Narishma, die achter hen reed, siste zachtjes. Min keek naar hem. Het gezicht van de Asha’man was verhard. Kennelijk waren ze binnen de invloedssfeer van de Wachter gekomen. Rhand liet niet merken dat hij iets had gevoeld. Hij scheen niet meer misselijk te worden als hij geleidde, en dat was een opluchting voor haar. Of verborg hij het gewoon?
Ze richtte haar gedachten op de onderhanden taak. De Grenslanders hadden nooit uitgelegd waarom ze de gebruiken en logica aan hun laars hadden gelapt door naar het zuiden te trekken op zoek naar Rhand. Ze waren ontzettend hard nodig. Rhands inmenging in Maradon had gered wat er over was van de stad, maar als dat soort dingen overal langs de grens met de Verwording gebeurde... Twintig soldaten – met lansen voorzien van smalle, bloedrode banieren die er als slingers aan wapperden – vingen Rhands groep op lang voordat ze bij het leger aankwamen. Rhand kwam tot stilstand en liet hen naderen.
‘Rhand Altor,’ zei een van de mannen. ‘We zijn afgevaardigden van het Verbond van de Grens. Wij zullen u begeleiden.’ Rhand knikte en de stoet zette zich weer in beweging, deze keer met wachters.
‘Ze noemden je geen heer Draak,’ fluisterde Min tegen Rhand. Hij knikte peinzend. Misschien geloofden de Grenslanders niet dat hij de Herrezen Draak was.
‘Wees hier niet hooghartig, Rhand Altor,’ zei Cadsuane, die naast hem kwam draven. ‘Maar bind niét in. De meeste Grenslanders reageren op kracht.’
Zo. Cadsuane noemde Rhand bij zijn naam in plaats van ‘jongen’. Dat leek een overwinning, en Min glimlachte, ik zal zorgen dat ik die Poort klaar heb,’ vervolgde Cadsuane op gedempte toon. ‘Maar hij zal heel klein zijn. De Put biedt slechts voldoende om er een te maken waar we doorheen moeten kruipen. Ik denk niet dat we hem nodig hebben. Die mensen zullen voor je vechten. Ze zullen voor je willen vechten. Alleen met ontzettende domheid zou je hen daarvan af kunnen brengen.’
‘Er zit meer achter, Cadsuane Sedai,’ antwoordde Rhand zacht, iets heeft hen naar het zuiden gedreven. Dit is een uitdaging, en ik weet niet goed wat ik ermee aan moet. Maar ik stel je raad op prijs.’ Cadsuane knikte. Uiteindelijk zag Min een rij mensen staan wachten voor aan het leger. Achter hen stonden duizenden soldaten in rijen opgesteld. Saldeanen met hun kromme benen. Shienaranen met knotten. Arafellers, elke soldaat met twee zwaarden op zijn rug. Kandori met gevorkte baarden.
De groep aan het hoofd stond op de grond, zonder rijdieren. Ze droegen fraaie kleding. Twee vrouwen en twee mannen, allemaal met overduidelijk Aes Sedai aan hun zijde, sommigen met nog enkele volgelingen achter hen.
‘Die vooraan is koningin Ethenielle,’ fluisterde Cadsuane. ‘Ze is een strenge vrouw, maar wel eerlijk. Ze staat erom bekend dat ze zich bemoeit met de zaken van de zuidelijke naties, en ik vermoed dat de anderen haar vandaag de leiding laten nemen. De knappe man die naast haar staat is Paitar Nachiman, koning van Arafel.’
‘Knap?’ vroeg Min, kijkend naar de kalende Arafeller op leeftijd. ‘Hij?’
‘Het hangt er maar vanaf hoe je het bekijkt, kind,’ zei Cadsuane meteen. ‘Hij stond ooit wijd en zijd bekend om zijn gezicht, en nog steeds vanwege zijn zwaard. Naast hem staat koning Easar Togitha van Shienar.’
‘Zo droevig,’ zei Rhand zacht. ‘Wie heeft hij verloren?’ Min fronste haar voorhoofd. Easar zag er in haar ogen niet bijzonder droevig uit, eerder ernstig.
‘Hij is een Grenslander,’ antwoordde Cadsuane. ‘Hij vecht al heel zijn leven tegen Trolloks; ik vermoed dat hij meerdere geliefden heeft verloren. Zijn vrouw is enkele jaren geleden gestorven. Ze zeggen dat hij de ziel van een dichter heeft, maar hij is een norse man. Als je zijn eerbied zou kunnen verdienen, dan zou dat veel betekenen.’
‘De laatste moet dan Tenobia zijn,’ zei Rhand, wrijvend over zijn kin. ik wou nog steeds dat ik Bashere hier had.’ Bashere had gezegd dat zijn gezicht mogelijk Tenobia’s woede zou wekken, en Rhand had in dat opzicht naar rede geluisterd.
‘Tenobia is een bosbrand,’ vertelde Cadsuane. ‘Jong, onbeschaamd en roekeloos. Laat je door haar niet tot een twistgesprek uitlokken.’ Rhand knikte. ‘Min?’
‘Boven Tenobia’s hoofd zweeft een speer,’ zei Min. ‘Met bloed eraan, maar glanzend in het licht. Ethenielle zal binnenkort trouwen; dat zie ik aan de witte duiven. Ze wil vandaag iets gevaarlijks gaan doen, dus pas op. De andere twee hebben verschillende zwaarden, schilden en pijlen om hen heen zweven. Beiden gaan binnenkort strijd leveren.’
‘In de Laatste Slag?’ vroeg Rhand.
‘Dat weet ik niet,’ gaf ze toe. ‘Het zou hier kunnen zijn, vandaag.’ Hun geleide voerde hen tot aan de vier monarchen. Rhand liet zich uit het zadel glijden en klopte Tai’daishar op zijn hals toen het paard snoof. Min wilde ook afstijgen, net als Narishma, maar Rhand stak zijn hand op om hen tegen te houden.
‘Verrekte dwaas,’ mompelde Cadsuane naast Min, zo zacht dat niemand anders het kon horen. ‘Hij vraagt me om klaar te staan om hem weg te halen, en laat ons dan staan?’
‘Hij bedoelde waarschijnlijk dat je mij weg moest halen,’ zei Min zacht. ‘Hem kennende, maakt hij zich meer zorgen om mij dan om zichzelf.’ Ze zweeg even. ‘Verrekte dwaas.’
Cadsuane wierp haar een blik toe en glimlachte lichtjes voordat ze weer naar Rhand keek.
Hij stapte naar de vier monarchen toe, kwam tot stilstand en hief zijn armen opzij, alsof hij vroeg: ‘Wat willen jullie van me?’ Ethenielle nam de leiding, zoals Cadsuane al had verwacht. Ze was een mollige vrouw, met donker haar dat uit haar gezicht werd gehouden door een lint. Ze beende naar Rhand toe, vergezeld door een man die op zijn arm een zwaard in een schede droeg, met het gevest naar haar toe.
Vlakbij kwamen de Speervrouwen in beweging. Ze gingen naast Rhand staan. Zoals gebruikelijk gingen ze ervan uit dat bevelen om afstand te houden niet op hen sloegen. Ethenielle hief haar hand en sloeg Rhand in zijn gezicht. Narishma vloekte. De Speervrouwen trokken hun sluiers omhoog en grepen speren. Min dreef haar paard een stukje naar voren, door de rij wachters heen.
‘Stop!’ zei Rhand, die zijn hand hief. Hij draaide zich om en keek naar de Speervrouwen.
Min hield haar merrie in en klopte haar op de hals. Het dier was schichtig, zoals te verwachten viel. De Speervrouwen gingen met tegenzin achteruit, hoewel Cadsuane van de gelegenheid gebruikmaakte om haar paard naast dat van Min te sturen. Rhand draaide zich weer naar Ethenielle om en wreef over zijn wang. ‘Ik hoop dat dat een of andere Kandoraanse begroeting was, Majesteit.’
Ze trok haar wenkbrauw op, gebaarde opzij, en koning Easar van Shienar stapte naar Rhand toe. De man sloeg Rhand met de rug van zijn hand in het gezicht, zo hard dat Rhand ervan wankelde. Rhand rechtte zijn rug en gebaarde de Speervrouwen weer naar achteren. Hij keek Easar in de ogen. Er liep een druppeltje bloed over Rhands kin. De Shienaraan keek hem even onderzoekend aan, knikte en stapte achteruit.
Tenobia was de volgende. Ze sloeg Rhand met haar linkerhand, een harde, galmende klets. Min voelde een steek van pijn van Rhand. Tenobia schudde met haar hand.
Koning Paitar kwam als laatste. De oudere Arafeller met nog maar een randje haar liep peinzend met zijn handen op zijn rug naar Rhand toe. Hij stapte naar voren, stak zijn hand uit en raakte het bloed op Rhands wang aan. Toen sloeg hij Rhand met de rug van zijn hand, waardoor hij op zijn knieën belandde en er een sliert bloed uit zijn mond vloog.
Min kon niet langer blijven stilzitten. ‘Rhand!’ riep ze, ze sprong uit het zadel en rende op hem af. Ze ondersteunde hem en keek woest naar de monarchen. ‘Hoe durven jullie! Hij is in vrede gekomen.’
‘In vrede?’ vroeg Paitar. ‘Nee, jongedame, hij is niet in vrede naar deze wereld gekomen. Hij heeft het land verteerd met doodsangst, chaos en vernietiging.’
‘Zoals voorzegd in de voorspellingen,’ zei Cadsuane, die kwam aanlopen terwijl Min Rhand overeind hielp. ‘U legt de lasten van een hele Eeuw aan zijn voeten. U kunt een man niet aannemen om uw huis te verbouwen en hem vervolgens kwalijk nemen als hij een muur moet afbreken.’