‘Vrede, Takai,’ zei Jorshem. De laatste van de drie stamhoofden was een kleine man met een havikachtig gezicht en wat Andoraans bloed van zijn grootvader. ‘Alleen het Drievoudige Land biedt nu nog enige hoop. De oorlog tegen de Raven is verloren.’ Het werd stil in de tent.
‘Ze zeiden dat ze ons zouden opjagen,’ waarschuwde Takai. ‘Toen ze onze overgave eisten, waarschuwden ze dat we ons niet moesten terugtrekken. Dat weten jullie. Ze zeiden dat ze elke plek zouden vernietigen waar meer dan drie Aiel bijeenkwamen.’
‘We geven ons niét over,’ zei Ladalin overtuigd. Overtuigder dan ze zich voelde, eerlijk gezegd.
‘Als we ons overgeven, zijn we gai’shain,’ zei Tamaav. Ze gebruikte dat woord om iemand zonder eer aan te duiden, hoewel dat niet was hoe Ladalins moeder het had gebruikt. ‘Ladalin. Wat zeg jij ervan?’
De andere vier keken haar aan. Ze stamde rechtstreeks af van de Draak; een van de laatsten die nog leefde. De andere drie geslachten waren uitgemoord.
‘Als we slaven worden van de Seanchanen, bestaan de Aiel als volk niet meer,’ zei ze. ‘We kunnen niet winnen, dus moeten we ons terugtrekken. We keren terug naar het Drievoudige Land om aan te sterken. Misschien kunnen onze kinderen dan weer vechten.’ Weer stilte. Ze wisten allemaal dat haar uitspraken op hun best optimistisch waren. Na tientallen jaren van oorlog bestonden de Aiel nog maar uit een fractie van hun eerdere aantallen. Seanchaanse geleiders waren ruw en doeltreffend. Hoewel de Wijzen en Drakenbloeden de Ene Kracht in de strijd gebruikten, was het niet voldoende. Die vervloekte a’dam! Elke geleider van de Aiel die werd gevangen, werd uiteindelijk tegen hen gebruikt. Het echte keerpunt in de oorlog was de inmenging van de andere naties geweest. Sindsdien waren de Seanchanen in staat natlanders te grijpen en daar nog meer geleiders uit te wieden. De Raven waren onhoudbaar. Nu ‘F ar Valon was gevallen, was elk rijk in de natlanden onderworpen aan de Seanchanen. Alleen de Zwarte Toren vocht nog, hoewel de Asha’man dat in het geheim deden, aangezien hun fort jaren geleden al was gevallen.
Aiel konden niet in het geheim vechten. Daar lag geen eer in. Maar wat maakte eer nu eigenlijk nog uit? Na honderdduizenden doden? Nadat Cairhien in brand was gestoken en Illian leeggehaald? Het was twintig jaar geleden dat de Seanchanen de Andoraanse oorlogsmachines in handen hadden gekregen. De Aiel tuimelden al tientallen jaren op de nederlaag af; het was een bewijs van hun hardnekkige aard dat ze het nog zo lang hadden uitgehouden. ‘Dit is zijn schuld,’ zei Takai, nog altijd mokkend. ‘De Car’a’carn had ons naar de roem kunnen leiden, maar hij liet ons in de steek.’
‘Zijn schuld?’ vroeg Ladalin, die – misschien wel voor het eerst – inzag waarom die uitspraak niet klopte. ‘Nee. Aiel nemen de verantwoording voor zichzelf. Dit is ónze schuld, en niet die van mijn verre grootvader. We zijn vergeten wie we zijn. We hebben geen eer.’
‘Onze eer is ons afgenomen,’ antwoordde Takai, die zuchtend opstond. ‘Volk van de Draak, ja nou. Wat heeft het voor zin om zijn volk te zijn? We waren gemaakt om een speer te zijn, volgens de legenden, gesmeed in het Drievoudige Land. Hij heeft ons gebruikt en aan de kant gegooid. Wat moet een weggegooide speer anders dan ten strijde trekken?’
Inderdaad, dacht Ladalin. De Draak had vrede geëist, denkend dat het de Aiel gelukkig zou maken. Maar hoe konden ze gelukkig zijn terwijl die door het Licht vervloekte Seanchanen in het land waren? Haar haat voor de indringers ging diep.
Misschien had die haat de Aiel wel vernietigd. Ze hoorde de wind huilen terwijl Takai de tent uit beende. Morgenochtend zouden de Aiel terugkeren naar het Drievoudige Land. Als ze zelf geen vrede wilden aanvaarden, dan leek het erop dat die hun zou worden opgedrongen.
Aviendha zette nog een stap naar voren. Ze was bijna helemaal in het midden van de pilaren, en om haar heen fonkelden stralen licht. Haar tranen liepen nu vrijelijk over haar wangen. Ze voelde zich net een kind. Ladalin zijn was nog erger geweest dan de rest, want in haar had Aviendha sporen gezien van de werkelijke gebruiken van de Aiel, al waren ze vervormd als in een bespotting. De vrouw had aan oorlog gedacht en dat gelijkgesteld aan eer, maar ze had niet begrepen wat eer was. Geen gai’shain? Terugtrekken? Er was niets over toh gezegd. Dit was een oorlog die helemaal geen zin of reden had.
Waarom vechten? Voor Ladalin had het gedraaid om haar haat jegens de Seanchanen. Het was oorlog omdat het altijd oorlog was geweest.
Hoe? Hoe was dit de Aiel overkomen? Aviendha zette een volgende stap.
Ze was Oncala, een Speervrouwe. Uiteindelijk zou ze de speer opgeven en trouwen, net als haar moeder en haar moeders moeder vóór haar hadden gedaan. Maar dit was de tijd om te vechten. Ze beende door de straten van Caemlin met haar naastzuster, die de banier van de Draak droeg om haar afkomst bekend te maken. Naast Oncala liep de man waarvoor ze waarschijnlijk de speren zou opgeven. Hehyal, Ochtendrenner, had meer Seanchanen gedood dan elk ander lid van zijn genootschap en veel ji verworven. Hij had vorig jaar toestemming gekregen om naar Rhuidean te gaan en stamhoofd te worden.
Rhuidean. De stad werd belegerd door de Seanchanen. Oncala sneerde. Seanchanen hadden geen eer. Er was hun vertéld dat Rhuidean een plek van vrede was. De Aiel vielen het paleis in Ebo Dar ook niet aan. De Seanchanen zouden Rhuidean niet moeten aanvallen. Het waren hagedissen. Het was een bron van aanhoudende frustratie dat nu, na tientallen jaren van oorlog, de fronten waarlangs werd gestreden nog bijna dezelfde waren als nadat haar grootvader naar Shayol Ghul ging.
Hehyal en zij werden vergezeld door een erewacht van tweeduizend Speren. Koningin Talana verwachtte hen, en dus stonden de witte poorten van het Andoraanse paleis open. Hehyal wenkte vijftig speren, van tevoren uitgekozen, om met hen mee te lopen door de fraaie gangen. Weelde was alomtegenwoordig hier in het paleis. Elk wandkleed, elke vaas, elke gouden lijst was een belediging voor Oncala. Veertig jaar oorlog, en Andor was onaangeroerd. Het lag er veilig bij, gekoesterd in de bescherming die de verdediging door de Aiel opleverde.
Nou, Andor zou het wel zien. De Aiel waren sterker geworden van het vechten. Ooit was hun moed legendarisch geweest. Nu was hij nog groter! Als ze de Seanchanen eenmaal hadden vernietigd, zou de wereld zien wat de Aiel hadden geleerd. De heersers van de natlanden zouden wensen dat ze grootmoediger waren geweest. De deuren naar de troonzaal stonden open. Oncala en Hehyal gingen naar binnen en lieten hun geleide achter. De banier van de Draak wapperde hier ook, als herinnering dat het Andoraanse koninklijke geslacht óók afstamde van de Car’a’carn. Voor Oncala nog een reden om hen te haten. De Andoraanse edelen dachten dat ze haar gelijken waren.
Koningin Talana was een vrouw van middelbare leeftijd met dieprood, weelderig haar. Niet heel knap, maar wel erg vorstelijk. Ze sprak zachtjes met een van haar raadslieden en gebaarde dat de Aiel moesten wachten. Een opzettelijke belediging. Oncala brieste. Eindelijk mochten ze de Leeuwentroon benaderen. Talana’s broer, haar beschermer, stond achter haar in hofkleding – een vest en jas -en met zijn hand op zijn zwaard. Oncala had hem kunnen doden zonder zelfs maar te gaan zweten.
‘Ach,’ zei koningin Talana. ‘De Taardad Aiel weer. Draag je nog steeds de speer, Oncala?’
Oncala sloeg haar armen over elkaar en zei niets. Ze wist dat ze niet goed met mensen kon omgaan. Als ze sprak, beledigde ze te snel. Ze kon beter het stamhoofd de leiding laten nemen, ik neem aan dat jullie hier weer zijn om om hulp te bedelen,’ zei Talana.
Hehyal bloosde en Oncala wenste heel even dat ze haar speer niet buiten had gelaten.
‘We hebben iets voor u,’ zei Hehyal, die een leren buidel pakte en aan een lid van de koninginnegarde overhandigde. De man maakte hem open en bekeek de papieren die erin zaten. Alweer een belediging. Moesten ze hier worden behandeld als huurmoordenaars? Oncala mocht de koningin niet, dat was waar, maar haar familie en die van Talana hadden een gezworen bondgenootschap vanwege hun grootmoeders, die eerstezusters waren geweest. De soldaat gaf de papieren aan de koningin. Talana bekeek ze, en haar gezicht werd bezorgd en peinzend.