Of althans veiliger. Geleiden zou nooit veilig worden, vooral nu Taim hen zo onder druk zette.
‘Steeds meer mannen volgen die verrekte lessen bij Taim,’ mompelde Nalaam terwijl ze naar de schaduw van de bomen liepen. ‘Nensens slagen heeft de mannen gretig gemaakt. We zijn er in de afgelopen paar weken zeker twaalf aan Taims kant kwijtgeraakt. Straks is er niemand meer over, behalve wij. Veel mannen die ik vroeger vertrouwde, durf ik nu niet eens meer aan te spreken.’
‘Norlei is betrouwbaar,’ zei Canler. ‘En Evin Hardlin ook.’
‘Dat is niet zo’n lange lijst,’ wierp Nalaam tegen. ‘De mannen uit Tweewater staan achter ons,’ zei Jonnet. ‘Allemaal.’
‘Nog steeds een korte lijst,’ vond Nalaam. ‘En niet één volle Asha’man erbij.’
Ze keken allemaal naar Androl. Hij keek om naar Taims trawanten, die weer zaten te lachen.
‘Wat, Androl?’ vroeg Nalaam. ‘Ga je ons niet terechtwijzen omdat we zo praten?’
‘Hoe?’ vroeg Androl, die weer naar hen keek. ‘Alsof het zij tegen ons is.’
‘Ik wilde niet dat jullie jezelf ombrachten of in de gevangenis belandden, maar dat betekent niet dat ik geen probleem zie.’ Hij keek weer om. ‘Ja, er is hier gelazer, broeiend als een storm.’
‘De mannen die lessen van Taim krijgen, leren te snel,’ zei Nalaam. ‘Nensen was een tijdje geleden nog nauwelijks sterk genoeg om te worden voorgedragen als Toegewijde. Nu is hij een volle Asha’man. Er is iets heel vreemds gaande. En die Aes Sedai. Waarom heeft Taim gezegd dat ze ons mochten binden? Je weet dat hij al zijn lievelingetjes beschermt door de Aes Sedai te verbieden een man met een drakenspeld te binden. Ik mag branden, maar ik weet niet wat ik doe als ze mij kiezen. Ik wil niet aan de leiband van een of andere Aes Sedai lopen.’
Daarop werd door meerdere van hen gemompeld. ‘Taims mannen verspreiden geruchten onder de nieuwkomers,’ zei Jonnet zacht. ‘Ze hebben het over de Draak, en over hoe hij goede mannen heeft aangezet tot verraad. Ze zeggen dat hij ons in de steek heeft gelaten en dat hij gek is geworden. De M’Hael wil niet dat die geruchten naar hem te herleiden zijn, maar ik mag branden als hij niet de bron is van allemaal.’
‘Misschien heeft hij gelijk,’ zei Canler. De anderen keken hem scherp aan, en de gelooide man fronste zijn voorhoofd, ik zeg niet dat ik naar Taims kamp wil overlopen. Maar de Draak? Wat hééft hij eigenlijk voor ons gedaan? Het lijkt wel alsof hij ons hier vergeten is. Misschien is hij wel gek.’
‘Nee,’ antwoordde Emarin hoofdschuddend, ik heb hem ontmoet, vlak voordat ik hierheen kwam.’ De anderen keken hem verbaasd aan.
‘Ik was van hem onder de indruk,’ vertelde Emarin. ‘Jong, maar met een sterke wil. Ik vertrouw hem. Licht! Ik heb pas een keer of zes met hem gesproken, maar ik vertrouw hem.’ De anderen knikten langzaam.
‘Het Licht verzenge me,’ zei Canler, ‘maar voor mij is dat goed genoeg. Ik wou alleen dat hij luisterde! Ik heb Logain horen schelden dat de Draak het niet wil horen als hij hem waarschuwt voor Taim.’
‘En als we hem nou bewijzen geven?’ vroeg Jonnet. ‘Stel dat we iets konden vinden dat bewijst dat Taim geen goeds in de zin heeft?’
‘Er klopt iets niet met Nensen,’ herhaalde Nalaam. ‘En die Kash. Waar is die eigenlijk vandaan gekomen, en hoe is hij zo snel zo sterk geworden? Stel dat, als Logain terugkeert, we inlichtingen voor hem hebben. Of als we er rechtstreeks mee naar de Draak kunnen gaan...’ De groep wendde zich tot Androl. Waarom keken ze naar hem, de zwakste van hen allemaal? Hij kon alleen maar Poorten maken. Daar was Coterens bijnaam voor Androl vandaan gekomen. Schildknaap-je. Het enige waar hij goed voor was, was voor het overbrengen van boodschappen of om mensen ergens heen te brengen. Maar de anderen keken naar hem. Om een of andere reden keken ze naar hem.
‘Goed,’ zei Androl. ‘Laten we maar kijken wat we kunnen vinden. Haal Evin, Hardlin en Norlei hierbij, maar vertel het niemand anders, zelfs de andere jongens uit Tweewater niet. Strijk Taim of zijn mannen niet tegen de haren in... maar als je iets vindt, kom er dan mee naar mij toe. Dan zal ik kijken of ik contact kan maken met Logain, of in ieder geval of ik kan uitvissen waar hij naartoe is.’ Ze knikten allemaal ernstig. Het Licht sta ons bij als we het mis hebben, dacht Androl, omkijkend naar Taims lievelingen. En het Licht sta ons nog meer bij als we gelijk hebben.
47
Een lesruimte
Faile zat ongeduldig in het zadel van Daglicht en probeerde niet ineen te krimpen toen de Poort de lucht spleet. Een geelbruin weiland lag aan de andere kant; Gaul en de Speervrouwen sprongen er onmiddellijk door om te verkennen.
‘Weet je zeker dat je niet mee wilt?’ vroeg Perijn aan Galad, die verderop met zijn handen op zijn rug naar de stoet stond te kijken. ‘Ja,’ antwoordde Galad. ‘Mijn maaltijd samen met Elayne was voldoende om bij te praten.’
‘Wat je wilt,’ zei Perijn. Hij wendde zich naar Faile en gebaarde naar de Poort.
Ze spoorde Daglicht aan. Het was tijd, eindelijk, om de koningin van Andor te ontmoeten, en ze moest moeite doen om haar zenuwen in bedwang te houden. Perijn ging met haar mee door de Poort; aan de andere kant lag Caemlin. De grote stad met puntige torens, rood met witte banieren en het paleis verrijzend in het midden. Laag Caemlin, dat zich buiten de stadsmuren uitstrekte, was een groeiende stad op zich.
Perijns stoet volgde hem de Poort door. Er was zorgvuldig over de groepsindeling nagedacht, zodat ze er indrukwekkend maar niet vijandig uit zouden zien. Alliandre met honderd wachters. Honderd boogschutters uit Tweewater met ongespannen bogen die ze als een staf meedroegen. Honderd afgevaardigden van de Wolvengarde, waaronder een grote groep lagere edelen uit Cairhien met gekleurde sjerpen om hun uniformen, gemaakt van stof die was gekocht in Wit-lebrug. En natuurlijk Gaul en de Speervrouwen, Gradi liep achteraan. De man droeg een netjes geperste zwarte jas, zijn Toegewijdespeld gepoetst en glanzend op de hoge kraag. Hij keek onmiddellijk naar het westen, naar de Zwarte Toren. Hij had eerder die dag geprobeerd er een Poort naartoe te maken, toen Perijn hem toestemming had gegeven. Het was niet gelukt. Perijn was daar verontrust over. Hij wilde snel op onderzoek uitgaan, het liefst nog vannacht of op zijn laatst morgennacht.
Gaul en de Speervrouwen schaarden zich rond Perijn en Faile en de stoet liep de weg over, met Arganda en een groep uit Perijns Wolvengarde voorop om hen aan te kondigen. De anderen verplaatsten zich met een statig tempo over de weg. De woekeringen rondom Caemlin waren nog erger dan die bij Wittebrug. Diverse legers kampeerden bij Laag Caemlin. Waarschijnlijk groepen soldaten van de verschillende edelen die Elaynes troonsbestijging hadden gesteund.
Pr was hier iets opvallends. De wolken rondom Caemlin waren opengebroken. Het wolkendek was overal elders zo alomtegenwoordig geweest dat Faile schrok toen ze dit zag. De wolken vormden een open kring boven de stad, spookachtig gelijkmatig. Arganda en de leden van de Wolvengarde keerden terug. ‘Ze kunnen ons ontvangen, heer, vrouwe,’ kondigde hij aan. l aile en Perijn reden zwijgend met de rest van de groep verder over de weg. Ze hadden de komende ontmoeting tientallen keren besproken; verder viel er niets te zeggen. Perijn had wijselijk Faile de leiding gegeven in de diplomatieke onderhandelingen. De wereld kon /.ich geen oorlog tussen Andor en Tweewater veroorloven. Niet nu. Terwijl ze door de stadspoorten reden, werden Perijn en de Aiel behoedzamer. Faile onderging hun overdreven beschermingsdrang in stilte. Hoe lang zou haar gevangenschap bij de Shaido haar leven nog blijven overschaduwen? Soms leek het wel alsof Perijn het liefst had dat ze zelfs naar het privaat nog vier dozijn wachters meenam. Op de straten binnen de muren wemelde het van de mensen, en het was druk in alle gebouwen en op de markten. Het afval begon zich op te stapelen en een angstwekkend aantal straatkinderen liep tussen de menigte. Mannen riepen over straat dat het gevaarlijke tijden waren, hoewel sommige dat misschien deden in dienst van kooplieden om de burgers tot hamsteren aan te zetten. Perijns mensen hadtien hier voedsel gekocht, maar het was duur; weldra zou Elayne staatssteun moeten verlenen, als ze dat al niet deed. Hoe vol waren de koninklijke voorraadkamers?