Выбрать главу

‘Dat is fijn om te horen,’ antwoordde Elayne, kijkend naar hem. Haar blik vertelde iedereen in de zaal dat ze die list van hem, bedoeld om zijn gezicht te redden, zou slikken. Als haar sterkste aanhanger viel de schande van een aanslagpoging hem te beurt. Hij zou moeten betalen voor het feit dat ze hem zijn gezicht liet redden. Hij sloeg even begrijpend zijn ogen neer. Licht, ze haatte dit spel. Maar ze zou het spelen. En goed ook. is het veilig?’ vroeg ze aan Birgitte.

De Zwaardhand wreef over haar kin. ‘Maar één manier om daar achter te komen,’ zei ze, en liet zich met onbetamelijk veel kracht in de troon vallen. Een vrij groot aantal edelen in de zaal slaakte kreten, en Lorstrum werd nog bleker.

‘Niet erg behaaglijk,’ zei Birgitte, die opzij leunde en vervolgens haar rug tegen het hout duwde, ik had verwacht dat de troon van een monarch zachter zou zijn, met jouw gevoelige achterwerk en zo.’

‘Birgitte!’ snauwde Elayne, die haar wangen weer voelde kleuren. ‘Je mag niet op de Zonnetroon zitten!’

‘Ik ben je lijfwacht,’ zei Birgitte. ik mag je eten proeven als ik wil, ik mag voor je uit de deur door gaan, en ik mag verdomme ook op je stoel gaan zitten als ik je daarmee denk te beschermen.’ Ze grijnsde. ‘Bovendien,’ voegde ze er op gedemptere toon aan toe, ‘heb ik me altijd afgevraagd hoe het zou voelen.’ De Zwaardhand stond op, nog steeds behoedzaam, maar ook tevreden.

Elayne draaide zich om naar de adel van Cairhien. ‘U hebt hier lang op gewacht,’ zei ze. ‘Sommigen van u zijn ontevreden, maar vergeet niet dat de helft van mijn bloed Cairhiens is. Dit bondgenootschap zal onze beide landen groot maken. Ik eis uw vertrouwen niet, maar ik eis wél uw gehoorzaamheid.’ Ze aarzelde en voegde eraan toe: ‘En denk eraan, dit is wat de Herrezen Draak wenst.’ Ze zag dat ze het begrepen. Rhand had deze stad ooit veroverd, hoewel dat was om hem te bevrijden van de Shaido. Het zou verstandig zijn als ze hem niet in de verleiding brachten terug te komen om hem nog eens te veroveren. Een koningin moest gebruikmaken van de middelen die ze voorhanden had. Ze had Andor op eigen kracht veroverd; ze zou zich door Rhand laten helpen met Cairhien. Ze ging zitten. Zoiets eenvoudigs, maar de gevolgen zouden verstrekkend zijn. ‘Verzamel uw legers en Huiswachters,’ beval ze de verzamelde edelen. ‘U vertrekt, samen met de legers van Andor, door Poorten naar een plek die de Akker van Merrilor heet. We hebben daar een ontmoeting met de Herrezen Draak.’

De edelen leken verbaasd. Ze kwam binnen, besteeg de troon en stuurde op dezelfde dag al hun legers de stad uit? Ze glimlachte. Ze kon beter snel en besluitvaardig handelen; het zou een precedent scheppen in gehoorzaamheid. En het zou hen voorbereiden op de Laatste Slag.

‘En,’ verklaarde ze toen de toehoorders begonnen te fluisteren, ‘ik wil dat u elke man in dit rijk die een zwaard kan vasthouden, inlijft in het leger van de koningin. Er zal niet veel tijd zijn om hen op te leiden, maar elke man zal nodig zijn in de Laatste Slag. Vrouwen die willen strijden, mogen zich ook melden. En stuur bericht naar de klokkengieters in de stad. Ik wil hen allemaal binnen het uur spreken.’

‘Maar,’ zei Bertome, ‘het kroningsfeest, Majesteit...’

‘We vieren wel feest als de Laatste Slag is gewonnen en de kinderen van Cairhien veilig zijn,’ kapte Elayne hem af. Ze moest hen afleiden van hun gekonkel, hun werk geven om hen druk bezig te houden, als het kon. ‘Schiet op! Doe maar alsof de Laatste Slag voor de deur staat en morgen begint!’ Want dat was misschien ook wel zo.

Mart leunde tegen een dode boom en keek uit over zijn kamp. Hij ademde in en uit, glimlachend en genietend van het heerlijke gevoel te weten dat hij niet langer werd achtervolgd. Hij was vergeten hoe fijn dat voelde. Beter dan een mooi dienstertje op elke knie, dat gevoel. Nou, beter dan één dienstertje, in ieder geval. Een legerkamp bij avond was een van de behaaglijkste plekken ter wereld, zelfs als het halve kamp verlaten was en de mannen naar Cairhien waren vertrokken. De zon was onder, en sommige overblijvers waren al naar bed gegaan. Maar voor diegenen die de volgende dag middagdienst hadden, was er nog geen reden om al te gaan slapen.

Een tiental vuurkuilen smeulde in het kamp, met mannen eromheen die verhalen vertelden over belevenissen, over vrouwen die ze hadden achtergelaten of over geruchten uit verre streken. Vlammen flakkerden terwijl mannen lachten, zittend op boomstammen of keien. Iemand porde af en toe met een kromme tak in het vuur en stuurde vonkenregens de lucht in terwijl zijn vrienden ‘Komaan deerne’ of ‘Omgevallen wilgen bij noen’ zongen.

De mannen van de Bond kwamen uit tien verschillende naties, maar dit kamp was hun werkelijke thuis. Mart liep tussen hen door, met zijn hoed op zijn hoofd en zijn ashandarei over zijn schouder. Hij had een nieuwe halsdoek. De mensen wisten van zijn litteken, maar er was geen reden om ermee te pronken zoals Luca met zijn verrekte wagens.

De halsdoek die hij deze keer had gekozen, was rood. Ter nagedachtenis aan Tylin en de anderen die waren gedood door de gholam. Hij was even in de verleiding gekomen om roze te kiezen. Héél even. Mart glimlachte. Hoewel er liederen opklonken bij meerdere kampvuren, waren die geen van alle luid, en er hing een gezonde rust over het kamp. Geen stilte. Stilte was nooit goed. Hij had de pest aan stilte. Het maakte dat hij zich afvroeg wie er zo zijn best deed om hem te besluipen. Nee, dit was rust. Mannen die zachtjes snurkten, knetterende vuren, andere mannen die zongen, onkruid dat knerpte onder de voeten van degenen die wachtliepen. De vredige geluiden van mannen die van het leven genoten.

Mart liep terug naar de tafel bij zijn donkere tent. Hij ging zitten en bekeek de papieren die hij daar had opgestapeld. In de tent was het hem te benauwd geweest. Bovendien had hij Olver niet willen wekken.

Marts tent rimpelde in de wind. Het zag er wel vreemd uit, de mooie eiken tafel in een veldje dollekruid, met Marts stoel ernaast en een kan warme cider op de grond ernaast. De papieren op zijn tafel waren verzwaard met stenen die hij links en rechts had opgeraapt en één flakkerende lamp bood verlichting. Hij zou geen stapels papier moeten hebben. Hij zou bij een van die vuren moeten kunnen gaan zitten om ‘Dans met schemerige Jak’ te zingen. Vaag hoorde hij de woorden van dat lied van een vuur verderop komen. Papieren. Nou, hij had ingestemd met het contract met Elayne, en daarvoor waren papieren nodig. En papieren over het indelen van de bemanning voor de Draken. Documenten over proviand, verslagen over de tucht en allerlei andere onzin. En een paar papieren die hij hare koninklijke hoogheid had weten te ontfutselen: verslagen van verspieders die hij had willen lezen. Verslagen over de Seanchanen.

Veel van het nieuws was voor hem niet nieuw; dankzij Verins Poort was Mart sneller dan de meeste geruchten naar Caemlin Gereisd. Maar Elayne had zelf ook Poorten, en een deel van het nieuws uit Tyr en Illian was nieuw. Er werd gesproken over de nieuwe Seanchaanse Keizerin. Dus Tuon had zichzelf echt gekroond, of wat het dan ook was dat de Seanchanen deden om een nieuwe leider aan te stellen.

Hij moest glimlachen. Licht, ze wisten niet wat hun te wachten stond! Ze dachten waarschijnlijk van wel. Maar Tuon zou hen verrassen, zo zeker als de hemel blauw was. Al was hij de laatste tijd eigenlijk grijs.

Er werd ook gesproken over Zeevolk dat samenwerkte met de Seanchanen. Mart wees dat van de hand. De Seanchanen hadden genoeg schepen van het Zeevolk in handen gekregen om die indruk te wekken, maar het was niet waar. Hij vond ook enkele bladzijden met nieuws over Rhand, het meeste vaag of onbetrouwbaar. Die rottige kleuren. Rhand zat op zijn achterwerk en kletste met wat mensen in een tent. Misschien was hij wel in Arad Doman, maar hij kon toch niet daar zijn én in gevecht in de Grenslanden? Eén gerucht stelde dat Rhand koningin Tylin had vermoord. Welke stommelingen dachten dat nu?

Hij draaide de verslagen over Rhand snel om. Hij had er de pest aan om steeds die verrekte kleuren te moeten verjagen. Gelukkig had Rhand deze keer in ieder geval kleren aan.