Ze richtte haar blik weer omlaag. Het tafereel vervulde haar van afschuw; tientallen lichamen lagen bloedend op de grond. De indringer die haar vader had gedood, leek de enige vijand te zijn die was gesneuveld.
‘Haal zand!’ brulde haar vader, Rowahn. ‘Doof de vlammen!’ Hij was lang – zelfs voor een Aiel – met opvallend rood haar, en hij droeg de oude kleding, donker- en lichtbruin, en laarzen aangesnoerd tot aan zijn knieën. Die kleding kenmerkte iemand als een Aiel, en daarom droegen veel mensen het niet meer. Laten blijken dat je een Aiel was, betekende de dood.
Haar vader had die kleding geërfd van zijn grootvader, samen met een opdracht. Volg de oude gebruiken. Vergeet ji’e’toh niet. Vecht en behoud je eer. Hoewel hij pas een paar dagen in de veste was, luisterden de anderen toen hij schreeuwde dat ze de branden moesten blussen. Tava bracht het kind terug bij zijn dankbare moeder en hielp zand halen.
Een paar uur later verzamelde het vermoeide en gewonde volk zich midden in de kloof, en ze keken met matte ogen naar waar ze maandenlang aan hadden gebouwd. Het was in één nacht weggevaagd. Haar vader had nog steeds het zwaard bij zich. Hij gebruikte het om mee te wijzen. Enkele ouden zeiden dat een zwaard ongeluk bracht, maar waarom zouden ze dat zeggen? Het was maar een wapen. ‘We moeten herbouwen,’ zei haar vader, uitkijkend over de brokstukken.
‘Herbouwen?’ vroeg een met roet besmeurde man. ‘Het graanpakhuis was het eerste dat in de brand ging! Er is geen voedsel!’
‘We overleven het wel,’ zei haar vader. ‘We kunnen dieper de Woestenij in trekken.’
‘We kunnen nergens meer heen!’ wierp een andere man tegen. ‘Het Rijk van de Raven heeft bericht gestuurd aan de Verre Bewoners, en die jagen op ons langs de oostelijke grens!’
‘Ze zullen ons vinden, waar we ons ook verzamelen!’ riep een ander.
‘Het is een straf!’ zei haar vader. ‘Maar we moeten volhouden!’ De mensen keken hem aan. Toen liepen ze in tweetallen of kleine groepen bij hem weg.
‘Wacht,’ zei haar vader, en hij stak zijn hand op. ‘We moeten bij elkaar blijven, blijven vechten! De stam...’
‘We zijn geen stam,’ zei een asgrauwe man. ik kan beter in mijn eentje overleven. Geen strijd meer. Ze verslaan ons als we vechten.’ Haar vader liet het zwaard zakken tot de punt de grond raakte. Tava ging naast hem staan, ongerust toen ze de anderen in de nacht zag verdwijnen. Kr hing nog steeds dichte rook in de lucht. De vertrekkende Aiel waren schaduwen, wegsmeltend in de duisternis als stofwervelingen op de wind. Ze namen niet de tijd om hun doden te begraven.
Haar vader boog zijn hoofd en liet het zwaard op de met as bedekte grond vallen.
Er stonden tranen in Aviendha’s ogen. Het was geen schande om te huilen om deze tragedie. Ze had de waarheid gevreesd, en nu kon ze hem niet langer ontkennen.
Dat waren Seanchaanse strijders geweest, rijdend op raken. Het Rijk van de Raven, de Lichtmakers uit haar eerste visioen, dat waren de Seanchanen; en die bestonden pas sinds het midden van de huidige Eeuw, toen Artur Haviksvleugels legers de oceanen waren overgestoken.
Ze zag niet het verre verleden van haar volk. Ze zag hun toekomst. Haar eerste keer door de pilaren had haar bij elke stap achteruitgevoerd, bewegend door de tijd naar de Eeuw der Legenden. Het leek erop dat deze keer de visioenen op een punt ver in de toekomst waren begonnen en nu teruggingen naar haar tijd, waarbij ze met elk visioen een generatie of twee achteruitsprong. Met de tranen op haar wangen nam ze de volgende stap.
49
Hof van de Zon
Ze was Ladalin, een Wijze van de Taardad Aiel. Wat wenste ze toch dat ze had kunnen leren geleiden. Het was schandelijk, wensen dat ze een gave had die ze niet bezat, maar ze kon het niet ontkennen. Ze zat in de tent en voelde spijt. Als ze had kunnen werken met de Ene Kracht, dan had ze misschien meer kunnen doen om de gewonden te helpen. Ze had jong kunnen blijven om haar stam te leiden, en misschien zouden haar botten dan niet zo’n pijn doen. Ouderdom was frustrerend als er zoveel te doen viel. De tentwanden ruisten toen de overige stamhoofden gingen zitten. Er was slechts één andere Wijze aanwezig: Mora van de Goshien Aiel. Zij kon ook niet geleiden. De Seanchanen waren erg vastberaden als het aankwam op het doden of gevangennemen van alle Aiel -mannelijk of vrouwelijk – die enige aanleg vertoonden voor de Ene Kracht.
Er had zich een deerniswekkend groepje in de tent verzameld. Een jonge soldaat met één arm kwam binnen met een warme brander en zette die tussen hen in, waarna hij zich terugtrok. Ladalins moeder had gesproken over de tijd toen er nog gai’shain waren om dergelijk werk te doen. Waren er echt Aiel geweest, mannen of Speervrouwen, die niet nodig waren geweest voor de oorlog tegen de Seanchanen? Ladalin warmde haar handen aan de brander, haar vingers knokig van ouderdom. Ze had als jonge vrouw een speer vastgehouden; dat deden de meeste vrouwen voordat ze trouwden. Hoe kon een Aielvrouw achterblijven terwijl de Seanchanen hun vrouwelijke soldaten en damane zo doeltreffend inzetten?
Ze had verhalen gehoord over de tijd van haar moeder en grootmoeder, maar die leken ongelooflijk. De oorlog was alles wat Ladalin ooit had gekend. Haar eerste herinneringen als klein meisje waren aan de aanvallen op de Almothvlakte. Haar hele jeugd had ze geoefend. Ze had gestreden in veldslagen rondom het land dat bekend had gestaan als Tyr.
Ladalin was getrouwd en had kinderen grootgebracht, maar elke ademteug was gericht geweest op het conflict. Aiel of Seanchanen. Ze wisten allebei dat uiteindelijk slechts één van de twee zou overblijven.
Het leek er steeds meer op dat de Aiel degenen zouden zijn die werden verdreven. Dat was nóg een verschil tussen haar tijd en die van haar moeder. Haar moeder had niet over falen gesproken; Ladalins leven zat vol mijlpalen van terugtrekken en aftochten. De anderen leken in gedachten verzonken. Drie stamhoofden en twee Wijzen. Zij waren alles wat restte van de Raad van Tweeëntwintig. De wind van het hoogland kwam door de tentflappen en verkilde haar rug. Tamaav was de laatste die aankwam. Hij zag er net zo oud uit als zij zich voelde, zijn gezicht onder de littekens en zijn linkeroog verloren in de strijd. Hij ging op de stenen zitten. De Aiel namen niet langer kussens of kleden mee. Alleen het hoognodige kon worden meegenomen.
‘De Witte Toren is gevallen,’ vertelde hij. ‘Mijn verkenners hebben me nog geen uur geleden op de hoogte gebracht. Ik geloof hen.’ Hij was altijd een ongevoelig man geweest, en een goede vriend van haar echtgenoot, die vorig jaar was gesneuveld.
‘Dan verdwijnt daarmee ook onze laatste hoop,’ zei Takai, het jongste stamhoofd. Hij was de derde hoofdman van de Miagoma in evenzoveel jaren.
‘Zo moet je niet praten,’ antwoordde Ladalin. ‘Er is altijd hoop.’
‘Ze hebben ons helemaal naar deze vervloekte bergen gedwongen,’ zei Takai. ‘De Shiande en de Daryne bestaan niet meer. Dan blijven er nog maar vijf stammen over, en een daarvan is gebroken en verspreid. We zijn verslagen, Ladalin.’
Tamaav zuchtte. Ze zou een trouwkrans aan zijn voeten hebben gelegd als ze enkele jaren jonger was geweest, en als het andere tijden waren geweest. Haar stam had een leider nodig. Haar zoon dacht nog steeds dat te worden, maar nu de Seanchanen onlangs Rhuidean hadden ingenomen, wisten de stammen niet meer hoe ze nieuwe leiders moesten aanstellen.
‘We moeten ons terugtrekken in het Drievoudige Land,’ zei Mora met haar zachte, moederlijke stem. ‘En boete doen voor onze zonden.’
‘Welke zonden?’ snauwde Takai. ‘De Draak wilde vrede,’ antwoordde ze.
‘De Draak heeft ons verlaten!’ zei Takai. ik weiger de herinnering te volgen van een man die mijn grootouders amper kenden. Wij hebben nooit beloofd om dit dwaze pact te volgen. We...’