Aan de zijkant stonden de glazen pilaren. Het waren er tientallen, misschien wel honderden, opgesteld in concentrische ringen. Stakig en dun staken ze hoog de lucht in. Zo rein – zelfs in de overtreffende trap – en natuurlijk als Avendesora was, deze pilaren waren evenzo onnatuurlijk. Ze waren zo dun en hoog dat ze bij de eerste windvlaag hadden moeten omvallen. Op zich waren ze niet bijzonder merkwaardig, alleen kunstmatig.
Toen ze hier dagen eerder voor het eerst was aangekomen, hadden er gai’shain in het wit rondgelopen die afgevallen bladeren en twijgen opraapten. Ze hadden zich teruggetrokken zodra ze Aviendha zagen. Was zij de eerste die sinds de transformatie van Rhuidean tussen de glazen pilaren door ging? Haar eigen stam had niemand gestuurd, en ze was ervan overtuigd dat ze het gehoord zou hebben als andere stammen dat wel hadden gedaan.
Dan bleven alleen de Shaido over, maar die hadden Rhands beweringen over het verleden van de Aiel van de hand gewezen. Aviendha vermoedde dat als hier al Shaido waren geweest, ze niet hadden kunnen verdragen wat hun hier werd getoond. Ze zouden naar het midden van de glazen pilaren zijn gelopen en nooit meer zijn teruggekeerd.
Dat was niet het geval geweest bij Aviendha. Ze had het overleefd. Sterker nog, alles wat ze had gezien, had ze verwacht. In bijna teleurstellende mate.
Ze zuchtte, liep naar de stam van Avendesora toe en keek door het web van takken omhoog.
Ooit had het op dit plein gewemeld van de ter’angrealen; hier had Rhand de toegangssleutel gevonden die hij had gebruikt om saidin te reinigen. Die schat aan ter’angrealen was er nu niet meer; Moiraine had vele stukken opgeëist voor de Witte Toren, en de Aiel die hier woonden moesten de rest hebben weggehaald. Alleen deze boom stond er nog, en de pilaren, en de drie ringen waar vrouwen doorheen liepen op hun eerste tocht hierheen, waarna ze leerling-Wijzen waren.
Ze herinnerde zich een deel van haar tocht door de ringen, die haar haar leven – haar vele mogelijke levens – hadden laten zien. Eigenlijk waren er alleen stukjes en beetjes van in haar herinnering achtergebleven. De wetenschap dat ze van Rhand zou houden, dat ze zuster-echtgenotes zou hebben. In die kennis had ook de indruk besloten gelegen dat ze hier zou terugkeren, naar Rhuidean. Ze had het geweten, hoewel enkele van die herinneringen pas weer tot leven waren gekomen toen ze dit plein weer betrad.
Ze ging in kleermakerszit tussen twee dikke boomwortels zitten. De zachte bries was kalmerend, de lucht voelde droog en vertrouwd en de stoffige geur van het Drievoudige Land deed haar denken aan haar jeugd.
Haar tocht tussen de pilaren was wel een onderdompeling geweest. Ze had verwacht de oorsprong van de Aiel te zien, misschien getuige te zijn van de dag dat ze als volk hadden besloten de speren op te nemen en te vechten. Ze had een nobel besluit verwacht, waarin de eer zegevierde over de ondergeschikte levensstijl die werd voorgeschreven door de Weg van het Blad.
Ze was verbaasd geweest te zien hoe aards – bijna per ongeluk – de werkelijke gebeurtenis was verlopen. Geen groots besluit; alleen een man die niet bereid was zijn familie zomaar te laten vermoorden. Er lag eer in het willen verdedigen van anderen, maar hij had zijn besluit niet eervol benaderd.
Ze legde haar hoofd achterover tegen de boomstam. De Aiel verdienden hun straf in het Drievoudige Land inderdaad, en ze hadden toh – als volk – ten opzichte van de Aes Sedai. Ze had alles gezien wat ze had verwacht. Maar veel van de dingen die ze had gehoopt te ontdekken, had ze niet gezien. De Aiel zouden hier nog eeuwen blijven komen, zoals ze hier al eeuwen kwamen. En ieder van hen zou iets leren wat inmiddels algemeen bekend was. Dat zat haar danig dwars.
Ze keek omhoog, zag takken trillen in de bries, enkele bladeren vallen en naar haar toe dwarrelen. Een ervan viel langs haar gezicht en streek langs haar wang voordat hij op haar omslagdoek belandde. Het was niet langer een uitdaging om tussen de glazen pilaren door te lopen. Oorspronkelijk had deze ter’angreaal een beproeving geboden. Kon de toekomstige leider het duisterste geheim van de Aiel aan, kon hij het aanvaarden? Als Speervrouwe was Aviendha lichamelijk op haar kracht beproefd. Om Wijze te worden, moesten je gevoel en geest op de proef worden gesteld. Rhuidean had de sluitsteen van dat proces moeten zijn, de laatste beproeving van het geestelijke uithoudingsvermogen. Maar die proeve was er nu niet meer. Steeds meer begon ze te geloven dat een gebruik omwille van het gebruik dwaasheid was. Goede gebruiken – sterke, Aielse gebruiken -leerden je de wegen van ji’e’toh, overlevingsmethoden. Aviendha zuchtte en stond op. Het woud van pilaren leek wel wat op de vreemde spitsen van bevroren water die ze in de winter in de natlanden had gezien. Ijspegels, noemde Elayne ze. Deze groeiden omhoog uit de grond, wezen naar de hemel als voorwerpen van schoonheid en kracht. Het was droevig te zien dat ze naar de irrelevantie afgleden.
Er schoot haar iets te binnen. Voordat ze uit Caemlin was vertrokken, hadden Elayne en zij een opmerkelijke ontdekking gedaan.
Aviendha had een Talent in de Ene Kracht geopenbaard: het vermogen om ter’angrealen te herkennen. Kon ze hier bepalen wat die glazen pilaren eigenlijk deden? Ze konden toch niet specifiek voor de Aiel zijn gemaakt? De meeste dingen van grote Kracht, zoals deze, stamden uit lang vergeten tijden. De pilaren waren vast gemaakt tijdens de Eeuw der Legenden en vervolgens aangepast om de Aiel hun ware verleden te tonen.
Er was zoveel dat ze niet wisten over ter’angrealen. Hadden de Aes Sedai uit de oudheid ze werkelijk begrepen, zoals Aviendha begreep hoe een boog of speer werkte? Of waren ze zelf ook vol raadsels geweest over de dingen die ze maakten? De Ene Kracht was zo wonderbaarlijk, zo raadselachtig, dat zelfs het werken met geoefende wevingen Aviendha vaak het gevoel gaf een kind te zijn. Ze stapte naar de dichtstbijzijnde glazen pilaar, oppassend dat ze niet binnen de ring kwam. Als ze zo’n spits aanraakte, dan liet haar Talent haar er misschien iets over zien. Het was gevaarlijk om te experimenteren met ter’angrealen, maar ze had hun beproeving al ongeschonden doorstaan.
Aarzelend reikte ze met haar hand naar het gladde, glazige oppervlak en legde haar vingers ertegen. De spits was ongeveer een voet dik. Ze sloot haar ogen en probeerde de functie van de pilaar te achterhalen.
Ze voelde een krachtig aura om de pilaar. Het was veel sterker dan enige ter’angreaal die ze samen met Elayne had gebruikt. Ja, deze pilaren leken wel... te leven, op de een of andere manier. Het was bijna alsof Aviendha er een bewustzijn van oppikte. Dat verkilde haar. Raakte zij de pilaar aan, of raakte de pilaar haar aan?
Ze probeerde de ter’angreaal te peilen zoals ze voorheen wel had gedaan, maar deze was reusachtig. Onbegrijpelijk, net als de Ene Kracht zelf. Ze inhaleerde scherp, gedesoriënteerd door het gewicht van wat ze voelde. Het leek wel alsof ze plotseling in een diepe, donkere put was gevallen.
Haar ogen schoten open en ze trok trillend haar hand terug. Dit ging haar te boven. Ze was een insect dat probeerde de afmetingen en het gewicht van een berg te doorgronden. Aviendha haalde diep adem om zich te herpakken en schudde haar hoofd. Er viel hier niets meer te doen.