Выбрать главу

Talana, net als de meeste regenten onder de Vrede van de Draak, maakte zich zorgen om de Seanchanen. De technieken en vaardigheid van het Rijk van de Raven in het vormen van de Ene Kracht namen toe. De Aiel hadden voorlopig een patstelling met hen bereikt. Wat zou er gebeuren als de Seanchanen wonnen? Zouden ze zich dan aan hun beloften houden?

In hoeverre waren de Seanchanen te vertrouwen? Hehyals agenten hadden die vraag de afgelopen tien jaar vaak gesteld aan de grote hoven overal ter wereld. Hij was een wijs man. Zelfs voor hij hoofdman was geworden, besefte hij al dat deze oorlog niet gewonnen kon worden door de Aiel alleen. Ze hadden die zachte natlanders nodig. En dat was de laatste reden waarom Oncala hen haatte.

‘Hoe ben je hier aan gekomen?’ vroeg Talana. ‘Uit het Seanchaanse paleis,’ antwoordde Hehyal. ‘Ze hadden Rhuidean niet moeten aanvallen. Onze eer stond ons daarom toe terug te slaan; hoewel onze aanval stilletjes gebeurde om deze te bemachtigen. Ik vermoedde al heel lang waar ze lagen, en alleen mijn eergevoel weerhield me van het schenden van het heilige Seanchaanse paleis.’

Talana’s gezicht werd hard. ‘Weet je zeker dat ze echt zijn?’

‘Twijfelt u aan me?’ vroeg Hehyal.

Koningin Talana schudde haar hoofd en keek verontrust. Ze wist dat Aiel niet logen.

‘We zijn geduldig met u geweest,’ zei Hehyal. ‘We zijn naar u toe gekomen en hebben u uitgelegd wat er zal gebeuren als we de Seanchanen niet weg kunnen houden.’

‘De Vrede van de Draak...’

‘Wat geven zij om de Draak?’ vroeg Hehyal. ‘Het zijn indringers, die hem hebben gedwongen te buigen voor hun keizerin. Ze staat boven hem. Ze zullen zich niet houden aan beloften die ze aan een ondergeschikte hebben gedaan.’

Koningin Talana keek weer omlaag. De documenten waren Seanchaanse plannen voor een aanval op Andor, samen met een uitgekiende opzet voor de moord op de koningin. Eronder lagen gelijksoortige plannen om af te rekenen met de heersers van Tyr, Tweewater en Illian.

‘Ik heb tijd nodig om met mijn raadslieden te overleggen,’ zei Talana.

We hebben haar, dacht Oncala glimlachend. Ze wist al wat het antwoord van de koningin zou zijn. Ze hadden een list nodig gehad om haar tot handelen aan te zetten.

Hehyal knikte, en ze trokken zich terug. Oncala moest zich inhouden om geen kreet van overwinning te slaken. Als Andor zich in de oorlog mengde, zouden de andere naties dat ook doen, vooral diegenen in het Pact van de Griffioen en aan het Hof van de Zon. Ze keken evenzeer naar de Andoraanse koningin als de andere Aielstammen naar Oncala keken. Het bloed van Rhand Altor droeg veel gewicht.

‘Is dit wel goed?’ vroeg Hehyal terwijl ze wegliepen, met hun Speren om hen heen om luistervinken op afstand te houden. Oncala schrok. ‘Jij kwam met dit voorstel.’ Hij knikte fronsend.

Niets van wat hij tegen de koningin had gezegd was onwaar geweest.

Hun eer was onbezoedeld. Maar Hehyal had wel een van de gevonden vellen papier achtergehouden. Daarin stond dat de andere documenten noodplannen waren. De beschrijvingen van Andors militaire slagkracht, voorstellen voor het gebruik van Poorten en Draken om Caemlin aan te vallen, het plan voor de aanslag op koningin Talana; die waren alleen opgesteld voor het geval dat Andor zich met de oorlog bemoeide. Ze waren bedoeld als voorlopige studie van een mogelijke vijand, geen werkelijk aanvalsplan. Het was vrijwel hetzelfde. De Seanchanen waren slangen. Ze zouden Andor uiteindelijk ook grijpen, en tegen die tijd konden de Aiel misschien niet meer helpen. Als deze oorlog slecht verliep, zou haar volk naar het Drievoudige Land gaan en die domme natlanders aan hun lot overlaten. De Seanchanen zouden onmogelijk van de Aiel kunnen winnen in hun vaderland.

Het was veel beter als koningin Talana zich nu in de oorlog mengde. Voor haar eigen bestwil was het beter als ze dat andere document nooit onder ogen kreeg.

‘Het is gebeurd,’ zei Hehyal. ‘Er is nu geen ruimte meer voor twijfel.’

Oncala knikte. De Seanchanen zouden vallen en de Aiel zouden hun rechtmatige plek innemen. Het bloed van de Herrezen Draak stroomde door haar aderen. Ze verdiende het te regeren. Het zou niet het Rijk van de Raven zijn dat aan het eind van dit alles verrees, maar het Rijk van de Draak.

‘Ik wil niet meer verder,’ zei Aviendha tegen het verlaten woud van glas.

De wind was gaan liggen. Haar opmerking werd beantwoord met stilte. Haar tranen waren te zien in het stof aan haar voeten, als gevallen regendruppels.

‘Dat... schepsel had geen eer,’ zei ze. ‘Ze heeft ons te gronde gericht.’ Het ergste was nog wel dat die vrouw – Oncala – aan haar moeders moeder had gedacht. Aan haar grootmoeder. In de geest van Oncala was er een gezicht verbonden aan die titel. Aviendha had het herkend.

Haar eigen gezicht.

Ineenkrimpend, met haar ogen dicht, stapte ze naar voren, naar het midden van de stralende pilaren.

Ze was Padra, dochter van de Herrezen Draak, trotse Speervrouwe. Ze rukte haar wapen uit de hals van een stervende Seanchaan en keek toe terwijl de rest vluchtte door een Poort. Het Licht vervloeke degene die de Seanchanen het Reizen had bijgebracht, dacht Padra. Zelfs al zijn hun wevingen niet bepaald verfijnd. Ze was ervan overtuigd dat geen enkel levend mens de Ene Kracht zo goed begreep als zij en haar broers en zus. Ze had als kind al wevingen kunnen maken, en voor haar broers en zus gold hetzelfde. Voor hen was het een heel natuurlijk vermogen, en alle andere geleiders leken vergeleken met hen onhandig.

Ze paste wel op dat ze dat niet hardop zei. Aes Sedai en Wijzen vonden het niet prettig om aan hun tekortkomingen te worden herinnerd. Maar toch was het waar.

Padra sloot zich aan bij haar speerzusters. Ze moesten een van hen dood op het gras achterlaten, en Padra rouwde om haar. Tarra, van de Taardad Aiel. Ze zou niet worden vergeten. Maar de eer was aan hen, want ze hadden acht Seanchaanse soldaten gedood. Ze weefde een Poort; voor haar ging dat snel als een gedachte. Ze hield de Ene Kracht altijd vast, zelfs wanneer ze sliep. Ze had nooit geweten hoe het was om die troostrijke, kolkende Kracht niet achter in haar geest te voelen. Anderen zeiden dat ze vreesden erdoor verteerd te worden, maar hoe was dat nu mogelijk? Saidar was een deel van haar, net als haar arm of been. Hoe kon je worden verteerd door je eigen vlees, botten en bloed?

De Poort leidde naar het Aielkamp in het land dat Arad Doman heette. Het kamp was geen stad; Aiel hadden geen steden. Maar het was wel een heel groot kamp, en het had zich al bijna tien jaar niet verplaatst. Padra beende over het gras en Aiel in cadin’sor betoonden eerbied. Padra en haar broers en zus, als kinderen van de Draak, waren... iets geworden voor de Aiel.

Geen heersers; dat concept maakte haar misselijk. Maar ze was meer dan een gewone algai’d’siswai. De stamhoofden wendden zich tot haar en haar broers en zus voor raad en de Wijzen hadden een bijzondere belangstelling voor hen. Ze lieten haar geleiden, ook al was ze niet een van hen. Al zou ze net zo gemakkelijk kunnen ophouden met geleiden als met ademhalen.

Ze stuurde haar speerzusters weg en liep rechtstreeks naar Ronams tent. Het stamhoofd – zoon van Rhuarc – zou haar verslag willen horen. Ze ging naar binnen en keek op toen ze zag dat Ronam niet alleen was. Een groep mannen zat op het kleed, stuk voor stuk stamhoofden. Haar broers en zus zaten er ook.

‘Ach, Padra,’ zei Ronam. ‘Je bent er weer.’

‘Ik kan wel een andere keer terugkomen, Ronam,’ zei ze.

‘Nee, jij was ook gewenst bij deze bijeenkomst. Kom zitten en deel mijn schaduw.’

Padra boog haar hoofd om de eer die hij haar betoonde. Ze ging tussen Alarch en Janduin in zitten, haar broers. Hoewel de jongelui een vierling waren, zagen ze er heel verschillend uit. Alarch had meer weg van hun natlanderkant, met donker haar. Janduin was blond en lang. Naast hem zat Marinna, hun zus, fijngebouwd en met een rond gezicht.