Выбрать главу

Wat hebben de Eelfinn je gegeven?

‘Als ik mijn zin kon krijgen,’ fluisterde Mart, starend naar de naderende Aelfinn, ‘dan zou ik die leemtes gevuld willen hebben.’ De Aelfinn kronkelden verder, met die gele doeken om hun lichamen gehuld. Thoms muziek klaterde echoënd door de lucht. De schepsels naderden met gestage, langzame passen. Ze wisten dat ze hun prooi hadden.

De twee Aelfinn vooraan droegen zwaarden van glanzend brons met bloed eraan. Arme Noal.

Thom begon te zingen. ‘O, de dagen van een man waren ong’loof-lijk lang. Toen hij zwierf over het gebroken land.’ Mart luisterde en herinneringen kwamen bij hem boven. Thoms stem bracht hem terug naar die dagen van lang geleden. Dagen in zijn eigen herinneringen, dagen uit de herinneringen van anderen. Dagen waarop hij was gestorven, dagen waarop hij had geleefd, dagen waarop hij had gestreden en gewonnen.

‘Ik wil die leemtes gevuld hebben...’ fluisterde Mart in zichzelf. ‘Dat zei ik. De Eelfinn deden dat en gaven me herinneringen die niet van mij waren.’

Moiraines ogen waren weer dichtgevallen, maar ze glimlachte terwijl ze naar Thoms muziek luisterde. Mart had gedacht dat Thom voor de Aelfinn speelde, maar nu vroeg hij zich af of de man misschien voor Moiraine speelde. Een laatste, mijmerend lied voor een mislukte reddingspoging.

‘Hij zeilde zo ver als een man maar kon kiezen,’ zong Thom met een sonore, mooie stem. ‘En hij wenste nooit zijn angst te verliezen.’

‘Ik wilde die leemtes gevuld hebben,’ herhaalde Mart, ‘dus gaven ze me herinneringen. Dat was mijn eerste beloning.’

‘Want de angst van een man blijft ongezegd. Het houdt hem veilig en zijn schouders recht!’

‘Ik vroeg zonder het te beseffen om iets anders,’ zei Mart. ik zei dat ik vrij wilde zijn van de Aes Sedai en de Kracht. Ze gaven me daar die penning voor. Nog een geschenk.’

‘Laat je door angst niet weerhouden dat je ergens naar streeft, want die angst bewijst dat je nog altijd leeft!’

‘En... en ik vroeg om nog één ding. Ik zei dat ik bij hen weg wilde en terug wilde naar Rhuidean. De Eelfinn hebben me alles gegeven wat ik vroeg. De herinneringen om de leemtes te vullen. De penning om me te vrijwaren van de Kracht...’

En wat nog meer? Ze stuurden hem terug naar Rhuidean, naar de strop. Maar die strop was een prijs, geen antwoord op zijn eisen, ik volg die kapotte weg zonder klagen,’ zong Thom nu met luidere stem, ‘ondanks de zware last die ik moet dragen!’

‘Ze hebben me nog wel iets anders gegeven,’ fluisterde Mart, kijkend naar de ashandarei in zijn handen terwijl de Aelfinn luider begonnen te sissen.

Aldus wordt ons verdrag geschreven; aldus wordt de afspraak afgerond.

Dat stond in het wapen gekerfd. Op het lemmet waren twee raven afgebeeld, en in de steel stonden woorden in de Oude Spraak. Gedachte is ven pijl van tijd; herinnering vervaagt nimmer.

Waarom hadden ze hem die gegeven? Hij had zich er nooit over verwonderd. Maar hij had niet om een wapen gevraagd. Wat was gevraagd is gegeven. De prijs is betaald. Nee, hij had niet om een wapen gevraagd. Hij had om een uitweg gevraagd.

En toen gaven ze hem dit.

‘Je hebt gelogen en me bedrogen,’ brulde Thom de laatste regels van het lied uit. ‘Maar ik ben een man van de waarheid en kijk recht in je ogen!’

Mart draaide de ashandarei en stak hem in de muur. De punt zonk in het niet-steen. Licht sproeide eromheen naar buiten als bloed uit een gebarsten ader. Mart slaakte een kreet en duwde het lemmet verder. Krachtige golven van licht spoten uit de muur. Hij trok de ashandarei schuin omlaag en maakte een kerf. Toen haalde hij het wapen omhoog naar de andere kant en sneed een grote, op de kop staande driehoek van licht uit. Het licht leek te zoemen toen het over hem heen spoelde. De Aelfinn waren nu bij de deur, vlak bij Thom, maar ze sisten en deinsden terug van de krachtige stralen.

Mart voltooide zijn tekening door een golvende lijn door het midden van de driehoek te trekken. Hij kon amper iets zien, zo fel was het licht. Een gedeelte van de muur voor hem verdween en onthulde een gloeiende witte gang die uit staal leek te zijn gehouwen. ‘Krijg nou...’ fluisterde Thom, die opstond.

De Aelfinn krijsten schril van woede. Ze kwamen de kamer binnen, met een arm omhoog om hun ogen af te schermen, elk met een angstaanjagend zwaard in hun andere hand.

‘Haal haar hier weg!’ brulde Mart, die zich naar de schepsels omdraaide. Hij hief de ashandarei en sloeg met de steel de eerste Aelfinn in het gezicht. ‘Lopen!’

Thom greep Moiraine vast en keek nog een keer naar Mart om. ‘Lópen!’ herhaalde Mart, slaand op de arm van een andere Aelfinn. Thom sprong door de deuropening en verdween. Mart glimlachte, draaide zich rond te midden van de Aelfinn, sloeg met zijn ashandarei op benen, armen, hoofden. Het waren er een heleboel, maar ze leken onthutst door het licht, dol van verlangen om hem te bereiken. Terwijl hij de eerste paar tegen de grond werkte, struikelden de andere. De schepsels werden een kronkelende kluwen van lenige armen en benen, sissend en spugend van woede, en enkele schepsels gekleed in het zwart probeerden over de berg heen te klimmen om bij hem te komen.

Mart stapte achteruit en tikte tegen zijn hoed. ‘Het lijkt erop dat dit spelletje toch te winnen valt,’ zei hij. ‘Zeg maar tegen de vossen dat ik verrekte blij ben met de sleutel die ze me hebben gegeven. En jullie mogen allemaal wegrotten in een brandende put van vuur en as, stelletje ongewassen steenpuisten op de kont van een varken. En nog een prettige dag verder.’

Hij hield zijn hoed vast en sprong door de opening. Een witte flits.

56

Iets mis

Er werd zacht geklopt op de paal van Egwenes tent. ‘Binnen,’ zei ze, zoekend tussen de papieren op haar schrijftafel. Gawein glipte naar binnen. Hij had zijn mooie kleding verruild voor een bruine broek en een iets lichter hemd. De van kleur veranderende Zwaardhandmantel hing om zijn schouders, waardoor hij opging in de omgeving. Egwene zelf droeg een vorstelijk gewaad in groen en blauw.

Zijn mantel ruiste toen hij op een stoel naast haar tafel ging zitten. ‘Elaynes leger steekt over. Ze heeft bericht gestuurd dat ze op weg is naar ons kamp.’

‘Uitstekend,’ zei Egwene.

Gawein knikte, maar er zat hem iets dwars. Zo handig, die kluwen van gevoel die door de binding kwam. Als ze eerder had geweten hoe toegewijd hij haar was, had ze hem weken geleden al gebonden. ‘Wat is er?’ vroeg Egwene, die haar papieren opzijlegde. ‘Aybara,’ antwoordde hij. ‘Hij heeft nog niet beloofd je te zullen ontmoeten.’

‘Elayne zei al dat hij lastig kon zijn.’

‘Ik denk dat hij Altors kant gaat kiezen,’ zei Gawein. ‘Je ziet het aan hoe hij zijn kamp heeft opgesteld, weg bij alle anderen. Hij heeft meteen boodschappers naar de Aiel en de Tyreners gestuurd. Hij heeft een goed leger, Egwene. Een heel groot leger. Met Witmantels erin.’

‘Dat wijst er nog niet op dat hij Rhands kant kiest,’ wierp Egwene tegen.

‘Maar ook niet dat hij onze kant zal kiezen,’ zei Gawein. ‘Egwene... Galad is de leider van de Witmantels.’

‘Je bróér?’

‘Ja.’ Gawein schudde zijn hoofd. ‘Zoveel legers, zoveel banden van trouw, en alles botst met elkaar. Aybara en zijn leger zouden de vonk kunnen zijn die het hele zootje als vuurwerk de lucht in laat vliegen.’

‘Het wordt wel beter zodra Elayne er is,’ zei Egwene. ‘Egwene, stel dat Altor niet komt? Stel dat hij dit heeft gedaan om iedereen af te leiden van wat hij dan ook uitvoert?’

‘Waarom zou hij dat doen?’ vroeg Egwene. ‘Hij heeft al bewezen dat hij onvindbaar kan zijn als hij dat wil.’ Ze schudde haar hoofd. ‘Gawein, hij wéét dat hij die zegels niet moet breken. Een deel van hem weet dat, althans. Misschien heeft hij het daarom aan mij verteld; zodat ik verzet kon verzamelen, zodat ik het hem uit zijn hoofd kon praten.’

Gawein knikte. Zonder te klagen of tegenwerpingen te maken. Het was wonderbaarlijk, hoe hij was veranderd. Hij was nog even intens als altijd, maar minder scherp. Sinds die nacht met de moordenaars was hij gaan doen wat ze van hem vroeg. Niet als dienaar. Als partner die wilde zorgen dat haar wil geschiedde. Het was wonderbaarlijk. Het was ook belangrijk, aangezien de Zaal van de Toren vastbesloten leek te zijn om hun afspraak aan de kant te schuiven dat zij de leiding had over de omgang met Rhand. Ze keek naar haar stapel papieren, met daarin meerdere brieven met ‘goede raad’ van Gezetenen.