Выбрать главу

Haar tranen waren op. Hoe reageerde je op het zien van de volkomen vernietiging – nee, het volkomen verval – van je volk? Elke stap had logisch geleken voor de mensen die hem ondernamen. Maar elke stap had de Aiel dichter naar hun einde gevoerd. Zou iemand zulke verschrikkelijke visioenen wel moeten aanschouwen? Ze wenste dat ze nooit was teruggegaan in dat woud van pilaren. Was alles wat er stond te gebeuren haar schuld? Het was haar nageslacht dat hun volk zou verdoemen.

Dit was anders dan de gebeurtenissen die ze had gezien toen ze door de ringen liep tijdens haar eerste bezoek aan Rhuidean. Dat waren mogelijkheden geweest. De visioenen van vandaag leken veel echter.

Ze was er bijna zeker van dat wat zij had ervaren, niet eenvoudigweg één van vele mogelijkheden was geweest. Wat zij had gezien, zou gebeuren. Stap voor stap zou de eer haar volk verlaten. Stap voor stap zouden de Aiel van een trots volk veranderen in een deerniswekkend volk.

Er moest nog meer zijn. Kwaad stond ze op en zette nog een stap. Er gebeurde niets. Ze liep helemaal naar de rand van de pilaren en draaide zich toen woedend om.

‘Laat me nog meer zien,’ eiste ze. ‘Laat me zien hoe ik dit veroorzaak! Het is mijn geslacht dat ons de ondergang brengt! Wat is mijn aandeel daarin?’

Ze liep weer naar de pilaren toe.

Niets. Ze leken doods. Ze raakte er een aan, maar er zat geen leven in. Geen gezoem, geen gevoel van kracht. Ze sloot haar ogen en perste nog één traan uit elke ooghoek. De tranen liepen over haar wangen en lieten er een koud streepje vocht op achter. ‘Kan ik het veranderen?’ vroeg ze.

En als het niet kan, dacht ze, zal ik het dan toch proberen? Het antwoord was eenvoudig. Ja. Ze kon niet leven met de gedachte dat ze niets zou doen om dat lot af te wenden. Ze was naar Rhuidean gekomen op zoek naar kennis. Nou, die had ze gekregen. In meer overvloed dan ze had gewild.

Ze opende haar ogen en klemde haar kiezen opeen. Aiel namen verantwoordelijkheid. Aiel streden. Aiel stonden voor eer. Als zij de enige was die de verschrikkingen van hun toekomst kende, dan was het haar plicht – als Wijze – om te handelen. Ze zóu haar volk redden. Ze liep bij de pilaren weg en begon te rennen. Ze moest terugkeren, overleggen met de andere Wijzen. Maar eerst had ze stilte nodig, rennend door het Drievoudige Land. Tijd om na te denken.

50

Vijanden kiezen

Elayne zat met haar handen op schoot ongerust te luisteren naar het gebulder in de verte. Ze had met opzet de troonzaal gekozen in plaats van een minder vormelijke audiëntieruimte. Vandaag moest ze zich laten zien als koningin. De troonzaal met zijn grootse pilaren en overdadige versieringen was indrukwekkend. Gouden staande lampen brandden in een lange, dubbele rij aan weerskanten van de zaal, alleen onderbroken door de pilaren. Wachters in het wit en rood stonden ervoor, met glanzend gepoetste borstplaten. Voor de marmeren pilaren lag het dikke, scharlakenrode kleed met de gouden Leeuw van Andor in het midden geweven. Het leidde naar Elayne, die de Rozenkroon droeg. Haar gewaad was van een oude snit in plaats van de snit die nu aan het hof veel gedragen werd; de mouwen waren wijd en hingen in met gouddraad geborduurde punten over haar handen.

Dat patroon werd herhaald in het lijfje, dat kuis hoog was, maar toch zo laag dat iedereen eraan werd herinnerd dat Elayne een vrouw was. Een ongetrouwde vrouw. Haar moeder was vroeg in haar bewind getrouwd met een man uit Cairhien. Anderen zouden zich wel afvragen of Elayne hetzelfde zou doen om haar houvast hier te verstevigen.

Er klonk nog een knal in de verte. Het geluid van de Draken die werden afgevuurd, begon vertrouwd te worden. Net geen donderslagen; het geluid was lager, regelmatiger.

Elayne had geleerd haar zenuwen te verbergen. Eerst van leermeesters, en toen van de Aes Sedai. Wat sommige mensen ook dachten, Elayne Trakand kón haar temperament bedwingen als het nodig was. Ze hield haar handen op schoot en dwong haar tong om stil te blijven. Zenuwen konden veel erger zijn dan woede tonen. Dyelin zat op een stoel vlak bij de troon. De statige vrouw droeg haar gouden haar los om haar schouders en werkte rustig aan een borduurwerk. Dyelin zei dat het haar ontspande, haar handen iets te doen gaf terwijl ze nadacht. Elaynes moeder was er niet. Vandaag zou ze misschien te veel afleiding vormen.

Elayne kon zichzelf niet dezelfde weelde veroorloven als Dyelin. Ze moest laten zien dat ze leiding gaf. Helaas bestond ‘leiding geven’ vaak uit op haar troon zitten, met haar blik naar voren, om vastberadenheid en beheersing uit te stralen terwijl ze wachtte. De demonstratie zou toch inmiddels wel afgelopen zijn? Nog een knal. Nee, misschien toch niet.

Ze hoorde zachte stemmen in de zitkamer aan de zijkant van de troonzaal. De Hoogzetels die nog in Caemlin waren, hadden een uitnodiging ontvangen om met de koningin te spreken over reinheids-vereisten voor de groepen die buiten de stad verbleven. Die bijeenkomst zou om vijf uur plaatsvinden, maar in de uitnodiging was erop gezinspeeld dat de Hoogzetels twee uur van tevoren aanwezig moesten zijn.

De verwoording van de boodschap was ongetwijfeld duidelijk geweest. Elayne ging vandaag iets belangrijks doen en had de Hoogzetels wat vroeger uitgenodigd zodat ze met toestemming een beetje konden afluisteren. Ze werden goed voorzien van drankjes en kleine bordjes vlees en fruit in de zitkamer. Waarschijnlijk was het geklets dat ze hoorde speculatie over wat ze zou gaan onthullen. Als ze eens wisten. Elayne hield haar handen op schoot. Dyelin ging verder met borduren en klakte met haar tong toen ze een foute borduursteek weer uittrok.

Na een bijna onhoudbare tijd van wachten hield het geluid van de Draken op en voelde Elayne dat Birgitte terugkeerde naar het paleis. Haar met een groep meesturen was de beste manier om te weten wanneer ze terugkwamen. Vandaag moest ze alles op het juiste ogenblik doen, heel zorgvuldig. Elayne ademde in en uit om haar zenuwen te bedaren. Zo. Birgitte was nu beslist in het paleis. Elayne knikte naar kapitein Guybon. Het werd tijd om de gevangenen binnen te brengen.

Even later kwam een groep wachters binnen, met drie personen bij zich. De snuffende Arymilla was nog altijd mollig, ondanks haar gevangenschap. De oudere vrouw was knap, of had dat kunnen zijn als ze geen lompen droeg. Haar bruine ogen waren groot van angst. Alsof ze dacht dat Elayne haar alsnog zou terechtstellen. Elenia was veel beheerster. Zij, net als de anderen, was ontdaan van haar mooie gewaad en droeg nu een rafelige mantel, maar ze had haar gezicht gewassen en haar goudblonde haar in een nette knot gedraaid. Elayne liet haar gevangenen niet uithongeren of mishandelen. Het waren dan misschien haar vijanden, maar het waren geen verraders van Andor.

Elenia keek Elayne aan. Dat sluwe gezicht van haar stond peinzend, berekenend. Wist ze waar het leger van haar man naartoe was gegaan? Die troepenmacht voelde als een verborgen mes dat tegen Elaynes rug drukte. Geen van haar verkenners had kunnen achterhalen waar het was. Licht! Problemen boven op problemen. De derde vrouw was Naean Arwan, een slanke, bleke vrouw met zwart haar dat tijdens haar gevangenschap veel van zijn glans was verloren. Ze had al gebroken geleken voordat Elayne haar gevangen had genomen, en ze hield zich afzijdig van de twee andere vrouwen. De drie werden naar de voet van de verhoging met de troon gepord en op hun knieën gedwongen. In de gang keerden de Cairhiense edelen luidruchtig terug van de demonstratie van de Draken. Ze zouden aannemen dat ze toevallig getuige waren van Elaynes voorstelling.

‘De Kroon erkent Naean Arwan, Elenia Sarand en Arymilla Marne,’ zei Elayne op luide toon. Daarop vielen de gesprekken buiten de troonzaal stil; zowel die van de Andoraanse edelen in de zitkamer als die van de Cairhienin op de gang.

Van de drie durfde alleen Elenia op te kijken. Elayne ontmoette haar blik met ogen zo hard als steen, en de vrouw bloosde voordat ze weer naar de vloer keek. Dyelin had haar borduurwerk opzijgelegd en keek aandachtig toe.