Выбрать главу

‘Nee.’

‘Ik hoop dat ze het goed maakt,’ zei Mart. ‘Ze leek ongerust dat haar iets kon overkomen.’ Hij pakte het briefje weer op en tikte ermee op tafel.

‘Ga je het openmaken?’

Mart schudde zijn hoofd. ‘Dat doe ik wel als ik terug ben. Ik...’ Er werd aan de deur geklopt, en toen ging hij krakend open. De waard verscheen, een vrij jonge man die Denezel heette. Hij was lang, met een mager gezicht, en hij schoor zijn hoofd. De man was zo goed als Draakgezworen, voor zover Perijn had gezien, en hij had zelfs een portret van Rhand laten maken voor in de gelagkamer. Het was niet eens een slechte gelijkenis.

‘Mijn verontschuldigingen, meester Purper,’ meldde Denezel, ‘maar meester Gouds man wil hem met alle geweld spreken.’

‘Het is al goed,’ antwoordde Perijn.

Gradi stak zijn verweerde gezicht de kamer in en Denezel trok zich terug.

‘Hé, Gradi,’ zei Mart wuivend. ‘Heb je nog wat leuks opgeblazen, onlangs?’

De zongebruinde Asha’man keek Perijn fronsend aan. ‘Heer. Vrouwe Faile vroeg me u te waarschuwen als het middernacht was.’

Mart floot. ‘Zie je, daarom heb ik mijn vrouw in een ander koninkrijk achtergelaten.’ Gradi’s frons werd dieper.

‘Dank je, Gradi,’ zei Perijn zuchtend. ‘Ik had niet in de gaten dat het al zo laat was. We vertrekken zo dadelijk.’ De Asha’man knikte en verdween.

‘Het Licht verzenge hem,’ zei Mart. ‘Kan die kerel niet een keer glimlachen? Die verrekte hemel is al ontmoedigend genoeg zonder mensen zoals hij die proberen hem na te doen.’

‘Nou, jongen,’ zei Thom, die wat bier inschonk, ‘sommige mensen vinden de wereld de laatste tijd gewoon niet meer zo grappig.’

‘Onzin,’ zei Mart. ‘De wereld is hartstikke grappig. De hele wereld lacht me de laatste tijd uit. Ik zal je vertellen, Perijn, met die tekeningen van ons die de ronde doen, moet je je gedeisd houden.’

‘Ik zou niet weten hoe,’ antwoordde Perijn. ik heb een leger aan te voeren, mensen te verzorgen.’

‘Ik denk niet dat je Verins waarschuwing ernstig genoeg opneemt, jongen,’ zei Thom hoofdschuddend. ‘Heb je wel eens van de Banath gehoord?’

‘Nee,’ antwoordde Perijn, kijkend naar Mart. ‘Het was een volk van wilden dat rondzwierf op wat nu de Almothvlakte is,’ vertelde Thom. ik ken een paar fraaie liederen over hen. De verschillende stammen verfden het gezicht van hun leider altijd rood, zodat hij meer opviel.’

Mart nam nog een hap kaas. ‘Stommelingen. Hun leider, roodgeverfd? Dan is hij het doelwit van elke soldaat op het slagveld!’

‘Dat was de bedoeling ook,’ zei Thom. ‘Het was een uitdaging, begrijp je. Hoe moesten hun vijanden hem anders vinden en hun vaardigheid beproeven tegen die van hem?’

Mart snoof, ik zou een paar andere soldaten rood verven om de aandacht van mezelf af te leiden. Dan zou ik mijn boogschutters hun leider laten doorboren met pijlen, en al die anderen lekker laten zoeken naar de kerel van wie ze denken dat die mijn leger aanvoert.’

‘Eigenlijk,’ zei Thom, die een slok bier nam, ‘is dat nou net wat Villiam Aderlater deed tijdens zijn eerste, en laatste, veldslag tegen hen. Het Lied van Honderd Dagen verhaalt erover. Schitterende zet. Ik sta ervan te kijken dat je het kent; het is heel zeldzaam, en die strijd is al zo lang geleden dat er in de meeste geschiedenisboeken niets over wordt gezegd.’

Om een of andere reden verspreidde Mart bij die opmerking een zenuwachtige geur.

‘Je bedoelt dat we doelwitten van onszelf maken,’ zei Perijn. ik bedoel,’ antwoordde Thom, ‘dat jullie steeds lastiger te verbergen worden. Overal waar jullie gaan, kondigen banieren jullie komst aan. Mensen praten over jullie. Ik denk half dat we alleen nog maar leven omdat de Verzakers niet wisten waar jullie zaten.’ Perijn knikte, denkend aan de valstrik waar zijn leger bijna in was gelopen. Er zouden moordenaars in de nacht komen. ‘Wat moet ik dan doen?’

‘Mart slaapt de laatste tijd elke nacht in een andere tent,’ vertelde Thom. ‘En soms in de stad. Zoiets zou je moeten proberen. Gradi kan toch Poorten maken? Waarom laat je hem er niet elke avond een naar het midden van je tent maken? Glip weg en slaap ergens anders, en Reis dan ’s morgens weer terug. Iedereen zal denken dat je in je tent bent. Als er moordenaars toeslaan, dan ben jij daar niet.’ Perijn knikte peinzend. ‘Beter nog, ik zou vijf of zes Aiel binnen op wacht kunnen laten staan.’

‘Perijn,’ zei Mart, ‘dat is gewoonweg vals.’ Hij glimlachte. ‘Je bent ten goede veranderd, mijn vriend.’

‘Van jou zal ik proberen dat op te vatten als een loftuiting,’ zei Perijn. Hij zweeg even en voegde er toen aan toe: ‘Dat zal niet meevallen.’

Thom grinnikte. ‘Maar hij heeft wel gelijk. Je bent veranderd. Wat is er met die ingetogen, onzekere jongen gebeurd die ik uit Tweewater heb helpen ontsnappen?’

‘Hij is door het smidsvuur gegaan,’ zei Perijn zacht. Thom knikte en scheen het te begrijpen.

‘En jij, Mart?’ vroeg Perijn. ‘Kan ik voor jou iets doen? Misschien zorgen dat je tussen tenten heen en weer kunt Reizen?’

‘Nee, ik red me wel.’

‘Hoe ga jij jezelf beschermen?’

‘Met mijn scherpe verstand.’

‘Dus dat ga je ergens kopen?’ vroeg Perijn. ‘Het zou tijd worden.’ Mart snoof. ‘Wat zeurt iedereen de laatste tijd toch over mijn verstand? Ik red me best, geloof me. Ik zal je nog eens vertellen over de avond dat ik ontdekte dat ik elk dobbelspel kon winnen dat ik wilde. Het is een goed verhaal. Er komen wat tuimelingen van bruggen in voor. Eén brug, althans.’

‘Nou... je zou het ons nu kunnen vertellen,’ zei Perijn.

‘Niet het juiste tijdstip. Maar goed, het doet er niet toe. Ik vertrek namelijk binnenkort.’

Thom rook opgewonden.

‘Perijn, je wilt ons toch wel een Poort lenen?’ vroeg Mart. ‘Hoewel ik het een rotgedachte vind om de Bond achter te laten. Ze zullen ontroostbaar zijn. Maar in ieder geval hebben ze die Draken nog om dingen mee op te blazen.’

‘Waar ga je dan naartoe?’ vroeg Perijn.

‘Ja, dat moet ik eigenlijk wel uitleggen,’ antwoordde Mart. ‘Dat was namelijk de reden voor deze bijeenkomst, afgezien van het prettige verpozen en zo.’ Hij boog zich naar voren. ‘Perijn, Moiraine leeft nog.’

‘Wat?’

‘Het is waar,’ zei Mart. ‘Of, nou, we denken dat ze nog leeft. Ze heeft Thom een brief geschreven waarin ze beweert dat ze de strijd met Lanfir had voorzien en wist dat ze... Nou ja, goed, er staat een toren ten westen van hier, langs de Arinelle. Hij bestaat helemaal uit metaal. Hij...’

‘De Toren van Ghenjei,’ zei Perijn zachtjes. ‘Ja, die ken ik.’ Mart knipperde ongelovig met zijn ogen. ‘Echt waar? Het Licht verzenge me. Sinds wanneer ben jij een geleerde?’

‘Ik heb alleen maar dingen gehoord. Mart, die plek is kwaadaardig.’

‘Nou, Moiraine zit erin,’ zei Mart. ‘Gevangen. Ik wil haar terughalen. Ik moet de slangen en vossen verslaan. Vuile valsspelers.’

‘Slangen en vossen?’ vroeg Perijn.

Thom knikte. ‘Het kinderspel is vernoemd naar de schepsels die in de toren leven. Dat denken wij althans.’

‘Ik heb ze gezien,’ vertelde Mart. ‘En... Maar daar hebben we nu eigenlijk geen tijd voor.’

‘Als je haar wilt redden,’ zei Perijn, ‘misschien kan ik dan meegaan. Of in ieder geval een Asha’man meesturen.’

‘Ik wil graag een Poort gebruiken,’ antwoordde Mart. ‘Maar je kunt niet mee, Perijn. Moiraine heeft dat uitgelegd in haar brief. Er kan maar drie man komen, en ik weet al wie dat moeten zijn.’ Hij aarzelde. ‘Olver vermoordt me omdat ik hem niet meeneem, weet je.’

‘Mart,’ zei Perijn hoofdschuddend, ik volg je niet.’ Mart zuchtte. ‘Dan zal ik je het hele verhaal maar vertellen.’ Hij keek naar de kan bier. ‘Daar zullen we meer van nodig hebben, en zeg maar tegen Gradi dat het nog wel even duurt...’

48

Bij Avendesora

Aviendha nam nog een laatste stap en was het woud van glazen pilaren uit. Ze haalde diep adem en keek achterom naar het pad dat ze had gevolgd. Het plein van Rhuidean bood een ontzagwekkende aanblik. Gladde witte plaveistenen bedekten het hele plein, behalve helemaal in het midden. Daar stond een reusachtige boom, met zijn takken gespreid als armen die de zon wilden omhelzen. De reuzenboom had een volmaaktheid die ze niet kon verklaren. Hij had een natuurlijke symmetrie; geen ontbrekende takken, geen gapende gaten in het loof bovenin. Hij was vooral zo indrukwekkend omdat hij, toen ze hem de vorige keer zag, deels verkoold en verbrand was geweest. In een wereld waar andere planten op onverklaarbare wijze afstierven, herstelde en groeide deze boom sneller dan mogelijk had moeten zijn. De bladeren ruisten geruststellend in de wind, en knoestige boomwortels staken uit de grond omhoog als de vingers van een wijze ouderling. De aanblik van de boom had haar zin gegeven om even te gaan zitten en te genieten van de eenvoudige rust van het ogenblik. Het was alsof deze boom het voorbeeld was waarnaar alle andere bomen waren gevormd. In de legende heette hij Avendesora. De Boom des Levens.