Выбрать главу

‘Dat veronderstelt dat hij de Herrezen Draak is,’ zei Tenobia, die haar armen over elkaar sloeg. ‘We...’

Ze brak haar zin af toen Rhand opstond en zorgvuldig Callandor uit de schede trok. De glinsterende kling raspte. Hij stak het zwaard naar voren. ‘Ontkent u dit, koningin Tenobia, Schild van het Noorden en Zwaard van de Verwordinggrens, Hoogzetel van Huis Ka-zadi? Kunt u naar dit wapen kijken en me een valse Draak noemen?’

Dat legde haar het zwijgen op. Aan de zijkant knikte Easar. Achter hem stonden rijen zwijgende soldaten toe te kijken, met geheven lansen, spiesen en schilden. Alsof ze een saluut brachten. Of klaar stonden om aan te vallen. Min keek op en zag in de verte rijen mensen op de muren van Far Madding staan. ‘Laten we doorgaan,’ zei Easar. ‘Ethenielle?’

‘Goed,’ zei de vrouw, ik wil dit zeggen, Rhand Altor. Zelfs als blijkt dat u de Herrezen Draak bent, dan nog hebt u veel te verantwoorden.’

‘U mag uw betaling van mijn huid vergen, Ethenielle,’ antwoordde Rhand zacht, terwijl hij Callandor weer in de schede schoof. ‘Maar pas als de Duistere zijn dag met mij heeft gehad.’

‘Rhand Altor,’ zei Paitar. ik heb een vraag voor u. Hoe u antwoordt, zal de uitkomst van deze dag bepalen.’

‘Wat voor vraag?’ wilde Cadsuane weten.

‘Cadsuane, alsjeblieft,’ zei Rhand, en hij stak zijn hand op. ‘Heer Paitar, ik zie het in uw ogen. U weet dat ik de Herrezen Draak ben. Is deze vraag nodig?’

‘Hij is heel belangrijk, heer Altor,’ antwoordde Paitar. ‘Hij heeft ons hierheen gedreven, hoewel mijn bondgenoten dat niet meteen wisten. Ik heb altijd geloofd dat u de Herrezen Draak bent. Dat maakte mijn tocht hierheen nog belangrijker.’

Min fronste haar voorhoofd. De oudere soldaat reikte naar zijn zwaardgevest, alsof hij het wapen wilde trekken. De Speervrouwen werden waakzamer. Geschrokken besefte Min dat Paitar nog dicht bij Rhand stond. Te dichtbij.

Hij kon in een oogwenk dat zwaard trekken en ermee naar Rhands hals uithalen, besefte ze. Paitar had zich daar opgesteld om te kunnen aanvallen.

Rhand maakte zijn blik niet van die van de monarch los. ‘Stel uw vraag.’

‘Hoe is Tellindal Tirraso gestorven?’

‘Wie?’ vroeg Min, kijkend naar Cadsuane. De Aes Sedai schudde verward haar hoofd.

‘Hoe kent u die naam?’ wilde Rhand weten.

‘Beantwoord de vraag,’ zei Easar met zijn hand op zijn gevest en zijn lichaam gespannen. Om hen heen maakten de rijen mannen zich gereed.

‘Ze was een klerk,’ zei Rhand. ‘In de Eeuw der Legenden. Toen Demandred naar me toe kwam na het oprichten van de Tachtig en Eén... Ze sneuvelde tijdens de gevechten, bliksem uit de hemel... Haar bloed op mijn handen... Hoe kent u die naam!

Ethenielle keek naar Easar, toen naar Tenobia, en uiteindelijk naar Paitar. Hij knikte, sloot zijn ogen en slaakte een zucht die opgelucht klonk. Hij nam zijn hand van zijn zwaard weg. ‘Rhand Altor,’ zei Ethenielle, ‘Herrezen Draak. Wilt u zo vriendelijk zijn te komen zitten om met ons te praten? We zullen uw vragen beantwoorden.’

‘Waarom heb ik nooit van die zogenaamde voorspelling gehoord?’ vroeg Cadsuane.

‘De aard ervan vereiste geheimhouding,’ antwoordde koning Paitar. Ze zaten allemaal op kussens in een grote tent te midden van het Grenslanderleger. Cadsuanes schouderbladen jeukten nu ze zo omsingeld waren, maar die domme jongen – hij zou altijd een domme jongen blijven, hoe oud hij ook was – leek volkomen op zijn gemak. Dertien Aes Sedai stonden buiten de tent, die niet groot genoeg was voor hen allemaal. Dertien. Altor had niet eens een spier vertrokken. Welke mannelijke geleider zou nu tussen dertien Aes Sedai gaan zitten zonder te zweten?

Hij is veranderd, zei Cadsuane tegen zichzelf. Dat zul je gewoon moeten aanvaarden. Niet dat hij haar nu niet meer nodig had. Mannen zoals hij werden overmoedig. Een paar kleine overwinningen en hij zou over zijn eigen voeten struikelen en in een of andere lastige toestand belanden.

Maar... ze was wel trots op hem. Met tegenzin. Een beetje. ‘Die voorspelling is gedaan door een Aes Sedai uit mijn eigen geslacht,’ vervolgde Paitar. De man met het vierkante gezicht dronk thee uit een klein kommetje. ‘Mijn voorvader, Reo Myershi, was de enige die hem hoorde. Hij beval dat de woorden bewaard moesten blijven, van monarch op monarch moesten worden doorgegeven, voor deze dag.’

‘Ik wil ze horen,’ zei Rhand. ‘Alstublieft.’

‘Ik zie hem voor je staan!’ citeerde Paitar. ‘Hij, de enige die vele levens leeft, degene die sterfte zaait, degene die bergen doet verrijzen. Hij zal breken wat hij moet breken, maar eerst staat hij hier, voor onze koning. Laat hem bloeden! Beoordeel zijn beheersing. Hij spreekt! Hoe is de gevallene gedood? Tellindal Tirraso, vermoord door zijn hand, de duisternis die kwam op de dag na het licht. Je móét het vragen, en je móét je lot kennen. Als hij niet kan antwoorden...’ Zijn stem stierf weg. ‘Wat?’ vroeg Min.

‘Als hij niet kan antwoorden,’ zei Paitar, ‘dan ben je verloren. Je moet snel zijn einde brengen, zodat de laatste dagen hun storm kunnen uitrazen. Zodat het Licht niet zal worden verteerd door hem die het had moeten behouden. Ik zie hem. En ik ween.’

‘Dus jullie waren hier om hem te vermoorden,’ zei Cadsuane. ‘Om hem te bepróéven,’ weersprak Tenobia. ‘Of dat besloten we althans toen Paitar ons over die voorspelling vertelde.’

‘Jullie weten niet hoe nipt jullie aan de verdoemenis zijn ontsnapt,’ zei Rhand zacht. ‘Als ik hier slechts even eerder naartoe was gekomen, dan had ik die klappen beantwoord met lotsvuur.’

‘Binnen de Wachter?’ Tenobia snoof minachtend. ‘De Wachter blokkeert de Ene Kracht,’ fluisterde Rhand. ‘Alléén de Ene Kracht.’

Wat bedoelt hij daarmee, dacht Cadsuane fronsend. ‘We kenden het gevaar,’ zei Ethenielle trots, ik eiste het recht om u als eerste te slaan. Onze legers hadden het bevel om aan te vallen als wij sneuvelden.’

‘Mijn familie heeft de woorden van de voorspellingen honderden keren uitgeplozen,’ zei Paitar. ‘De betekenis leek duidelijk. Het was onze taak om de Herrezen Draak te beproeven. Om te kijken of we hem konden vertrouwen met de Laatste Slag.’

‘Nog maar een maand geleden,’ liet Rhand hun weten, ‘zou ik geen toegang tot mijn herinneringen hebben gehad om jullie vraag te beantwoorden. Dit was een domme gok. Als jullie me gedood hadden, zou alles verloren zijn geweest.’

‘Een gok,’ zei Paitar vlak. ‘Misschien zou er dan iemand anders in uw plaats zijn opgestaan.’

‘Nee,’ zei Rhand. ‘Deze voorspelling was net als de rest. Een verklaring van wat er zou kunnen gebeuren, geen raadgeving.’

‘Ik zie het anders, Rhand Altor,’ zei Paitar. ‘En de anderen zijn het met me eens.’

‘Ik moet opmerken,’ mengde Ethenielle zich erin, ‘dat ik niet naar het zuiden ben gekomen vanwege die voorspelling. Mijn doel was om te kijken of ik wat rede kon brengen in de wereld. En toen...’ Ze grimaste.

‘Wat?’ vroeg Cadsuane, die eindelijk een slokje thee nam. Hij smaakte goed, zoals meestal tegenwoordig als Altor in de buurt was. ‘De stormen,’ antwoordde Tenobia. ‘De sneeuw hield ons tegen. En toen bleek het lastiger dan we hadden aangenomen om u te vinden. Die Poorten. Kunt u die aan onze Aes Sedai leren?’

‘Ik zal uw Aes Sedai laten onderwijzen in ruil voor een belofte,’ zei Rhand. ‘U moet trouw aan me zweren. Ik heb u nodig.’

‘We zijn vorsten,’ snauwde Tenobia. ik zal niet zo snel voor u buigen als mijn oom deed. Daar moeten we het trouwens nog over hebben.’

‘Onze trouw geldt de landen die we beschermen,’ zei Easar. ‘Zoals u wenst,’ zei Rhand, en hij stond op. ik heb u ooit een ultimatum gegeven. Ik heb dat slecht verwoord, en dat betreur ik, maar ik blijf jullie enige weg naar de Laatste Slag. Zonder mij zitten jullie hier, honderden roeden van de landen die jullie hebben gezworen te beschermen.’ Hij knikte naar elk van hen en hielp Min opstaan. ‘Morgen ontmoet ik de monarchen van de wereld. Daarna ga ik naar Shayol Ghul om de overgebleven zegels op de kerker van de Duistere te verbreken. Goedendag.’