Выбрать главу

Aviendha luisterde naar het geruis van de boombladeren. Die pilaren waren een uitdaging, net zo zeker als een vijandelijke strijder met een speer in zijn hand. Als ze er weer tussendoor liep, kwam ze er misschien wel nooit meer uit; niemand bezocht deze ter’angreaal twee keer. Dat was verboden. Eén tocht door de ringen, één door de pilaren.

Maar ze was hier gekomen op zoek naar kennis. Zonder zou ze niet vertrekken. Ze draaide zich om, haalde diep adem en liep naar de pilaren toe.

Toen zette ze een volgende stap.

Ze was Norlesh. Ze hield haar jongste kind dicht tegen haar boezem. Een droge wind trok aan haar omslagdoek. Haar zoontje, Garlvan, begon te jammeren, maar ze suste hem terwijl haar man met de uitlanders sprak.

Een eind verderop was een uitlanderdorp, bestaande uit hutten tegen de uitlopers van de bergen aan. Ze droegen geverfde kleding, merkwaardig gesneden broeken en hemden met knopen. Ze waren hier voor het erts. Hoe konden stenen zo kostbaar zijn dat ze aan deze kant van de bergen wilden wonen, weg van hun fabelachtige land met water en voedsel? Weg van hun gebouwen, waar licht brandde zonder kaarsen en karren reden zonder paarden? Haar omslagdoek zakte omlaag en ze trok hem weer omhoog. Ze had een nieuwe nodig; deze was versleten, en ze had geen garen meer om hem te herstellen. Garlvan jammerde in haar armen en haar enige andere nog levende kind – Meise – hield zich vast aan haar rokken. Meise had nu al maanden niet meer gepraat. Niet meer sinds haar oudere broer was doodgevroren.

‘Alstublieft,’ zei haar man Metalan tegen de uitlanders. Het waren er drie, twee mannen en een vrouw, allemaal met broeken aan. Ruige mensen, anders dan de andere uitlanders met hun fijne gezichten en veel te mooie zijden kleding. De Verlichten, noemden die anderen zichzelf soms. Deze drie waren gewoner. ‘Alstublieft,’ herhaalde Metalan. ‘Mijn gezin...’ Hij was een goed mens. Of dat was hij althans geweest, toen hij nog sterk van lijf en leden was. Nu leek hij een schim van die man, met ingevallen wangen. Zijn ooit zo levendige blauwe ogen staarden nu meestal afwezig voor zich uit. Geplaagd. Die blik kwam doordat hij in anderhalf jaar tijd drie van zijn kinderen had zien sterven. Hoewel Metalan een kop groter was dan de uitlanders, leek hij zich voor hen te vernederen.

De belangrijkste uitlander – een man met een borstelige baard en grote, eerlijke ogen – schudde zijn hoofd. Hij gaf Metalan de zak vol stenen terug. ‘De Ravenkeizerin, moge ze eeuwig ademhalen, verbiedt het. Geen handel met Aiel. We kunnen onze vrijbrief al kwijtraken als we met jullie praten.’

‘We hebben geen eten,’ drong Metalan aan. ‘Mijn kinderen verhongeren. Die stenen bevatten erts. Ik wéét dat dit de soort is die jullie zoeken. Ik heb er weken over gedaan om ze te verzamelen. Geef ons een beetje eten. Iets kleins. Alstublieft.’

‘Het spijt me, vriend,’ zei de belangrijkste uitlander. ‘Het is ons de last met de Raven niet waard. Loop nou maar door. We willen geen problemen.’ Enkele uitlanders kwamen van achteren aanlopen, een van hen met een bijl, twee anderen met sisstaven. Haar man liet zijn schouders zakken. Dagen van reizen, weken van zoeken naar de stenen. Voor niets. Hij draaide zich om en liep naar haar terug. In de verte ging de zon onder. Toen hij bij haar was, sloten Meise en zij zich bij hem aan en liepen weg van het uitlanderkamp. Meise begon te snuffen, maar ze hadden geen van beiden de wens of de kracht om haar te dragen. Ongeveer een uur van het uitlanderkamp verwijderd zag haar man een hol in een rotsrichel. Ze gingen erin zitten, maar maakten geen vuur. Er was niets om te verbranden. Norlesh kon wel huilen. Maar... wat dan ook voelen, viel haar zwaar, ik heb zo’n honger,’ fluisterde ze.

‘Ik vang morgenochtend wel iets,’ zei haar man, starend naar de sterren.

‘We hebben al dagen niks meer gevangen.’ Hij gaf geen antwoord.

‘Wat moeten we nu?’ fluisterde ze. ‘We hebben al geen eigen plek voor ons volk meer kunnen vinden sinds de tijd van mijn grootmoeder Tava. Als we ergens bijeenkomen, vallen ze ons aan. Als we door de Woestenij gaan zwerven, sterven we uit. Ze willen niet met ons handelen. Ze laten ons de bergen niet over. Wat moeten we toch dóén?’

Zijn antwoord was te gaan liggen, met zijn rug naar haar toe. Toen kwamen haar tranen wel, zachtjes, zwak. Ze biggelden over haar wangen terwijl ze haar hemd opende om Garlvan aan de borst te leggen, hoewel ze geen melk voor hem had. Hij bewoog zich niet. Hij zoog zich niet vast. Ze tilde zijn lijfje op en zag dat hij niet meer ademde. Ergens tijdens de tocht naar het hol was hij gestorven, zonder dat zij het in de gaten had gehad.

Het engste was nog wel hoe moeilijk ze het vond enig verdriet te voelen om zijn dood.

Aviendha’s voet raakte de plaveistenen. Om haar heen straalde het woud van glazen pilaren in prismatische kleuren. Het was net of ze te midden van de voorstelling van een Vuurwerker stond. De zon stond hoog aan de hemel en opmerkelijk genoeg was het wolkendek verdwenen.

Ze wilde dit plein voor altijd verlaten. Ze was voorbereid geweest op de wetenschap dat de Aiel ooit de Weg van het Blad hadden gevolgd. Die kennis was niet zo verontrustend. Straks zouden ze hun toh inlossen.

Maar dit? Die verspreide, gebroken, ellendige mensen? Mensen die niet voor zichzelf opkwamen, die bedelden, die niet konden leven van het land? Te weten dat dit haar voorouders waren, was een schande die ze amper kon verdragen. Het was maar goed dat Rhand Altor dit verleden niet aan de Aiel had onthuld. Kon ze vluchten? Wegrennen van het plein en niets meer zien? Als liet nog erger werd, zou de schande haar overstelpen. Helaas wist ze dat er nog maar één uitweg was, nu ze was begonnen. Met haar kaken op elkaar geklemd zette ze een stap naar voren.

Ze was Tava, veertien jaar oud en gillend in de nacht terwijl ze haar brandende huis uit rende. De hele vallei – een kloof eigenlijk, met steile kanten – stond in lichterlaaie. Elk gebouw in de jonge veste was in brand gestoken. Nachtmerrieachtige wezens, met kronkelende nekken en brede vleugels, vlogen door de nachtelijke hemel. Ze droegen ruiters op hun rug met bogen, speren en vreemde nieuwe wapens, die een sissend geluid maakten als ze werden afgevuurd.

Tava schreeuwde en speurde naar haar familie, maar de veste was één grote chaos van verwarring. Enkele Aielstrijders boden nog verzet, maar iedereen die een speer hief, viel enkele tellen later, gedood door een pijl of door een onzichtbaar schot uit die nieuwe wapens. Voor haar viel een Aielman en zijn lijk rolde over de grond. Tadvishm had hij geheten, een Steenhond. Het was een van de weinige genootschappen die zijn identiteit nog had. De meeste strijders waren geen lid meer van een genootschap; hun broeders en zusters waren degenen met wie ze toevallig een kamp deelden. Maar al te vaak werden die kampen toch weer uiteengedreven. Deze veste had anders moeten zijn, geheim, diep in de Woestenij. Hoe hadden hun vijanden hen gevonden?

Er huilde een kind van een jaar of twee. Ze rende naar hem toe en griste hem vlak bij de vlammen van de grond. Hun huizen stonden in brand. Het hout was met veel moeite bijeen gesprokkeld uit de bergen langs de oostelijke rand van de Woestenij. Ze hield het kind dicht tegen zich aan en rende naar de uithoek van de kloof. Waar was haar vader? Met een plotseling zoevend geluid landde een van die nachtmerrieachtige schepsels voor haar, en de windvlaag zette haar rokken in beweging. Een vreeswekkende strijder zat op de rug van het beest, met een helm als de kop van een insect, de kaken scherp en gekarteld. Hij liet zijn sissende staf naar haar zakken. Ze gilde van angst, drukte het huilende kind tegen zich aan en kneep haar ogen dicht.

Het sissende geluid kwam niet. Bij een grom en een plotseling gekrijs van het slangachtige wezen keek ze op en zag een gestalte met de uitlander worstelen. Het vuurlicht onthulde het gezicht van haar vader, gladgeschoren zoals de gebruiken voorschreven. Het beest onder de twee mannen bokte en smeet hen allebei op de grond. Enkele ogenblikken later stond haar vader op, met het zwaard van de indringer in zijn handen, de kling donker gekleurd. De indringer bewoog zich niet, en achter hen sprong het beest jankend de lucht in. Tava keek op en zag dat het de rest van de groep volgde. De indringers trokken zich terug, en ze lieten een gebroken volk met brandende huizen achter.