Выбрать главу

‘Ik moet melden,’ zei Padra tegen Ronam, ‘dat de Seanchaanse wachters zich daar bevonden waar we dachten. We hebben tegen hen gestreden.’

Er werd wat onbehaaglijk gemompeld.

‘Het is niet tegen de Vrede van de Draak dat ze in Arad Doman komen,’ zei Tavalad, stamhoofd van de Goshien Aiel. ‘En het is ook gerechtvaardigd dat we hen doden als ze te dichtbij komen, stamhoofd,’ antwoordde Padra. ‘De Aiel zijn niet gebonden aan de Vrede van de Draak. Als de Seanchanen de gok willen nemen om ons kamp te bekijken, dan moeten ze weten dat ze daarmee inderdaad een gok wagen.’

Enkele anderen – meer dan ze had verwacht – knikten bij die opmerking. Ze keek naar Janduin, en hij trok zijn wenkbrauw op. Ze hief steels twee vingers. Twee Seanchanen, dood door haar speer. Ze had hen graag gevangengenomen, maar de Seanchanen verdienden het niet om gai’shain te worden. En het waren verschrikkelijke gevangenen. Je kon ze die schande beter besparen en ze laten sterven. ‘We moeten praten over wat we kwamen zeggen,’ zei Alalved, hoofdman van de Tomanelle Aiel. Padra deed een snelle telling. Alle elf stamhoofden waren er, ook diegenen die een bloedeed tegen elkaar hadden. Een bijeenkomst zoals deze was in jaren niet meer voorgekomen, niet meer sinds hun vader zich voorbereidde op de Laatste Slag. ‘En wat kwamen we dan zeggen?’ vroeg een van de anderen. Alalved schudde zijn hoofd. ‘De speren worden rusteloos. De Aiel zijn niet in de wieg gelegd om dik te worden in landen van weelde, zorgend voor gewassen. We zijn strijders.’

‘De Draak heeft om vrede gevraagd,’ zei Tavalad. ‘De Draak heeft anderen om vrede gevraagd,’ antwoordde Alalved. ‘Niet de Aiel.’

‘Dat is waar,’ beaamde Darvin, hoofdman van de Reyn. ‘Gaan we dan weer strooptochten bij elkaar houden, na al die jaren waarin we onze bloedvetes hebben ingetoomd?’ vroeg Ronam zachtjes. Hij was een uitstekend stamhoofd, ongeveer zoals Rhuarc was geweest. Wijs, maar niet bang voor strijd.

‘Wat zou daar de zin van zijn?’ vroeg Shedren, het hoofd van de Daryne Aiel.

Anderen knikten. Maar dat riep een groter probleem op, waar haar moeder vaak over had gesproken. Wat betekende het om Aiel te zijn nu hun plicht aan het verleden was ingelost, hun toh als volk opgeheven?

‘Hoe lang kunnen we blijven wachten,’ zei Alalved, ‘wetend dat ze Aielvrouwen gevangenhouden met die leibanden van ze? Het duurt al jaren, en nog steeds weigeren ze alle aanbiedingen om te betalen of onderhandelen! Ze beantwoorden onze beschaving met onbeschoft gedrag en beledigingen.’

‘Wij smeken niet,’ zei de oude Bruan. ‘De Aiel worden straks nog met melk doorvoede natlanders.’

Allen knikten bij zijn woorden. De wijze Bruan had de Laatste Slag overleefd.

‘Als de Seanchaanse keizerin maar...’ Ronam schudde zijn hoofd, en ze wist wat hij dacht. De oude keizerin, degene die regeerde in de tijd van de Laatste Slag, was door Ronams vader beschouwd als een vrouw van eer. Er was bijna een overeenkomst met haar bereikt, zeiden ze. Maar er waren vele jaren verstreken sinds haar bewind. ‘Maar toch,’ vervolgde Ronam, ‘de speren botsen; onze mensen vechten wanneer ze elkaar tegenkomen. Het ligt in onze aard. Als de Seanchanen niet naar rede willen luisteren, waarom zouden wij hen dan met rust laten?’

‘Die Vrede van de Draak zal toch niet lang aanhouden,’ zei Alalved. ‘Schermutselingen tussen naties komen vaak voor, hoewel niemand erover spreekt. De Car’a’carn heeft beloften geëist van de monarchen, maar op de naleving daarvan wordt niet gelet. Vele natlanders kun je niet op hun woord vertrouwen, en ik ben bang dat de Seanchanen hen zullen verslinden terwijl ze ruzie maken.’ Er werd veel geknikt. Alleen Darvin en Tavalad leken niet overtuigd. Padra hield haar adem in. Ze hadden geweten dat dit eraan zat te komen. De schermutselingen met de Seanchanen, de rusteloosheid van de stammen. Ze had van deze dag gedroomd, maar hem ook gevreesd. Haar moeder had veel ji verworven in de strijd. Padra had nog niet veel mogelijkheden gehad om zich te bewijzen. Een oorlog tegen de Seanchanen... het vooruitzicht gaf haar kracht. Maar het zou ook veel slachtoffers betekenen. ‘Wat zeggen de kinderen van de Draak ervan?’ vroeg Ronam, kijkend naar hen vieren.

Het leek nog steeds zo vreemd dat die ouderlingen naar haar keken. Ze tastte even naar saidar, behaaglijk achter in haar geest, en putte er kracht uit. Wat zou ze toch zonder saidar doen? ik vind dat we onze mensen, die door de Seanchanen gevangen worden gehouden, moeten terughalen,’ zei Marinna. Ze was in opleiding om Wijze te worden.

Alarch leek onzeker en keek naar zijn broer. Hij voegde zich vaak naar Janduin.

‘De Aiel hebben een doel nodig,’ zei Janduin knikkend. ‘Zo hebben we geen nut, en we hebben niet beloofd dat we niet zouden aanvallen. Het is een bewijs van ons geduld en eerbied voor mijn vader dat we al zo lang hebben gewacht.’

Alle ogen richtten zich op Padra. ‘Het zijn onze vijanden,’ zei ze. Een voor een knikten de mannen in de tent. Het leek zo’n eenvoudige gelegenheid, maar dit betekende het einde van jaren van wachten.

‘Ga naar jullie stammen.’ Ronam stond op. ‘Bereid hen voor.’ Padra bleef zitten terwijl de anderen afscheid namen, sommigen neerslachtig, anderen opgewonden. Zeventien jaar zonder strijd, dat was te lang voor de Aiel.

Weldra was de tent verlaten, op Padra na. Ze wachtte, starend naar het kleed waar ze op zat. Oorlog. Ze was opgewonden, maar een ander deel van haar was bekommerd. Ze had het gevoel dat ze de stammen op een pad had gezet dat hen voor altijd zou veranderen. ‘Padra?’ vroeg een stem.

Ze draaide zich om en zag Ronam in de ingang van de tent staan.

Ze bloosde en stond op. Hoewel hij tien jaar ouder was dan zij, was hij heel knap. Ze zou de speer natuurlijk niet snel opgeven, maar als ze dat ooit deed...

‘Je lijkt ongerust,’ zei hij.

‘Ik dacht alleen na.’

‘Over de Seanchanen?’

‘Over mijn vader,’ antwoordde ze.

‘Ach.’ Ronam knikte, ik kan me nog herinneren toen hij voor het eerst naar de Koudrotsveste kwam. Ik was nog heel jong.’

‘Wat was je indruk van hem?’

‘Hij was een indrukwekkend man,’ zei Ronam.

‘Verder niets?’

Hij schudde zijn hoofd. ‘Het spijt me, Padra, maar ik heb niet veel met hem gesproken. Mijn pad leidde me elders naartoe. Ik... heb echter wel dingen gehoord, van mijn vader.’

Ze hield haar hoofd schuin.

Ronam draaide zich om en keek tussen de geopende tentflappen door naar het groene gras buiten. ‘Mijn vader noemde Rhand Altor een verstandig man en een groot leider, maar iemand die niet wist wat hij aan moest met de Aiel. Ik weet nog dat hij zei dat als de Car’a’carn bij ons was, hij niet vóélde als een van ons. Alsof we hem onbehaaglijk maakten.’ Ronam schudde zijn hoofd. ‘Op ieder ander was hij voorbereid, maar de Aiel werden op drift gelaten.’

‘Sommigen zeggen dat we hadden moeten terugkeren naar het Drievoudige Land,’ zei ze.

‘Nee,’ antwoordde Ronam. ‘Nee, dat zou ons einde hebben betekend. Onze vaders wisten niets van stoompaarden of Drakenbuizen. Als de Aiel waren teruggekeerd naar de Woestenij, dan waren we irrelevant geworden. De wereld zou ons zijn vergeten, en wij als volk zouden zijn verdwenen.’

‘Maar oorlog?’ vroeg Padra. ‘Is dat wel goed?’

‘Ik weet het niet,’ zei Ronam zacht. ‘We zijn Aiel. Dat is wat we kennen.’

Padra knikte en voelde zich wat zekerder.

De Aiel zouden weer ten strijde trekken. En daar zou veel eer in te vinden zijn.

Aviendha knipperde met haar ogen. Het was donker. Ze was doodmoe. Haar geest was leeg, haar hart geopend; alsof de kracht eruit bloedde met elke hartslag. Ze ging te midden van de donker wordende pilaren zitten. Haar... kinderen. Ze herinnerde zich hun gezichten van haar eerste bezoek aan Rhuidean. Dit had ze niet gezien. Niet dat ze zich herinnerde, in ieder geval, is het voorbestemd?’ vroeg ze. ‘Kunnen we het nog veranderen?’ Er kwam natuurlijk geen antwoord.