Toen ze de kamer binnenkwam, wierpen degenen binnen zich op de vloer. Alleen de Doodswachtgardemannen in bloedrode en donkergroene pantsers – was hier niet toe verplicht. Ze maakten buigingen maar hielden hun blik omhoog, uitkijkend naar gevaar. Fr waren geen vensters in de grote kamer. Aan de ene kant stonden rijen opgestapeld aardewerk, een plek waar damane vernietigende wevingen konden oefenen. De vloer was bedekt met geweven matten waar weerbarstige damane op de grond werden gegooid, kronkelend van pijn. Er moest hun natuurlijk lichamelijk niet echt iets worden aangedaan. Damane waren een van de belangrijkste aanwinsten die het Rijk had, waardevoller dan paarden of raken. Je vernietigde een dier niet omdat het traag leerde; je strafte het totdat het wél leerde.
Fortuona liep door de kamer, waar een fatsoenlijke keizerlijke troon was neergezet. Ze kwam hier vaak om te kijken naar het werken met of breken van de damane. Het kalmeerde haar. De troon stond op een kleine verhoging; ze beklom de treden en haar sleep ruiste terwijl haar da’covale hem droegen. Ze draaide zich naar de kamer om en liet de bedienden haar gewaad schikken. Vervolgens pakten de dienaren haar bij de armen en tilden haar achteruit op de troon, zodat haar lange goudkleurige rokken als een wandkleed over de voorkant van de verhoging omlaag hingen.
Die rokken waren voorzien van borduursel in de vorm van de geschriften van keizerlijke macht. De Keizerin IS Seanchan. De Keizerin zal eeuwig leven. De Keizerin moet worden gehoorzaamd. Ze zat er als een levende banier van de macht van het Rijk. Selucia vatte post op een lagere trede naar de verhoging. Toen dat gebeurd was, verhieven de hovelingen zich. De damane bleven natuurlijk op hun knieën zitten. Het waren er tien, met gebogen hoofd. Hun sul’dam hielden hun leidsels vast en – in enkele gevallen – klopten hen vol genegenheid op het hoofd.
Koning Beslan kwam binnen. Hij had zijn hoofd grotendeels kaalgeschoren, met alleen nog een donkere baan op zijn kruin, en zeven van zijn nagels waren gelakt. Eén nagel meer dan ieder ander aan deze kant van de oceaan, met uitzondering van Fortuona zelf. Hij droeg nog steeds Altaraanse kleding – een groen en wit uniform – in plaats van een Seanchaanse mantel. Ze had daarin niet aangedrongen.
Voor zover zij wist, had Beslan sinds zijn verheffing geen voorbereidingen getroffen om haar te laten vermoorden. Opmerkelijk. Elke Seanchaan zou onmiddellijk zijn begonnen met konkelen. Sommigen zouden een aanslag hebben geprobeerd; anderen zouden het bij voorbereidingen laten en haar blijven steunen. Stuk voor stuk zouden ze echter minstens hebben overwogen haar te vermoorden. Velen aan deze kant van de oceaan dachten anders. Ze zou dat nooit hebben geloofd als ze niet die tijd bij Martrim was geweest. Dat was natuurlijk een van de redenen waarom Fortuona met hem mee had moeten gaan. Ze wenste alleen dat ze de voortekenen eerder had herkend.
Kapitein-generaal Lunal Galgan en een paar leden van het lagere Bloed sloten zich bij Beslan aan. Galgan was een breedgeschouderde vent met een kam van wit haar boven op zijn hoofd. De andere leden van het Bloed onderwierpen zich aan hem; ze wisten dat hij bij haar in de gunst stond. Als alles hier en met de terugvordering van Seanchan goed ging, dan was het best mogelijk dat ze hem verhief tot de keizerlijke familie. De familierangen zouden immers moeten worden aangevuld als Fortuona eenmaal terugkeerde en de orde herstelde. Ongetwijfeld waren er velen vermoord of terechtgesteld. Galgan was een waardevolle bondgenoot. Hij had niet alleen openlijk Suroth tegengewerkt, maar hij was met het voorstel gekomen om de Witte Toren aan te vallen, wat goed was verlopen. Zeer goed.
Melitene, Fortuona’s der’sul’dam, stapte naar voren en boog opnieuw. De kloeke, grijzende vrouw leidde een damane mee met donkerbruin haar en roodomrande ogen; kennelijk huilde ze vaak. De der’sul’dam schaamde zich kennelijk voor de damane met haar betraande ogen, want haar buiging was extra diep. Fortuona verkoos niet op te merken dat de damane zich zo ergerlijk gedroeg. Ze was een uitstekende vangst, ondanks haar nukkigheid. Fortuona maakte een reeks gebaren naar Selucia om haar op te dragen wat ze moest zeggen. De vrouw keek met alerte ogen toe, de helft van haar hoofd bedekt met een doek totdat het haar daar aangroeide, de andere helft geschoren. Fortuona zou uiteindelijk een andere Stem moeten kiezen, aangezien Selucia nu haar Waarheidsspreker was.
‘Laat zien wat deze vrouw kan,’ Sprak Selucia, die de woorden verkondigde die Fortuona naar haar had geseind. Melitene gaf de damane een klopje op het hoofd. ‘Suffa zal de Keizerin – moge ze eeuwig leven – de Kracht van het splitsen van de lucht tonen.’
‘Alstublieft,’ zei Suffa, die smekend naar Fortuona keek. ‘Luister alstublieft naar me. Ik ben de Amyrlin Zetel.’
Melitene siste, en Suffa’s ogen werden groot toen ze een pijnscheut via de a’dam voelde. De damane ging toch door. ‘Ik kan u grote schatten bieden, machtige Keizerin! Als u me laat gaan, geef ik u tien vrouwen om mijn plaats in te nemen. Twintig! De sterkste die de Witte Toren heeft. Ik...’ Ze brak kermend haar zin af en stortte op de grond.
Melitene zweette. Ze keek Selucia aan en sprak snel en zenuwachtig. ‘Leg alsjeblieft aan de Keizerin van ons allen – moge ze eeuwig leven – uit dat mijn ogen neergeslagen zijn omdat deze damane niet fatsoenlijk is opgeleid. Suffa is onvoorstelbaar koppig, ondanks de snelheid van haar tranen en haar aanbod om anderen haar plaats te laten innemen.’
Fortuona bleef even roerloos zitten en liet Melitene zweten. Uiteindelijk gebaarde ze dat Selucia kon spreken.
‘De Keizerin is niet ontstemd over je,’ Sprak Selucia. ‘De marath’damane die zich de Aes Sedai noemen, zijn allemaal koppig gebleken.’
‘Spreek alsjeblieft mijn dankbaarheid aan de Hoogste uit,’ zei Melitene, die zich ontspande. ‘Als het Zij Wier Ogen Opkijken behaagt, kan ik Suffa een demonstratie laten geven. Maar er kunnen nog meer uitbarstingen volgen.’
‘Je mag doorgaan,’ Sprak Selucia.
Melitene knielde naast Suffa neer en sprak aanvankelijk op scherpe toon, maar daarna troostend. Ze was erg vaardig in haar werk met voormalige marath’damane. Al vond Fortuona dat ze zelf ook goed was met damane. Ze genoot er net zozeer van om marath’damane te breken als haar broer Halvate had genoten van het opleiden van wilde grolm. Ze had het altijd jammer gevonden dat hij was vermoord. Hij was de enige van haar broers op wie ze ooit gesteld was geweest.
Suffa ging eindelijk weer op haar knieën zitten. Fortuona schoof nieuwsgierig naar voren. Suffa boog haar hoofd en een streepje licht – fel en rein – sneed voor haar door de lucht. De streep draaide langs een middenas opzij en opende een gat recht voor Fortuona’s troon. Erachter ruisten bomen, en Fortuona’s adem stokte toen ze een havik met een witte kop zag wegvliegen van de doorgang. Een zeer krachtig voorteken. De doorgaans onverstoorbare Selucia zoog haar adem naar binnen, hoewel Fortuona niet wist of het door de opening in de lucht of door het voorteken kwam. Fortuona verhulde haar eigen verbazing. Dus het was waar. Het Reizen was geen mythe of gerucht. Het bestond. Dit veranderde alles aan de oorlog.
Beslan kwam naar voren, maakte een buiging voor haar en leek te aarzelen. Ze wenkte hem en Galgan om te komen kijken naar de plek in het bos die door de opening te zien was. Beslan staarde er met open mond naar.
Galgan verstrengelde zijn handen op zijn rug. Hij was een merkwaardige kerel. Hij had besprekingen gehouden met huurmoordenaars in de stad en gevraagd wat het hem zou kosten om Fortuona te laten vermoorden. Toen had hij alle mannen die een prijs hadden genoemd laten terechtstellen. Een heel verfijnde zet; die was bedoeld om haar te laten weten dat ze hem als een dreiging moest zien, aangezien hij niet bang was om huurmoordenaars te ontmoeten. Maar het was ook een duidelijk teken van trouw. Ik volg je voorlopig, zei hij ermee, maar ik hou mijn ogen open en ik ben eerzuchtig. In veel opzichten waren zijn behoedzame zetten vertrouwder voor haar dan Beslans ogenschijnlijk standvastige trouw. Dat eerste, dat viel te verwachten. Het tweede... nou, ze wist niet helemaal wat ze daarvan moest denken. Zou Martrim net zo trouw zijn? Hoe zou het zijn om een Prins van de Raven te hebben waar ze zich niet tegen hoefde in te dekken? Het leek bijna een verzinsel, het soort verhalen dat burgerkinderen werd verteld zodat ze zouden dromen over een onmogelijk huwelijk.