Выбрать главу

‘We kunnen niet meer naar je terug,’ zei Mart grimmig. ‘Zodra we teruglopen, komen we weer ergens anders terecht.’ Noal keek hem in zijn ene oog, en zijn verweerde gezicht stond vastberaden. ‘Dat weet ik. Een prijs, Mart. We wisten dat ze een prijs zouden eisen. Nou, ik heb veel gezien, veel gedaan. Ik ben gebruikt, Mart, één keer te veel. Dit is een even goede plek als alle andere om het einde te laten komen.’

Mart knikte eerbiedig naar Noal. ‘Kom mee, Thom.’

‘Maar...’

‘Kom mee!’ blafte Mart, en hij sprong naar een van de andere gangen toe. Thom aarzelde, maar toen vloekte hij en liep mee, met Marts fakkel in de ene hand en zijn ashandarei in de andere. Noal stapte in de gang achter hen en hief zijn korte zwaard. Gestalten bewogen zich in de rook daarachter. ‘Mart,’ riep Noal, kijkend over zijn schouder. Mart wuifde Thom verder, maar bleef zelf staan en keek om. ‘Als je ooit een Malkieri ontmoet,’ zei Noal, ‘vertel hem dan dat Jaim Kimstapper een goede dood is gestorven.’

‘Zal ik doen, Jaim,’ antwoordde Mart. ‘Moge het Licht je omhelzen.’

Noal draaide zich om naar de Aelfinn en Mart liet hem achter. Er klonk nog een knal toen er een nachtbloem afging. Toen hoorde Mart Noals stem door de gang weerkaatsen; hij schreeuwde een strijdkreet. Alleen niet in een taal die Mart ooit had gehoord. Hij en Thom betraden een andere kamer. Thom huilde, maar Mart bedwong zijn tranen. Noal zou eervol sterven. Ooit zou Mart dat soort gedachten dwaasheid hebben gevonden; wat had je aan eer als je dood was? Maar hij had te veel herinneringen van soldaten, had te veel tijd doorgebracht met mannen die vochten en bloedden voor die eer, om dergelijke gedachten nu van de hand te wijzen. Hij sloot zijn ogen en draaide rond, hoewel Moiraines gewicht hem bijna uit zijn evenwicht bracht. Hij koos een richting en bleek te wijzen naar de gang waar ze net uit gekomen waren. Hij rende die gang door, met Thom op zijn hielen.

Toen ze aan het einde van de gang aankwamen, was daar niet de kamer waar ze Noal hadden achtergelaten. Deze kamer was rond en stond vol gele pilaren in de vorm van reusachtige lianen die om elkaar heen gedraaid zaten, met een open schacht in het midden. Gedraaide lampenstandaards ondersteunden witte bollen die een zacht licht in de kamer verspreidden, en de vloer was bedekt met een patroon van witte en gele repen die in een spiraalvorm vanuit het midden uitwaaierden. Het rook er doordringend naar droge slangenhuid. Martrim Cauton, je bent geen held, dacht hij, kijkend over zijn schouder. Die man die je hebt achtergelaten, dat is de held. Het Licht behoede je, Noal.

‘En nu?’ vroeg Thom. Hij scheen weer wat op krachten te zijn gekomen, dus gaf Mart hem Moiraine terug en nam zijn speer weer over. Er waren slechts twee uitgangen in deze kamer, die achter hen en een aan de overkant. Maar Mart draaide toch met zijn oog dicht rond. Het geluk wees hem naar de deur tegenover die waar ze door binnen waren gekomen.

Ze liepen erdoor. De vensters in deze gang keken uit over het oerwoud, waar ze nu midden tussen liepen. Mart zag af en toe de drie spitsen staan. De plek waar ze even geleden nog waren, de plek waar Noal bloedde.

‘Hier heb je je antwoorden gekregen, nietwaar?’ vroeg Thom. Mart knikte.

‘Denk je dat ik er ook een paar zou kunnen krijgen?’ vroeg Thom. ‘Drie vragen. Alle antwoorden die je wilt...’

‘Je wilt ze niet,’ zei Mart, die de rand van zijn hoed omlaag trok. ‘Geloof me, je wilt ze niet. Het zijn geen antwoorden. Het zijn dreigementen. Beloftes. We...’

Thom bleef naast hem staan. In Thoms armen begon Moiraine zich te verroeren. Ze kreunde zachtjes, met haar ogen nog dicht. Maar daarom was Mart niet verstijfd.

Hij zag een volgende ronde, gele kamer verderop. In het midden van die kamer stond een rode stenen deuropening. Of wat ervan over was.

Mart vloekte en rende door. De vloer lag bezaaid met brokken rood puin. Mart kreunde, liet zijn speer vallen en raapte een paar brokstukken op. De deuropening was ergens door verwoest, een ontzagwekkende ontploffing.

Naast de ingang waar ze door binnen waren gekomen, liet Thom zich met Moiraine in zijn armen op de vloer zakken. Hij zag er uitgeput uit. Geen van beiden hadden ze nog een ransel. Mart had die van hem aan Noal gegeven, en Thom had de zijne achtergelaten. En deze kamer liep dood, zonder andere uitgangen. ‘Die verdomde rottoren!’ schreeuwde Mart. Hij rukte zijn hoed van zijn hoofd en staarde naar de uitgestrekte, eindeloze duisternis boven hem. ‘Jullie mogen allemaal branden, slangen en vossen! De Duistere mag jullie allemaal halen. Jullie hebben mijn oog, jullie hebben Noal. Dat is genoeg! Dat is te véél! Stelt het leven van Jaim Kimstapper jullie nóg niet tevreden, stelletje monsters!’ Zijn woorden galmden en verdwenen, en er kwam geen antwoord. De oude speelman kneep zijn ogen dicht en hield Moiraine vast. Hij zag er verslagen uit, doodop. Zijn handen waren rood en zaten onder de blaren van de hitte waaruit hij haar had bevrijd, en de mouwen van zijn jas waren geschroeid.

Mart keek wanhopig om zich heen. Hij probeerde rond te draaien met zijn oog dicht en zijn vinger uitgestoken. Toen hij zijn oog opende, wees hij naar het midden van de kamer. De kapotte deuropening. Toen voelde hij dat de hoop in hem stierf.

‘Het was een goede poging, jongen,’ zei Thom. ‘We hebben ons kranig geweerd. Beter dan we mochten verwachten.’

‘Ik geef het niet op,’ antwoordde Mart, die probeerde dat verpletterende gevoel van zich af te zetten. ‘We... we lopen terug, vinden een weg terug naar de plek tussen de Aelfinn en Eelfinn in. Volgens de overeenkomst moesten ze die uitweg open laten. We gaan daardoor naar buiten, Thom. Ik mag branden als we hier sterven. Je bent me nog een paar kroezen schuldig.’

Thom opende zijn ogen en glimlachte, maar hij stond niet op. Hij schudde zijn hoofd, zijn hangende snor wiebelde mee, en hij keek naar Moiraine.

Haar ogen gingen trillend open. ‘Thom,’ fluisterde ze met een glimlach. ‘Ik dacht al dat ik je stem hoorde.’

Licht, maar die stem van haar voerde Mart terug naar andere tijden. Een eeuwigheid geleden.

Ze keek naar hem. ‘En Mart. Lieve Martrim. Ik wist wel dat je me zou komen halen. Jullie allebei. Ik zou wensen van niet, maar ik wist dat jullie zouden komen...’

‘Rust jij maar, Moiraine,’ zei Thom zacht. ‘We zijn hier over twee harpakkoorden weg.’

Mart keek naar haar, hoe ze daar zo hulpeloos lag. ‘Ik mag branden als ik het zo laat aflopen!’

‘Ze komen eraan, jongen,’ zei Thom. ‘Ik hoor ze al.’ Mart draaide zich om en keek door de opening. Hij zag wat Thom had gehoord. De Aelfinn slopen door de gang, lenig en dodelijk. Ze glimlachten en hij zag scherpe hoektanden fonkelen. Ze hadden mensen kunnen zijn als ze die hoektanden niet hadden gehad. En die ogen. Die onnatuurlijke ogen met verticale pupillen. Ze bewogen zich soepel. Afschrikwekkend, gretig.

‘Nee,’ fluisterde Mart. ‘Er móét een uitweg zijn.’ Denk na, beval hij zichzelf. Mart, stommeling. Er moet een uitweg zijn. Hoe ben je de vorige keer ontsnapt? had Noal gevraagd. Daar had hij niets aan. Thom haalde met een wanhopig gezicht zijn harp van zijn rug. Hij begon erop te spelen. Mart herkende het deuntje, ‘Zoete fluisteringen over morgen’. Een droevig lied, gespeeld voor de gesneuvelden. Het was prachtig.

Opmerkelijk genoeg leek de muziek de Aelfinn te kalmeren. Ze minderden vaart, en de schepsels vooraan begonnen onder het lopen mee te deinen met de muziek. Ze wisten het: Thom speelde voor zijn eigen begrafenis.

‘Ik weet niet hoe ik de vorige keer ben weggekomen,’ fluisterde Mart. ik was bewusteloos. Ik werd wakker met een touw om mijn nek. Rhand sneed me los.’

Hij voelde aan zijn litteken. De antwoorden die hij van de Aelfinn had gekregen, onthulden niets. Hij wist van de Dochter van de Negen Manen, hij wist dat hij het halve licht van de wereld had opgegeven. Hij wist van Rhuidean. Het klopte allemaal. Geen leemtes. Geen vragen. Behalve...