrijpen. Androl maakte de vereiste weving van Vuur en Aarde en stuurde die op de grote steen af. De dunne weving bevatte bijna alle Kracht die hij kon vasthouden, maar er vlogen alleen een paar scherven van de grote steen af.

Coteren lachte bulderend, net als de groep Toegewijden die zat te eten onder een boom vlakbij. ‘Bloedas, wat ben jij waardeloos!’ spotte Coteren. ‘Vergeet maar wat ik daarstraks zei, schildknaap! Jij hebt die boog nódig!’

Androl liet de Ene Kracht los. Coteren had zijn lolletje gehad; hij zou nu wel tevreden zijn. Helaas voelde Androl dat mannen achter hem de Bron grepen. Jonnet, Canler en Nalaam stapten naast Androl, elk vervuld van de Ene Kracht en briesend van woede. De mannen die zaten te eten, kwamen overeind en grepen ook allemaal de Bron. Ze waren met twee keer zoveel als Androls vrienden. Coteren grijnsde.

Androl keek naar Canler en de anderen. ‘Rustig maar, jongens, ’ zei hij, en hij stak zijn hand op. ‘Asha’man Coteren doet alleen maar wat de M’Hael hem heeft opgedragen. Hij probeert me alleen maar boos te maken zodat ik mezelf kan verbeteren. ’ De twee groepen aarzelden. Hun kruisende blikken waren even intens als de Kracht binnen in hen. Toen liet Jonnet de Bron los. Daardoor deed Nalaam hetzelfde, en uiteindelijk wendde de norse Canler zich af. Coteren lachte.

‘Dit bevalt me niet, ’ mompelde Canler toen ze wegliepen. Hij wierp een blik achterom. ‘Helemaal niet. Waarom hield je ons tegen, Anti rol?’

‘Omdat ze sneller een hoopje puin van ons hadden gemaakt dan jij kunt vloeken, Canler, ’ snauwde Androl. ‘Licht, man! Ik kan amper een boon de lucht in geleiden, en Emarin is hier nog niet eens een maand. Jonnet leert snel, maar we weten allemaal dat hij nog nooit met de Kracht heeft gestreden, en de helft van Coterens mannen heeft gestreden onder leiding van de Draak! Denk je nou echt dat jij en Nalaam het tegen tien man kunnen opnemen, zo goed als in je een-rje?’

Canler bleef briesen en mompelen, maar hij hield erover op. ‘Makashak Na famalashten morkase,’ mompelde Nalaam, ‘delf takaksaki mere!’ Hij lachte in zichzelf en zijn ogen stonden wild. Het was geen taal die Androl kende; het was niet de Oude Spraak, dat stond vast. Waarschijnlijk was het niet eens een echte taal. Geen van de anderen zei iets. Nalaam kakelde soms in zichzelf en sloeg wartaal uit. Als je hem ernaar vroeg, beweerde hij heel gewone woorden te hebben gezegd. De uitbarsting leek Emarin en Jonnet ontzettend te verontrusten. Ze hadden nog nooit vrienden gek zien worden en lukraak anderen zien doden. Het Licht geve dat ze dat nu ook nooit zouden hoeven meemaken. Wat Androl verder ook van de Draak vond omdat hij hen alleen had achtergelaten, met het wegnemen van de smet had Altor alles weer goedgemaakt. Geleiden was nu veilig.