Выбрать главу

Cairhien was een vierkant ogende stad, een en al rechte lijnen en versterkte torens. Hoewel sommige gebouwen mooi waren, viel het niet te vergelijken met Caemlin of Tar Valon. Ze reden naar binnen door de noordelijke poort, met de rivier de Alguenya rechts van hen. Binnen stonden menigten. Lorstrum en de anderen hadden hun werk goed gedaan. Er werd gejuicht, waarschijnlijk aangemoedigd door zorgvuldig geplaatste hovelingen. Toen Elayne de stad binnenkwam, werd het gejuich luider. Dat verbaasde haar. Ze had vijandschap verwacht. En ja, dat was er ook wel; af en toe werd er van achter uit de menigte afval gegooid. Ze ving hier en daar wat gejoel op. Maar de meeste mensen keken blij.

Terwijl ze door die brede straat reed, omzoomd met de rechthoekige gebouwen waar men in Cairhien de voorkeur aan gaf, besefte ze dat die mensen misschien wel op een gebeurtenis zoals deze hadden gewacht. Erover hadden gepraat, geruchten hadden verspreid. Enkele van die verhalen waren vijandig geweest, en die waren door Norrij gemeld. Maar nu leken ze haar eerder een teken van ongerustheid dan vijandschap. Cairhien had te lang zonder monarch gezeten, hun koning was door onbekenden gedood en het scheen dat de Draak hen had verlaten.

Haar vertrouwen nam toe. Cairhien was een gewonde stad. De verbrande en ingestorte resten van de Voorpoort buiten. Keien die uit de grond waren getrokken om van de muren gegooid te worden. De stad had zich nooit volledig hersteld van de Aiel-oorlog en de onvoltooide stompe torens – symmetrisch ontworpen maar deerniswekkend wanhopig van aanzien – waren een indrukwekkende verklaring van dat feit.

Dat verdomde Spel der Huizen was al bijna net zo’n grote plaag. Kon ze dat veranderen? De mensen om haar heen klonken hoopvol, alsof ze wisten wat een verwrongen puinhoop hun natie was geworden. Je kon een Aiel nog eerder zijn speren afpakken dan de sluwheid uit de Cairhienin weghalen, maar misschien kon ze hun een diepere trouw aan land en troon bijbrengen. Zolang ze maar een troon hadden die hun trouw waard was.

Het Zonnepaleis stond helemaal midden in de stad. Net als de rest van de gebouwen in de stad was het vierkant en hoekig, maar dit bouwwerk straalde een indrukwekkende kracht uit. Het was een groots gebouw, ondanks de kapotte zijvleugel waar een aanslag op Rhands leven was gepleegd.

Hier stonden nog meer edelen te wachten, onder afdaken of bij druk versierde koetsen. Vrouwen in vormelijke gewaden met wijde hoepels, de mannen in nette jassen in donkere kleuren en met petten op hun hoofd. Velen keken twijfelend, en sommigen stomverbaasd. Elayne glimlachte tevreden naar Birgitte. ‘Het lukt. Niemand had verwacht dat ik naar het paleis zou rijden onder begeleiding van een Cairhiens leger.’

Birgitte zei niets. Ze was nog steeds gespannen en zou dat waarschijnlijk blijven totdat Elayne terugkeerde naar Caemlin. Aan de voet van de trap stonden twee vrouwen, een van hen knap en met klokjes in haar haren, de ander met donker krullend haar en een gezicht dat niet dat van een Aes Sedai leek, ondanks het feit dat ze er al jaren een was. Dat was Sashalle Anderly, en de andere vrouw – wel met een leeftijdloos gezicht – was Samitsu Tamagowa. Voor zover Elaynes bronnen hadden weten te achterhalen, waren deze twee datgene wat de stad had aan ‘regenten’ in afwezigheid van Rhand. Ze had met beiden geschreven en gemerkt dat vooral Sashalle opmerkelijk veel inzicht had in de Cairhiense denkwijze. Ze had Elayne de stad aangeboden, maar had daarbij laten doorschemeren dat aanbïéden en aannémen twee verschillende dingen waren. Sashalle stapte naar voren. ‘Majesteit,’ zei ze vormelijk, ‘laat bekend zijn dat de Draak u alle rechten en aanspraken op dit land geeft. Het officiële bestuur dat hij over het land had, is aan u overgedaan, en de functie van rentmeester over de natie is opgeheven. Moge u in wijsheid en vrede regeren.’

Elayne knikte vorstelijk naar haar vanaf haar paard, maar vanbinnen ziedde ze. Ze had gezegd dat ze geen bezwaar had tegen hulp van Rhand bij het bestijgen van de troon, maar het hoefde haar niet ingepeperd te worden. Toch scheen Sashalle haar positie ernstig op te vatten, hoewel Elayne had ontdekt dat die positie in hoge mate door haarzelf was geschapen.

Elayne en haar geleide stegen af. Had Rhand gedacht dat het zo eenvoudig zou zijn om haar de troon te geven? Hij had lang genoeg in Cairhien verbleven om te weten hoe de mensen er konkelden. Eén Aes Sedai die een verklaring deed, zou nooit genoeg zijn geweest. Maar nu ze machtige edelen had die haar rechtstreeks steunden, zou dat voldoende moeten zijn.

Hun stoet ging de trap op. Ze gingen naar binnen, en elk van haar aanhangers nam een kleine erewacht van vijftig man mee. Elayne bracht haar hele leger mee; het was druk, maar ze was niet van zins iemand achter te laten.

De gangen binnen waren recht, met puntige zolderingen voorzien van gouden biezen. Het teken van de Rijzende Zon sierde elke deur. Er waren nissen om rijkdommen in uit te stallen, maar vele daarvan waren leeg. De Aiel hadden hun vijfde opgeëist in het paleis. Toen ze de ingang naar de Grote Zaal van de Zon bereikten, stelden Elaynes Andoraanse gardisten en gardevrouwen zich langs de gang op. Elayne haalde diep adem en liep de troonzaal in met een groep van tien. Blauw dooraderde marmeren pilaren rezen aan alle kanten van de zaal naar de zoldering op, en de Zonnetroon stond op de blauwmarmeren verhoging achter in de grote zaal. De zetel was van verguld hout, maar hij oogde verrassend bescheiden. Misschien had Laman daarom besloten een nieuwe troon te laten maken, met Avendoraldera zelf als bestanddeel. Elayne liep naar de verhoging. Ze draaide zich om toen de Cairhiense adel binnenkwam, haar aanhangers voorop en daarna de rest, op volgorde van de ingewikkelde voorschriften van Daes Dae’mar. Die rangen konden per dag verschillen, en soms zelfs per uur. Birgitte keek naar iedereen die binnenkwam, maar de Cairhienin waren toonbeelden van betamelijkheid. Niemand zou de driestheid aan de dag leggen die Ellorien in Andor had betoond. Ze was een goed vaderlander, al bleef ze het dan frustrerend oneens met Elayne. In Cairhien deed je dergelijke dingen niet.

Zodra de menigte zweeg en stilstond, haalde Elayne diep adem. Ze had overwogen een redevoering te houden, maar haar moeder had haar geleerd dat besluitvaardig handelen soms de beste redevoering was. Elayne wilde op de troon gaan zitten. Birgitte greep haar bij de arm.

Elayne keek haar vragend aan, maar de Zwaardhand keek naar de troon. ‘Wacht even,’ zei ze bukkend.

De edelen begonnen tegen elkaar te mompelen en Lorstrum stapte naar Elayne toe.

‘Majesteit?’

‘Birgitte,’ zei Elayne blozend, ‘is dit echt nodig?’

Birgitte negeerde haar en porde in het kussen op de stoel. Licht! Was de Zwaardhand dan vastbesloten haar in alle mogelijke omstandigheden voor gek te zetten? Er zou toch geen... ‘Aha!’ zei Birgitte, die iets uit het dikke kussen trok. Elayne schrok en ging naderbij, met Lorstrum en Bertome aan haar zijde. Birgitte hield een dunne naald met een zwarte punt omhoog. ‘Verborgen in het kussen.’ Elayne verbleekte.

‘Het was de enige plek waarvan ze zeker wisten dat je er zou zijn, Elayne,’ zei Birgitte zachtjes. Ze knielde neer en zocht naar nog meer valstrikken.

Lorstrum had een verhit gezicht gekregen, ik zal uitzoeken wie dit heeft gedaan, Majesteit,’ beloofde hij op gedempte toon. Op gevaarlijke toon. ‘Ze zullen mijn toorn kennen.’

‘Niet als ze de mijne eerst kennen,’ dreigde de forse Bertome, kijkend naar de naald.

‘Overduidelijk een aanslagpoging bedoeld voor de Draak, Majesteit,’ zei Lorstrum op luidere toon, ten gunste van de toeschouwers. ‘Niemand zou durven proberen onze geliefde zuster uit Andor te vermoorden.’