Ze wendde zich af van de glazen pilaren en zette een stap. Ze was Malidra, achttien jaar, maar zo mager dat ze veel jonger leek.
Ze kroop rond in de duisternis. Voorzichtig. Stil. Het was gevaarlijk om zo dicht bij de Lichtmakers te komen. De honger dreef haar voort, zoals altijd.
Het was een koude nacht in een kaal landschap. Malidra had verhalen gehoord over een plek achter de verre bergen, waar het land groen was en overal voedsel groeide. Ze geloofde die leugens niet. De bergen waren slechts strepen in de lucht, kartelige tanden. Wie kon er nu tegen zoiets hoogs opklimmen?
Misschien de Lichtmakers. Ze kwamen meestal wel uit die richting. Hun kamp stond verderop, gloeiend in het donker. Die gloed was te regelmatig om van een vuur te komen. Hij kwam van de bollen die ze met zich meedroegen. Ze schoof langzaam dichterbij, ineengedoken, met stoffige blote voeten en handen. Er waren een paar mannen en vrouwen van het Volk bij haar. Vuile gezichten, het haar in pieken. Vervilte baarden bij de mannen.
Een samenraapsel van kleding. Gerafelde broeken, kledingstukken die ooit misschien hemden waren geweest. Alles om de zon overdag te weren, want de zon kon je doden. En dat deed hij ook. Malidra was de laatste van vier zussen, waarvan er twee waren bezweken aan de zon en de honger, en één aan een slangenbeet. Maar Malidra leefde nog. Begerig overleefde ze. De beste manier was door de Lichtmakers te volgen. Het was gevaarlijk, maar dat merkte ze nauwelijks nog op. Dat gebeurde met je als bijna alles dodelijk was.
Ze kroop langs een struik en keek naar de wachters van de Lichtmakers. Twee schildwachten, met die lange, staafachtige wapens. Malidra had er eens een bij een dode man gevonden, maar ze had het ding niets kunnen laten doen. De Lichtmakers hadden toverij, dezelfde toverij waarmee ze hun voedsel en hun lichten maakten. Toverij die hen warm hield in de bittere kou van de nacht. De twee mannen droegen vreemde kleren. Broeken die te goed pasten, jassen vol zakken en met glinsterende stukjes metaal. Ze hadden allebei een hoed, hoewel een van hen die van hem op zijn rug droeg, om zijn nek gebonden aan een dun leren koordje. De mannen kletsten met elkaar. Ze hadden geen baarden, zoals het Volk. Hun haar was donkerder.
Een ander lid van het Volk ging te dichtbij, en Malidra siste tegen haar. De vrouw keek boos terug, maar ze ging wel achteruit. Malidra bleef aan de rand van het licht. De Lichtmakers zouden haar niet kunnen zien. Hun merkwaardig gloeiende bollen verpestten hun nachtzicht.
Ze ging om hun reusachtige wagen heen. Er stonden geen paarden voor. Alleen die wagen, groot genoeg om een twaalftal mensen in onder te brengen. Hij bewoog zich op magische wijze voort, rollend op wielen die bijna zo groot waren als Malidra. Ze had gehoord – in de gedempte, gebroken taal van het Volk – dat de Lichtmakers in het oosten een heel brede weg aanlegden. Die zou dwars door de Woestenij gaan. Hij werd gemaakt door vreemde stukken metaal neer te leggen. Ze waren te groot om uit de grond te wrikken, hoewel Jorshem haar een grote spijker had laten zien die hij had gevonden. Hij gebruikte die nu om vlees mee van botten te schrapen. Het was lang geleden dat ze goed had gegeten; niet meer sinds ze die koopman in zijn slaap hadden weten te vermoorden, twee jaar geleden. Ze herinnerde zich dat feestmaal nog: wroeten in zijn waren, eten tot ze er buikpijn van had. Zo’n vreemd gevoel. Heerlijk en pijnlijk tegelijk.
De meeste Lichtmakers waren te voorzichtig om zich in hun slaap te laten vermoorden. Malidra durfde hen niet aan te vallen als ze wakker waren. Ze konden iemand als zij laten verdwijnen met één enkele blik.
Zenuwachtig, gevolgd door enkele andere leden van het Volk, ging ze om de wagen heen en naderde die van achteren. En ja, hier hadden de Lichtmakers enkele resten van hun maaltijd neergegooid. Ze scharrelde naar voren en begon door het afval te graven. Er lagen wat stukjes vlees, reepjes vet. Ze griste die gretig op – hield ze dicht tegen zich aan voordat de anderen ze zouden zien – en stopte ze in haar mond. Ze voelde zand tussen haar tanden knarsen, maar het was eten. Ze zocht snel nog even door het afval. Een fel licht scheen op haar. Ze verstijfde met haar hand halverwege haar mond. De twee andere leden van het Volk gilden en gingen ervandoor. Zij wilde hetzelfde doen, maar ze struikelde. Er klonk een sissend geluid – een wapen van de Lichtmakers – en iets plofte tegen haar rug. Het voelde alsof ze was geraakt door een klein steentje.
Ze viel neer toen de pijn plotseling scherp werd. Het licht vervaagde een beetje. Ze knipperde met haar ogen en zag iets beter, maar tegelijkertijd voelde ze hoe het leven uit haar wegsijpelde. ik zei het toch,’ zei een stem. Twee schaduwen stapten voor het licht. Ze moest vluchten! Ze wilde opstaan, maar kon alleen zwakjes trappelen.
‘Bloed en roet, Flern,’ zei een tweede stem. Een gedaante knielde bij haar neer. ‘Arm ding. Bijna een kind nog. Ze deed geen kwaad.’
Flern snoof. ‘Geen kwaad? Ik heb die schepsels zien proberen een slapende man de keel af te snijden. Alleen maar voor zijn afval. Smerig ongedierte.’
De andere schaduw keek haar aan en ze ving een glimp op van een grimmig gezicht. Twinkelende ogen. Net sterren. De man zuchtte en stond op. ‘De volgende keer begraven we het afval.’ Hij trok zich terug in het licht.
De tweede man, Flern, stond naar haar te kijken. Was dat haar bloed? Over haar hele handen heen, warm als water dat te lang in de zon had gestaan?
De dood verraste haar niet. Eigenlijk had ze die het grootste deel van haar achttienjarige leven al verwacht.
‘Smerige Aiel,’ zei Flern voordat het haar zwart voor de ogen werd.
Aviendha’s voet raakte een plaveisteen op het plein van Rhuidean en ze knipperde geschokt met haar ogen. De zon was van plaats veranderd aan de hemel. Er waren uren verstreken. Wat was er gebeurd? Het visioen was zo echt geweest, net als de beelden uit de begindagen van haar volk. Maar ze begreep er niets van. Was ze nog verder teruggegaan in de geschiedenis? Dat had wel de Eeuw der Legenden geleken, met die vreemde machines, kleding en wapens. Maar het was wél de Woestenij geweest. Ze herinnerde zich nog heel duidelijk dat ze Malidra was. Ze herinnerde zich jaren van honger lijden, van zoeken naar voedsel, van haat – en angst – voor de Lichtmakers. Ze herinnerde zich haar dood. De doodsangst toen ze bloedend op de grond lag. Dat warme bloed op haar handen...
Ze drukte haar hand tegen haar hoofd, misselijk en overstuur. Niet door het sterven. Iedereen ontwaakte uit de droom, en hoewel ze de dood niet verwelkomde, zou ze hem ook niet vrezen. Nee, het vreselijke aan dat visioen was het volkomen gebrek aan eer dat ze had gezien. Mannen in hun slaap doden om hun voedsel? Zoeken naar half fijngekauwd vlees in het stof? Vodden dragen? Ze was meer een dier dan een mens geweest!
Dan kon je beter dood zijn. De Aiel kónden toch niet zulke wortels hebben? De Aiel in de Eeuw der Legenden waren vredige dienaren geweest. Ze werden geëerbiedigd. Hoe konden ze zijn begonnen als aaseters?
Misschien sloeg dit maar op een heel kleine groep Aiel. Of misschien had die man zich vergist. Er viel weinig af te leiden uit dit ene visioen. Waarom was haar dat getoond?
Ze zette een aarzelende stap weg bij de glazen pilaren, en er gebeurde niets. Geen visioenen meer. Verontrust liep ze weg van het plein. Toen hield ze haar pas in.
Schoorvoetend draaide ze zich om. De pilaren stonden in het afnemende licht, stil en alleen, schijnbaar zoemend van een ongeziene energie.
Was er nog meer?
Dat ene visioen leek zo losgekoppeld van de andere die ze had gezien. Als ze nog eens tussen de pilaren door liep, zou ze dan hetzelfde nog eens voorgeschoteld krijgen? Of... had ze, misschien, iets veranderd met haar Talent?
In de eeuwen sinds de stichting van Rhuidean hadden die pilaren de Aiel getoond wat ze over zichzelf moesten weten. De Aes Sedai hadden dat zo geregeld, nietwaar? Of hadden ze de ter’angrealen hier gewoon neergezet en die laten doen wat ze wilden, wetend dat ze wijsheid zouden schenken?